Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:810

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-001940-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3422
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder. Vrijspraakverweer faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001940-15

Uitspraak : 29 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-053996-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1980,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling begaan tegen zijn moeder veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met bijzondere voorwaarden (toezicht reclassering; meewerken aan diagnostisch onderzoek door psychiater, behandeling en begeleiding).

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen voor het hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren, met (naast de algemene voorwaarden) tevens als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat hij zich binnen 5 werkdagen na bekend worden met het arrest meldt bij de reclassering en zich daar gedurende de proeftijd blijft melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    dat hij zich onder de regie van de reclassering meldt bij het NIFP en meewerkt aan diagnostisch persoonlijkheidsonderzoek;

  • -

    dat hij gedurende de proeftijd zo frequent en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht, meewerkt aan ambulante behandeling en begeleiding door de GGZ of enige andere hulpverleningsinstelling o.b.v. de door NIFP te stellen diagnose en geadviseerde behandeling;

  • -

    dat hij zich gedurende de proeftijd niet ophoudt in de [adres 2] te Tilburg, tenzij onder de regie van de reclassering;

  • -

    dat hij gedurende de proeftijd geen contact onderhoudt met [slachtoffer] , tenzij onder de regie van de reclassering;

een en ander met bevel dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. In subsidiaire zin is verweer gevoerd tegen de gevorderde bijzondere voorwaarden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 maart 2015 te Tilburg opzettelijk zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of door meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of schoppen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of die [slachtoffer] te duwen en/of aan die [slachtoffer] te trekken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 maart 2015 te Tilburg opzettelijk zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en door meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en schoppen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Met betrekking tot het bewezen verklaarde dichtknijpen van de keel overweegt het hof dat aangeefster hierover heeft verklaard: “Ik zag dat hij twee handen naar mijn keel bracht. Ik voelde dat hij mijn keel dichtkneep. Ik kreeg hierdoor geen lucht. Ik was totaal in paniek. Ik dacht ik flauw zou gaan vallen. Ik heb hierdoor in mijn broek geplast (…) Hierna gooide hij me op de grond.” (aanvullende verklaring van 17 maart 2015, doorgenummerde dossierpagina 11). Naar algemene ervaringsregels kan het niet anders zijn dan dat zij door dat dichtknijpen van de keel pijn heeft ondervonden, zoals bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft oplegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, in combinatie met een aantal bijzondere voorwaarden die onder meer zien op een onderzoek naar de psychische gesteldheid van verdachte c.q. behandeling daarvan. Deze vordering komt het hof niet onredelijk voor, want gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting lijkt het bewezenverklaarde feit samen te hangen met de psychische gesteldheid van verdachte. Verdachte heeft echter ter terechtzitting van het hof duidelijk te kennen gegeven niet te willen meewerken aan enig onderzoek naar zijn psychische gesteldheid en/of aan behandeling van zijn psychische problematiek. Het hof heeft ter zitting van de verdachte de sterke indruk gekregen dat deze ook niet onder de dreiging van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zal meewerken aan zodanig onderzoek en eventuele behandeling.

Dit betekent dat het volgen van de eis van de advocaat-generaal naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot tenuitvoerlegging van de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf en per saldo zou neerkomen op oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, hetgeen naar het oordeel van het hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde niet passend zou zijn.

Het hof ziet dan ook – mede gelet op de relatief beperkte justitiële documentatie van verdachte en op de omstandigheid dat uit het overzicht dat [wijkagent] in een proces-verbaal d.d. 11 februari 2016 heeft gegeven van de hem bekende incidenten waarbij de verdachte is betrokken, wel blijkt van het veroorzaken van aanmerkelijke overlast door de verdachte maar niet van fysieke agressie – aanleiding verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd op te leggen, maar zonder bijzondere voorwaarden. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de persoonlijkheid van verdachte aanleiding geeft de proeftijd op drie jaren te bepalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 29 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.