Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:785

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
15/00869
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Hof Den Bosch oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven van levensonderhoud voor zijn studerende zoon

Belanghebbende betaalt kosten van levensonderhoud voor zijn studerende, uitwonende, zoon. De zoon beschikte op 1 januari 2009 over een banktegoed van € 21.459 en op 31 december 2009 over een banktegoed van € 19.800. Op 12 december 2009 had de zoon een studieschuld aan de IB-groep van € 66.525,75, welke schuld vanaf twee jaar na het afstuderen dient te worden afgelost.

In geschil is of belanghebbende de voor zijn zoon betaalde uitgaven van levensonderhoud als persoonsgebonden aftrekposten mag aanmerken.

Het betreft een zaak die door de Hoge Raad naar Hof Den Bosch is verwezen.

Uitgaven van een ouder voor het levensonderhoud van een kind worden ingevolge artikel 6.1, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2009) slechts gerekend tot de persoonsgebonden aftrekposten voor zover de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven. De omstandigheid dat het kind beschikt over een banktegoed dat hem in staat stelt zelf in zijn levensonderhoud te voorzien staat in beginsel in de weg aan aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van dat kind. In een dergelijk geval komen uitgaven voor levensonderhoud van het kind slechts voor aftrek in aanmerking voor zover bijzondere omstandigheden voor het kind aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen door de uitgaven voor zijn rekening te nemen en te laten.

Ten aanzien van de bijzondere omstandigheden heeft de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest geoordeeld dat het verschil tussen de maandelijkse inkomsten en kosten van de zoon, de aanwezigheid van een aanzienlijke studieschuld en de omstandigheid dat de zoon uitwonend was, dat hij 2009 zijn banktegoed heeft aangesproken en dat hij na een langdurig studietraject een bedrijf heeft gestart het oordeel niet kunnen dragen dat bijzondere omstandigheden meebrengen dat (verdere) aantasting van het banktegoed te bezwaarlijk is.

De Hoge Raad heeft de zaak naar Hof Den Bosch verwezen om te onderzoeken of de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan.

Voor het Hof heeft belanghebbende financiële en economische omstandigheden naar voren gebracht, daarmee doelend op de financiële en economische crisis van 2008 en 2009, met onder andere als gevolg grote onzekerheid en krapte op de arbeidsmarkt voor starters. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd acht het Hof onvoldoende en te algemeen om te kunnen worden beschouwd als bijzondere omstandigheden die de zoon betreffen, en die voor de zoon aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1333
V-N 2016/38.18 met annotatie van Redactie
FutD 2016-1531
NTFR 2016/1793 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00869

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 1 augustus 2013, nummer AWB 13/557, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag IB /PVV 2009) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.721 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 610. Tevens is bij beschikking € 347 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Na door belanghebbende tijdig tegen de aanslag en de beschikking gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken van 18 december 2012 de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. Bij haar vorenvermelde uitspraak heeft de Rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. Bij zijn uitspraak van 24 juni 2014, nummer 13/00954, (hierna: de uitspraak van Hof Arnhem- Leeuwarden), heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.571 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 610, de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 234,32 en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden, te weten € 42 in verband met het beroep en € 118 in verband met het hoger beroep.

1.4.

De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden is, op het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën, bij arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015, nr. 14/03927, vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bij dit arrest het geding verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (hierna: het verwijzingsarrest).

1.5.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 5 september 2015 een conclusie naar aanleiding van het verwijzingsarrest ingediend. De Inspecteur is vervolgens door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van belanghebbende, hetgeen hij heeft gedaan bij conclusie van 12 januari 2016.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 januari 2016 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] .

1.7.

Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting een pleitnota aan het Hof toegezonden, welke in afschrift is verstrekt aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

Omdat de reactie van de Inspecteur op het verwijzingsarrest en op de conclusie van belanghebbende en de voorafgaande aan de zitting door belanghebbende aan het Hof toegezonden pleitnota elkaar hebben gekruist, heeft belanghebbende te dezer zitting een nieuwe pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Ook de Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Na verwijzing neemt het Hof de in de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde feiten over:

2.1.

Belanghebbende heeft twee zonen, [D] , geboren [in april] 1985, en [E] (hierna: de zoon), geboren [in juni] 1982. De zoon is in 2000 gaan studeren.

2.2.

De zoon heeft in het eerste kwartaal van 2009 een lening van de [F] Groep (hierna: de [F] -groep) ontvangen van € 823,41 per maand. Na het eerste kwartaal van 2009 heeft de zoon geen recht meer op leningen van de [F] -groep. Uit hoofde van een stage heeft de zoon in de periode januari 2009 tot en mei 2009 een kostenvergoeding van in totaal € 1.336 ontvangen. Overige inkomsten heeft hij in dat jaar niet gerealiseerd. De zoon is in december 2009 afgestudeerd.

2.3.

De door de zoon in 2009 gemaakte kosten (huur, gas, water, elektra, internet, huishoudkosten, kleding, studiekosten) bedragen € 1.000 per maand.

2.4.

Op 1 januari 2009 beschikte de zoon over een banktegoed van € 21.459 en op 31 december 2009 over een banktegoed van € 19.800. Op 12 december 2009 had de zoon een studieschuld aan de [F] -groep van € 66.525,75, welke schuld vanaf twee jaar na het afstuderen dient te worden afgelost.

2.5.

De zoon heeft in 2009 in een semi-studentenwoning (eengezinswoning) gewoond en had toen twee huisgenoten, waarvan [G] (hierna: [G] ) er één was.

2.6.

De zoon en [G] hebben in de aangiften IB/PVV voor het jaar 2009 gekozen voor de kwalificatie als partner als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De studiekosten van de zoon over het jaar 2009 zijn daarbij op het inkomen van [G] in mindering gebracht. Het daarmee gerealiseerde fiscale voordeel bedroeg in totaal € 2.500 en is door de zoon en zijn twee huisgenoten gezamenlijk gedeeld, waarbij een derde (€ 833) aan de zoon toekwam.

2.7.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.321 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 610. Belanghebbende heeft op zijn inkomen uit werk en woning een bedrag van € 8.400 in aftrek gebracht wegens uitgaven voor levensonderhoud van zijn twee zonen.

2.8.

De Inspecteur heeft het bedrag van € 8.400 niet in aftrek aanvaard. Het belastbare inkomen uit werk en woning heeft de Inspecteur rekening houdend daarmee vastgesteld op € 88.721.

2.9.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het gedeelte van de correctie (€ 4.200) dat betrekking heeft op de uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon [E] .

2.10.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 december 2012 de bezwaren van belanghebbende afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

2.11.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen de uitgaven voor levensonderhoud van de zoon voor zijn rekening te nemen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft na verwijzing uitsluitend het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die voor het kind aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen door de uitgaven voor zijn rekening te nemen en te laten.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hieraan, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Belanghebbende:

  • -

    dat de toelichting in de aangifteprogrammatuur met betrekking tot het onderhavige onderwerp summier is, maar dat belanghebbende niet bedoeld heeft een beroep te doen op opgewekt vertrouwen;

  • -

    dat belanghebbende ten tijde van het verstrekken van financiële steun aan de zoon de verwachting had dat de zoon in de loop van 2009 zou afstuderen en dat de financiële tegemoetkoming derhalve van beperkte duur zou zijn;

  • -

    dat belanghebbende niet op de hoogte was van de omvang van het banktegoed van de zoon; belanghebbende schatte het banktegoed op € 3.000 á € 4.000;

  • -

    dat belanghebbende niet op de hoogte was van de precieze studieschuld;

  • -

    dat de bijzondere omstandigheid die meebrengt dat aantasting van het banktegoed van de zoon te bezwaarlijk is waardoor belanghebbende zich gedrongen heeft kunnen voelen om financiële steun te verlenen vooral is gelegen in de financiële en economische crisis waardoor krapte op de arbeidsmarkt voor starters ontstond.

Inspecteur:

  • -

    dat de aanwezige studieschuld een zachte schuld is waar geen rekening mee gehouden moet worden;

  • -

    dat als de zoon geen baan had kunnen vinden, hij een beroep op de bijstand had kunnen doen en het dan heel goed mogelijk zou zijn geweest dat de studieschuld kwijtgescholden zou worden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.571 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 610 en tot dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de in geschil zijnde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij heeft dat Hof acht geslagen op het verschil tussen de maandelijkse inkomsten en kosten van de zoon, de aanwezigheid van een aanzienlijke studieschuld en de omstandigheden dat de zoon uitwonend was, dat hij in 2009 zijn banktegoed heeft aangesproken en dat hij na een langdurig studietraject een bedrijf heeft gestart. De aanwezigheid van het banktegoed bij de zoon doet naar het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden niet af aan de gevolgtrekking dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven voor levensonderhoud van de zoon.

4.2.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden op de volgende gronden vernietigd en verwezen:

“2.3.1. Uitgaven van een ouder voor het levensonderhoud van een kind worden ingevolge artikel 6.1, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2009) slechts gerekend tot de persoonsgebonden aftrekposten voor zover de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

2.3.2.

Voor het antwoord op de vraag of de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van het kind, dient acht te worden geslagen op de omstandigheden waarin het kind feitelijk verkeerde. Daarbij is bepalend wat nodig is voor de onmiddellijke verlichting van de betalingsmoeilijkheden van het kind (vgl. onder meer HR 25 januari 1977, nr. 18680, BNB 1978/43, en HR 25 november 2011, nr. 10/04218, ECLI:NL:HR:2011:BQ7320, BNB 2012/19). De omstandigheid dat het kind beschikt over een banktegoed dat hem in staat stelt zelf in zijn levensonderhoud te voorzien staat derhalve in beginsel in de weg aan aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van dat kind.

2.3.3.

Bij afwezigheid van de zojuist bedoelde betalingsmoeilijkheden komen uitgaven voor levensonderhoud van een kind slechts voor aftrek in aanmerking voor zover bijzondere omstandigheden voor het kind aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen door de uitgaven voor zijn rekening te nemen en te laten (vgl. HR 17 september 2004, nr. 39418, ECLI:NL:HR:2004:AO3075, BNB 2005/3).

2.3.4.

Het Hof heeft niet vastgesteld dat de gevraagde aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van de zoon betrekking heeft op onmiddellijke verlichting van betalingsmoeilijkheden als hiervoor in 2.3.2 bedoeld. ’s Hofs hiervoor onder 2.2.2 weergegeven vaststellingen kunnen niet het oordeel dragen dat bijzondere omstandigheden meebrengen dat (verdere) aantasting van het banktegoed te bezwaarlijk is als hiervoor in 2.3.3 bedoeld. In zoverre heeft het Hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

2.4.

Gelet op het overwogene onder 2.3.2 tot en met 2.3.4 kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de vraag of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 2.3.3.”

4.3.

Met inachtneming van het feit dat de zoon op 1 januari 2009 en op 31 december 2009 over een banktegoed van respectievelijk € 21.459 en van € 19.800 beschikte, stelt het Hof vast dat de zoon in beginsel in staat was om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien, en dat belanghebbende zich derhalve niet redelijkerwijs gedrongen heeft hoeven voelen tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van de zoon. In dit verband merkt het Hof op dat belanghebbende, blijkens hetgeen hij ter zitting heeft verklaard, geen goed inzicht had in de daadwerkelijke financiële positie van zijn zoon. Zo verkeerde belanghebbende in de veronderstelling dat de zoon een banktegoed had van € 3.000 á € 4.000 en had hij geen inzicht in de precieze hoogte van de studieschuld.

4.4.

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat in een geval als het onderhavige, waarin de zoon over een aanzienlijk banktegoed beschikt, uitgaven voor het levensonderhoud van de zoon alleen voor aftrek in aanmerking komen voor zover bijzondere omstandigheden voor de zoon aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen door de uitgaven voor zijn rekening te nemen en te laten.

4.5.

Ten aanzien van de bijzondere omstandigheden heeft de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest geoordeeld dat het verschil tussen de maandelijkse inkomsten en kosten van de zoon, de aanwezigheid van een aanzienlijke studieschuld en de omstandigheid dat de zoon uitwonend was, dat hij 2009 zijn banktegoed heeft aangesproken en dat hij na een langdurig studietraject een bedrijf heeft gestart (rechtsoverweging 2.2.2) het oordeel niet kunnen dragen dat bijzondere omstandigheden meebrengen dat (verdere) aantasting van het banktegoed te bezwaarlijk is (rechtsoverweging 2.3.4).

Nu belanghebbende in aanmerking wenst te komen voor aftrek wegens uitgaven voor het levensonderhoud van de zoon, zal hij derhalve andere bijzondere omstandigheden dienen aan te voeren. Desgevraagd ter zitting, heeft belanghebbende aangegeven dat onder die andere bijzondere omstandigheden dienen te worden verstaan financiële en economische omstandigheden.

4.6.

Uit de stukken van het geding leidt het Hof af dat belanghebbende met financiële en economische omstandigheden doelt op de financiële en economische crisis van 2008 en 2009 met onder andere als gevolg grote onzekerheid en krapte op de arbeidsmarkt voor starters.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof kan de door belanghebbende onder 4.6 genoemde omstandigheid niet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid voor de zoon. De financiële en economische omstandigheden die door belanghebbende worden genoemd zijn omstandigheden die een algemeen karakter hebben en in beginsel op een ieder van toepassing kunnen zijn. Het betreffen geen bijzondere omstandigheden die voor de zoon aantasting van zijn banktegoed dermate bezwaarlijk doen zijn dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen deze aantasting te voorkomen. Reeds om die reden is het hoger beroep ongegrond.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 4 maart 2016 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.