Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:783

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
200 171 462_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie, kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 maart 2016

Zaaknummer: 200.171.462/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/287022 FA RK 14-5961

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Corbeij-Beukers.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 juni 2015, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de kinderalimentatie en de partneralimentatie en onder aanvulling en/of verbetering van gronden:

- de man te veroordelen om met een bedrag van € 100,- per maand, althans een door het hof vast te stellen bedrag, bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ;

- te bepalen dat de man met een bedrag van € 484,- bruto per maand, althans een door het hof vast te stellen bijdrage, bij vooruitbetaling te voldoen, zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

2.2.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Jongenelen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Corbeij-Beukers.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 26 februari 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 januari 2016.

2.4.1.

De brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 januari 2016 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 11 oktober 2013 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 april 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts – uitvoerbaar bij voorraad – voor zover thans in hoger beroep van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinder- en partnerbijdrage afgewezen.

3.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de beslissing op het verzoek tot kinder- en partneralimentatie betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van [minderjarige] , de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

3.5.

Het hof ziet aanleiding om eerst de draagkracht van de man te bespreken.

3.5.1.

De vrouw stelt dat de man voldoende draagkracht heeft om de door haar verzochte bijdrage in de kosten van [minderjarige] en in die van haar levensonderhoud te voldoen.

Nu de man niet bereid is om inzage te verschaffen in zijn inkomsten, maar aangenomen dient te worden dat de man wel inkomsten geniet, dient aan de zijde van de man rekening te worden gehouden met een fictief inkomen.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit standpunt van de vrouw.

3.5.2.

Het hof overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de horeca onderneming van de man op last van de gemeente in november 2013 is gesloten.

Uit de door de advocaat van de man bij brief van 21 januari 2016 overlegde stukken blijkt dat de man in het kader van een voorlopige hechtenis van 11 juni 2015 tot 16 december 2015 gedetineerd is geweest te [plaats] , wegens verdenking van het plegen van – zoals de man ter zitting heeft verklaard – drugs gerelateerde feiten.

Bij beslissing van 11 december 2015 is de voorlopige hechtenis geschorst, onder de in die beslissing genoemde voorwaarden. Enkele van die voorwaarden betreffen verplicht toezicht van de reclassering, alsmede elektronisch toezicht. Tevens dient de man gedurende het elektronisch toezicht te verblijven op het in die beslissing genoemde adres, waar hij op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn. De precieze tijdstippen worden vastgesteld door de reclassering in overleg met de man en zijn afhankelijk van de dagbesteding.

Op 12 januari 2016 heeft de man een arbeidsovereenkomst met [B.V.] B.V. te [vestigingsplaats] ondertekend voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van zes maanden, ingaande op 12 januari 2016 en eindigend op 11 juli 2016. Het betreft een dienstverband van 26 uur per week, verdeeld over vier dagen per week. De man genereert hiermee een inkomen van € 1.020,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De man heeft ter zitting verklaard dat hij deze dienstbetrekking door tussenkomst van de reclasseringsambtenaar heeft verworven.

3.5.3.

Eventuele partneralimentatie kan eerst ingaan op 29 april 2015, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw verzoekt de kinderalimentatie te laten ingaan op [geboortedatum minderjarige] 2014, zodat het hof de draagkracht van de man met ingang van die datum zal beoordelen.

Het hof is van oordeel dat de man, die overigens geen relevante opleiding heeft genoten, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode vanaf de geboorte van [minderjarige] tot aan de voorlopige hechtenis (zesenhalve maand) in verband met de sluiting van zijn onderneming geen relevante inkomsten heeft genoten, zodat hij in die periode niet in staat is geweest de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdragen te betalen. De vrouw stelt dat de man in die periode mogelijk nog wel vermogen had uit zijn beëindigde horeca onderneming, dan wel dat de man inkomsten genereerde in het criminele circuit. Het hof zal de vrouw in deze stellingen niet volgen nu zij deze niet nader heeft onderbouwd, hetgeen gezien de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg had gelegen.

Het hof stelt verder vast dat de man gedurende zijn detentie geen relevante inkomsten heeft genoten en gedurende deze periode derhalve geen draagkracht heeft gehad om enige onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] of de vrouw te betalen.

Gelet op de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis, acht het hof het voorts aannemelijk dat de man ook thans niet in staat is een hoger inkomen te genereren dan in zijn huidige dienstverband.

Nu de man dit dienstverband is aangegaan op 12 januari 2016 en de man vanaf die datum wel inkomsten heeft, acht het hof het redelijk om ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 12 januari 2016 een door de man te betalen minimale onderhoudsbijdrage van € 25,- per maand vast te stellen. In zoverre zal de bestreden beschikking worden vernietigd en het verzoek van de vrouw alsnog ten dele worden toegewezen.

3.5.4.

Nu gezien het voorgaande de man thans geen hogere draagkracht heeft dan € 25,- per maand voor de betaling van een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] , komt het hof niet meer toe aan bespreking van de behoefte van [minderjarige] en de vrouw aan een door de man te betalen onderhoudsbijdrage.

3.5.5.

De man heeft ter zitting verklaard dat de eerste pro forma zitting in de strafzaak binnen een half jaar zal plaatsvinden. Hij heeft voorgesteld om die zitting af te wachten om vervolgens met de vrouw en de advocaten van partijen om de tafel te gaan zitten om te bezien welke mogelijkheden de man dan heeft om een (hogere) bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en eventueel een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

Het hof gaat ervan uit dat partijen tot dit overleg zullen overgaan.

3.6.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 maart 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] betreft,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen een bedrag van € 25,- per maand met ingang van 12 januari 2016, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.