Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:775

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.183.387/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging vonnis waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van een schuldeiser tussentijds is beëindigd omdat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 25 februari 2016

Zaaknummer : 200.183.387/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/04/12/17 R

in de zaak in hoger beroep van:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Th. Papachatzidis;

tegen

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw te Roermond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 januari 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Van der Leeuw;

  • -

    [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Papachatzidis;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 december 2015;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [geïntimeerde] d.d. 2 februari 2016, 10 februari 2016 en 17 februari 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 5 februari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 17 januari 2012 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 288 lid 1 sub b juncto artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van [geïntimeerde] tussentijds beëindigd, nu [appellante] feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De verzoeker heeft in de periode omstreeks eind maart 2011 tot eind juli 2011 geconstateerd dat de saniet “rommelde” met bonnummers, waardoor er kasverschillen zijn ontstaan. Uiteindelijk is gebleken dat de saniet kassabonnen heeft herschreven en is uit haar persoonlijke kasboek gebleken dat zij regelmatig geld uit de kassa nam om te besteden aan privézaken, zoals tankkosten en boodschappen. (…)

Verzoeker heeft van het vorengaande aangifte gedaan hetgeen is uitgemond in een strafrechtelijke procedure, waarbij de meervoudige strafkamer van deze rechtbank het tenlastegelegde (gedeeltelijk) bewezen heeft verklaard. (…)

De rechtbank heeft de saniet veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bepaald dat de door de benadeelde partij ingediende vordering van € 88.601,08, bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (…)

De saniet heeft op de toelatingszitting – zo blijkt uit het proces-verbaal – geen enkele mededeling gedaan over haar verrichte strafbare handelingen en daarmee, naar nu is gebleken, een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. (…)

Bovendien is met deze veroordeling komen vast te staan dat de hiermee verband houdende schulden van de saniet – welke als vorderingen zijn ingediend door de verzoeker en/of derden en welke door de bewindvoerder zijn erkend – niet te goeder trouw zijn ontstaan.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt allereerst niet in te zien waarom [geïntimeerde] , handelende onder de naam My Life Fashion, als verzoeker is aangemerkt nu volgens [appellante] uit het verzoekschrift in eerste aanleg genoegzaam blijkt dat als verzoekers in eerste aanleg natuurlijk persoon [geïntimeerde] en rechtspersoon My Life Fashion B.V. zijn aan te merken. Voorts stelt [appellante] dat niet [geïntimeerde] , maar My Life Fashion B.V. haar voormalige eenmanszaak, “Cést Moi” heeft overgenomen. Tevens stelt [appellante] noch aan [geïntimeerde] , noch aan My Life Fashion B.V. een schuld van € 58.000,00 te hebben gehad uit hoofde van het niet betalen van geleverde kleding. Deze schuld heeft [appellante] aan E&E Fashion B.V. Daarbij komt bovendien dat [geïntimeerde] ter zitting van de strafprocedure en tijdens de zitting in eerste aanleg heeft gesteld dat E&E Fashion B.V. deze schuld heeft gecedeerd aan Fashion Management Company BVBA. Op grond van artikel 350 lid 1 Fw kan de toepassing van een schuldsaneringsregeling worden beëindigd op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder dan wel een of meerdere schuldeisers. [geïntimeerde] is evenwel geen schuldeiser van [appellante] en heeft dan ook geen enkel rechtens te respecteren belang bij zijn verzoek tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Ingevolge artikel 3:303 BW komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe en [geïntimeerde] zou dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek moeten worden verklaard. Voorts is [appellante] van mening dat het niet te goeder trouw zijn ten aanzien van haar schulden alleen betrekking kan hebben op de schade van My Life Fashion B.V. in de strafprocedure begroot op een bedrag van € 6.753,76. Hiervan heeft [appellante] een bedrag van € 2.000,00, overigens onder betwisting van de wederrechtelijkheid van haar handelen, erkend. Daarbij komt dat er kennelijk een uitkering van de verzekering heeft plaatsgevonden zodat volgens [appellante] de enige vordering waarop My Life Fashion B.V. aanspraak maakt(e) reeds is voldaan en het verzoek van My Life Fashion dus reeds om die reden al ieder belang ontbeert.

Voorts stelt [appellante] dat de rechtbank volledig voorbij is gegaan aan de brief van 7 december 2011 waarin door My Life Fashion B.V. aan de rechtbank kenbaar is gemaakt dat zij op staande voet is ontslagen vanwege diefstal en dat haar schuld aan My Life Fashion B.V. is ontstaan door het plegen van een misdrijf. [appellante] stelt dat het feit dat zij de wederrechtelijkheid van haar handelen betwist niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat zij daarmee informatie heeft achtergehouden en/of een onjuiste voorstelling van zaken heeft willen geven. Volgens [appellante] is deze brief tijdens de toelatingszitting aan haar voorgehouden door de rechtbank. De omstandigheid van strafrechtelijke veroordeling op 25 augustus 2015 vormt een onvoldoende rechtvaardiging voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw. De rechtbank had volgens [appellante] bij de toepassing van de facultatieve afwijzingsgrond ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b rekening dienen te houden met alle omstandigheden van het geval. Op geen enkele wijze blijkt uit het bestreden vonnis dat de rechtbank dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. [appellante] voert tevens aan dat de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 17 januari 2012 is uitgesproken terwijl de dagvaarding van het OM dateert van 19 september 2014 en de strafrechtelijke veroordeling bij vonnis van 25 augustus 2015 is uitgesproken. Gesteld nog gebleken is dat [appellante] in de periode voorafgaande aan haar toelatingsverzoek had moeten weten dat zij strafrechtelijk vervolgd zou worden. Ook heeft volgens haar de opgelegde straf geen directe gevolgen voor de boedel gehad en zijn er ook geen nieuwe schulden ontstaan, zij is immers niet veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Voorts is [appellante] van mening dat de rechtbank ongemotiveerd en derhalve ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat zij ter zitting op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van het nemen van verantwoordelijkheid en het inzien van de onjuistheid van haar handelen. Tot slot doet [appellante] een nadrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] stelt dat zij bij gelegenheid van de toelatingszitting wel degelijk heeft gesproken over de aangifte welke door [geïntimeerde] jegens haar was gedaan. [appellante] heeft destijds de feiten niet weersproken maar wel de wederrechtelijkheid van haar handelen betwist. Zij zou immers in opdracht van, althans in samenspraak met, althans met medeweten van [geïntimeerde] hebben gehandeld. Er kan volgens [appellante] dan ook geen sprake zijn van een situatie als bedoeld in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw. En dan nog is het volgens [appellante] maar de vraag of een en ander zou hebben geleid tot een weigering toelating op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw. Er is volgens haar immers geen sprake van schade bij een van de schuldeisers. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [geïntimeerde] als verzoeker merkt [appellante] op dat hij niet als schuldeiser kan worden aangemerkt. De betreffende schuldeiser is immers My Life Fashion B.V. en deze onderneming is in maart 2013 ontbonden. Enig aandeelhouder van deze onderneming was E&E Fashion B.V. en deze onderneming is failliet. In dat geval zou volgens [appellante] dan de curator bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek als thans door [geïntimeerde] is gedaan. Daar komt nog bij dat er een schade-uitkering van de verzekeraar van My Life Fashion B.V. heeft plaatsgevonden. Op vragen van het hof of de verzekeraar is gesubrogeerd heeft de advocaat van [appellante] geantwoord dat hij dat niet weet. Dat echter aannemende zou in dat geval de betreffende verzekeringsmaatschappij een verzoek hebben kunnen doen als thans door [geïntimeerde] is gedaan en niet meer [geïntimeerde] zelf. [appellante] voegt daaraan toe dat, indien zij uitgaat van de rechtsgeldigheid van de cessies van My Life Fashion B.V. aan E&E Fashion B.V. respectievelijk van E&E Fashion B.V. aan Fashion Management Company BVBA uitsluitend laatstgenoemde zou kunnen worden aangemerkt als een schuldeisers gerechtigd tot het verzoeken van een tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling.

3.6.

[geïntimeerde] heeft in zijn verweerschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [geïntimeerde] stelt dat de aangifte ter zake verduistering c.q. valsheid in geschrifte reeds in september 2011, en daarmee ruimschoots voor de behandeling van het toelatingsverzoek

van [appellante] , is gedaan. Ten tijde van de mondelinge behandeling van 17 januari 2012 was de mondelinge behandeling in het kort geding dat [appellante] tegen My Life Fashion B.V, had aangespannen tegen het vermeend nietige ontslag op staande voet ook al geweest. Bij vonnis van 24 november 2011 was immers bepaald dat dit ontslag terecht was gegeven. Voorts verzet [geïntimeerde] zich tegen de stelling van [appellante] dat zij op zijn verzoek kassabonnen zou hebben veranderd. Deze stelling strookt ook geenszins met de inhoud van de brieven die [appellante] aangaande de verduistering aan hem heeft verzonden. Ook acht [geïntimeerde] het onjuist dat [appellante] ten tijde van haar toelating tot de schuldsaneringsregeling geen rekening hoefde te houden met een eventuele strafrechtelijke vervolging. Op 12 april 2012 heeft de Officier van Justitie weliswaar laten weten de zaak tegen [appellante] te seponeren, maar hierover heeft [geïntimeerde] zich beklaagd in een artikel 12 Sv procedure. Overigens was ten tijde van de toelatingszitting bij [appellante] de dagvaarding bekend, maar het bericht van sepot nog niet. Dat [appellante] bij de toelatingszitting, wanneer in het kort geding al vonnis is gewezen en de aangifte tegen haar al is gedaan, nog steeds beweert dat [geïntimeerde] haar zou hebben gevraagd kassabonnen te herschrijven heeft zij daarmee bewust en tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Tot slot stelt [geïntimeerde] dat het hof het verzoek tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zo dient te begrijpen dat [geïntimeerde] dit verzoek in zijn hoedanigheid heeft gedaan van vertegenwoordiger van de schuldeiser aan wie de respectievelijke vorderingen zijn gecedeerd althans namens zichzelf als belanghebbende. Bovendien weet [appellante] precies wie [geïntimeerde] is, hij is haar voormalige werkgever en tevens degene aan wie [appellante] haar brieven heeft gericht. Voor zover niet duidelijk was dat [geïntimeerde] dit voor de BVBA deed zal het verzoek opnieuw worden ingediend. Ook is [geïntimeerde] bereid om desgevraagd alle stukken aangaande de cessie aan het hof te doen toekomen. Tot slot benadrukt [geïntimeerde] dat ook de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard dat de schuldsaneringsregeling ten onrechte op [appellante] van toepassing is verklaard.

3.7.

Hieraan is door en namens [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [geïntimeerde] betwist ten stelligste dat hij ooit aan [appellante] opdracht heeft gegeven tot het herschrijven van kassabonnen dan wel dat een en ander met zijn medeweten of instemming is geschied. [appellante] heeft bij gelegenheid van de toelatingszitting dan ook weloverwogen een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, hetgeen ook kan worden herleid uit de inhoud van de brieven die [appellante] na het aan het licht komen van de door haar gepleegde feiten aan [geïntimeerde] heeft verzonden omdat hierin ondubbelzinnig door [appellante] wordt erkend dat [geïntimeerde] van niets wist. Voorts merkt [geïntimeerde] op dat zowel de cessie van My Life Fashion B.V. aan E&E Fashion B.V. als de cessie van E&E Fashion B.V. aan Fashion Management Company BVBA tijdig aan de bewindvoerder zijn gemeld. Bovendien hebben deze cessies binnen dezelfde groep plaatsgevonden waarvan [geïntimeerde] zelf aan het hoofd staat. Daarbij hebben de cessies ook plaatsgevonden ruim voor de beëindigingen van My Life Fashion B.V. en E&E Fashion B.V. [geïntimeerde] voegt daar tot slot aan toe dat hij, nu hij door [appellante] valselijk is beschuldigd, ook een persoonlijk belang heeft om een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] te verzoeken.

3.8.

De bewindvoerder heeft bij brief de door haar in het kader van de schuldsaneringsregeling uitgebrachte verslagen, een recent boedeloverzicht alsmede een recente schuldenlijst overgelegd.

3.9.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder bevestigt dat [geïntimeerde] de beide cessies tijdig aan haar heeft bericht, maar dat los van de kwestie met betrekking tot deze cessies [appellante] naar haar idee bij gelegenheid van de mondelinge behandeling weloverwogen een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. De bewindvoerder verzet zich dan ook tegen een eventuele voortzetting van de schuldsaneringsregeling van [appellante] want niet alleen [geïntimeerde] , maar feitelijk alle schuldeisers zijn door [appellante] benadeeld. Weliswaar moeten de vorderingen nog worden beoordeeld, maar dat doet er, nu er nagenoeg niets op de boedel staat, volgens de bewindvoerder feitelijk weinig toe. Daarbij komt dat [appellante] de bewindvoerder ook bij herhaling niet heeft geïnformeerd met betrekking tot haar strafrechtelijke vervolging en pas na twee eindzittingen alsnog aan haar informatieplicht is gaan voldoen. De bewindvoerder ondersteunt het verzoek van [geïntimeerde] dan ook volledig.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

3.10.2.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in zijn verzoek overweegt het hof als volgt. [geïntimeerde] kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een schuldeiser als bedoeld in artikel 350 lid 1 Fw. De schuld van [appellante] aan My Life Fashion B.V. is weliswaar op enig moment gecedeerd aan E&E Fashion B.V en aansluitend daarop aan Fashion Management Company BVBA, maar het betreft hier in alle gevallen ondernemingen binnen een en dezelfde groep waarvan [geïntimeerde] als uiteindelijke bestuurder kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat [geïntimeerde] , nu hij van mening is dat hij door [appellante] valselijk wordt beschuldigd van het medeplegen van strafbare feiten, althans van het opdracht geven hiertoe, althans van het al dan niet stilzwijgend gedogen van de door [appellante] gepleegde strafbare feiten, ook een persoonlijk belang heeft om middels een verzoek de rechtbank in overweging te geven de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen. Daarbij merkt het hof op dat ook de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens nadrukkelijk heeft verzocht om een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] en dat op grond van artikel 350 lid 1 Fw ook de rechtbank (en dus ook het hof in hoger beroep) ambtshalve een schuldsaneringsregeling tussentijds kan beëindigen.

3.10.3.

Voorts is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat [appellante] bij gelegenheid van de toelatingszitting weloverwogen en derhalve toerekenbaar met betrekking tot de haar geplaagde stafbare feiten een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. [appellante] heeft met het oogmerk om de wederrechtelijkheid van haar handelen te weerleggen gedurende voornoemde zitting gesuggereerd dat zij in samenspraak met, dan wel in opdracht van, dan wel met medeweten van [geïntimeerde] zou hebben gehandeld. Deze lezing der feiten als door [appellante] gesteld verhoudt zich geenszins met de inhoud van een door [geïntimeerde] overgelegde handgeschreven en aan hem geadresseerde brief van [appellante] . Hieruit valt namelijk geenszins te herleiden dat [geïntimeerde] op de hoogte was van het handelen van [appellante] , eerder het tegendeel. Daarin schrijft immers [appellante] onder meer “Ik wil niets liever dan jou (sic) vertrouwen terug winnen.” en “ja, ik heb een grote fout gemaakt” alsmede “ik hoop zo dat je de kans geeft om alles mondeling toe te lichten” en “Het klinkt nu belachelijk, maar ik had je heus alles eerlijk opgebiecht, maar nu heeft het me ingehaald.” Deze door [appellante] gehanteerde formuleringen staan naar het oordeel van het hof op uiterst gespannen voet met hetgeen zij later bij gelegenheid van de toelatingszitting hieromtrent heeft verklaard en maken de stelling dat zij destijds in samenspraak met dan wel in opdracht van dan wel met medeweten van [geïntimeerde] heeft gehandeld uiterst ongeloofwaardig. Voorts heeft het hof meegewogen dat [geïntimeerde] , op het moment dat hij bekend raakte met de door [appellante] gepleegde feiten, hiervan direct aangifte heeft gedaan, een procedure ex artikel 12 Rv heeft opgestart toen deze aangifte werd geseponeerd en haar thans wederom in rechte betrekt door de rechtbank te verzoeken de schuldsaneringsregeling van [appellante] , hoofdzakelijk vanwege het plegen van strafbare feiten voorafgaand aan haar toelating tot voornoemde regeling, tussentijds te beëindigen. Bovendien is het handelen van [appellante] achteraf strafrechtelijk beoordeeld en is zij bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank schuldig bevonden en veroordeeld.

3.10.4.

Daar komt bij dat de aangifte tegen [appellante] is gedaan in september 2011, dat de toelatingszitting van [appellante] heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012 en dat de Officier van Justitie de zaak tegen [appellante] eerst op 12 april 2012 heeft geseponeerd (waarna de artikel 12 Sv-procedure is gevolgd). Het hof gaat op grond hiervan dan ook voorbij aan de stelling van [appellante] dat zij ten tijde van de toelatingszitting niet kon vermoeden dat er nog een strafrechtelijke vervolging plaats zou kunnen gaan vinden. Er was sprake van een aangifte en het sepot was haar toen nog niet bekend.

3.10.5.

Het hof is van oordeel dat, i deze bekend geworden feiten en omstandigheden, die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden, een reden zouden zijn geweest om het verzoek van [appellante] af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid Fw. Tot de hiervoor bedoelde bekend geworden feiten en omstandigheden rekent het hof naast de strafrechtelijke veroordeling in het ook de bijzonder de inhoud van de hiervoor vermelde door [appellante] zelf (hand)geschreven brief (van welke inhoud [appellante] altijd op de hoogte is geweest, zodat die feiten en omstandigheden in die zin reeds bestonden) welke de door [appellante] op de toelatingszitting gegeven (onjuiste) voorstelling van zaken volledig ontkracht. Immers als de toelatingsrechter bekend zou zijn geweest met die feiten en omstandigheden waardoor de uitlatingen van [appellante] , dat haar handelen ‘in samenspraak met, dan wel in opdracht van, dan wel met medeweten van [geïntimeerde] ’ zou zijn geweest, in strijd met de waarheid waren, zou dat, onder de omstandigheid dat er een aangifte tegen haar lag, voor de toelatingsrechter een reden voor afwijzing van het verzoek zijn geweest. Een beroep op de hardheidsclausule zou [appellante] destijds niet hebben kunnen baten. Dat de toelatingsrechter bekend zou zijn geweest met de inhoud van de brief van 7 december 2011 doet aan de onbekendheid van de toelatingsrechter met de hiervoor door het hof aangegeven feiten en omstandigheden niet af.

Reeds hierom dient naar het oordeel van het hof de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te worden beëindigd.

3.10.6.

Voorts overweegt het hof nog dat uit het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg blijkt dat [appellante] kort voor haar toelating tot de schuldsaneringsregeling strafbare feiten heeft gepleegd en zich daardoor willens en wetens heeft blootgesteld aan het risico dat zij hiervoor zou worden bestraft, hetgeen ook is geschied. Dit verdraagt zich geenszins met de aard van de schuldsaneringsregeling. De met haar strafrechtelijke veroordeling verband houdende schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan. Artikel 5.4.4. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken houdt immers in dat een schuld onder andere niet te goeder trouw is ontstaan wanneer deze voortkomt uit, zoals bij [appellante] het geval, een misdrijf of overtreding.

3.10.7.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen allereerst omdat het hier gaat om een tussentijdse beëindiging en niet om een beslissing tot toelating als bedoeld in artikel 288 Fw.

Voorts wordt ten aanzien van de door [appellante] beoogde ‘analogische’ toepassing, wat daarvan ook zij, voor zover daarmee gedoeld is op een toepassing in het kader van artikel 350 lid 3 sub f Fw, verwezen naar hetgeen hierover onder 3.9.5. (slot) is geoordeeld.

Het hof overweegt voorts nog dat [appellante] onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden zij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellante] genoemde omstandigheden, kortgezegd dat zij de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar haar idee naar behoren is nagekomen, betreffen immers geen omstandigheden zoals bedoeld in art. 288, lid 1 onder b Fw, danwel art. 288, lid 2 onder c Fw, zodat de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw hierop niet van toepassing kan zijn.

3.10.8.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds dient te worden beëindigd.

3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, A.P. Zweers-van Vollenhoven en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.