Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.160.344_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:7124
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1147, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaakwaarneming. Gemeente voert woonwagen af na ontruiming van de standplaats door de woningcorporatie. Kosten worden bij eigenaar van de woonwagen in rekening gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.160.344/01

arrest van 1 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J. van de Laar te Eindhoven,

tegen:

Gemeente Venlo,

zetelende te Venlo,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.G.G. van Nisselroij te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 november 2014 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen vonnissen van 17 juli 2013 (kantonrechter), 27 november 2013 en 13 augustus 2014 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde – de gemeente - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/124376/HA ZA 13-219)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep 10 november 2014;

- het depot van [appellant] op 12 januari 2015 van een aantal foto’s;

- de memorie van grieven van [appellant] van 13 januari 2015 met producties en

eiswijziging;

- de memorie van antwoord van de gemeente van 24 maart 2015 met producties en

eiswijziging;

- de akte rectificatie van de gemeente van 7 april 2015;

- de akte van [appellant] van 21 april 2015 met producties;

- de antwoordakte van de gemeente van19 mei 2015.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Tegen het incidenteel vonnis van 17 juli 2013 staat op grond van artikel 71 lid 5 Rv geen hoger beroep open en tegen het tussenvonnis van 27 november 2013 staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open, zodat [appellant] in zijn hoger beroep tegen deze beide vonnissen niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

4.2

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. [appellant] was eigenaar van een woonwagen die zich bevond op de standplaats aan de [standplaats] in [plaats] . [appellant] huurde de standplaats van de woningcorporatie Woonwenz.

  2. Op 28 oktober 2010 heeft de politie in de woonwagen ruim 130 gram harddrugs aangetroffen. De rechtbank heeft in de daarop gevolgde strafzaak bij vonnis van 24 februari 2011 [appellant] veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs.

  3. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de burgemeester van de gemeente Venlo besloten de woning en bijgebouwen aan de [standplaats] te [plaats] voor de periode van een jaar te sluiten vanwege de onder b) genoemde vondst. Het beroep van [appellant] tegen dit besluit is ongegrond verklaard door de rechtbank bij uitspraak van 27 juli 2011 en bij uitspraak van 5 september 2012 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  4. Op vordering van Woonwenz - welke vordering was ingegeven door de onder b) en c) genoemde feiten - heeft de kantonrechter bij vonnis van 14 september 2011 de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats ontbonden en [appellant] veroordeeld de standplaats te ontruimen. Bij arrest van dit hof van 6 november 2012 is dat vonnis bekrachtigd.

  5. Op 18 oktober 2011 is de standplaats door de deurwaarder in opdracht van Woonwenz ontruimd. Daarbij zijn de woonwagen en roerende goederen van de standplaats verwijderd. De gemeente heeft de woonwagen en roerende goederen dezelfde dag laten afvoeren en opslaan. De woonwagen is afgevoerd door [transport] Transport B.V. en opgeslagen bij het bedrijf [opslagbedrijf woonwagen] in [vestigingsplaats] . De roerende goederen zijn opgeslagen bij het bedrijf [opslagbedrijf roerende goederen] Berging in [vestigingsplaats] . In de nacht van 18 op 19 november 2011 is op het opslagterrein in [vestigingsplaats] brand gesticht aan de woonwagen, die daardoor grotendeels is verwoest.

  6. Bij brief van 6 januari 2012 heeft de advocaat van [appellant] aan de gemeente laten weten dat hij de bewaarkosten die de gemeente had gemaakt niet wilde vergoeden. Bij brief van 17 januari 2012 heeft de gemeente hierop geantwoord dat [appellant] uiterlijk 24 januari 2012 schriftelijk kenbaar diende te maken of hij de goederen en (het restant van) de woonwagen zou ophalen, bij gebreke waarvan verkoop of vernietiging zou volgen. Tevens is meegedeeld dat de kosten daarvan en van vervoer en opslag op [appellant] verhaald zouden worden. Bij brief van 24 januari 2012 heeft de advocaat van [appellant] de gemeente bericht dat [appellant] niet in staat was om deze op te halen. Het niet verwoeste deel van de woonwagen en de roerende goederen zijn uiteindelijk in opdracht van de gemeente vernietigd.

  7. Bij brief van 15 augustus 2012 heeft de advocaat van [appellant] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die hij door de afvoer en vernietiging van zijn eigendommen heeft geleden.

  8. De gemeente heeft bij brief, verzonden op 27 augustus 2012, iedere aansprakelijkheid afgewezen.

[appellant] heeft bij dagvaarding van 14 januari 2013 de onderhavige procedure tegen de gemeente bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. Op 13 februari 2013 is [appellant] in de strafzaak in hoger beroep alsnog vrijgesproken.

4.3

In eerste aanleg stelde [appellant] dat de gemeente toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van zaakwaarneming, zodat zij aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Op grond hiervan vorderde [appellant] , kort gezegd, een daartoe strekkende verklaring voor recht waarbij de schade in een schadestaatprocedure nader bepaald zou dienen te worden. Tevens vorderde [appellant] veroordeling van de gemeente tot betaling van een bedrag van € 968,= aan buitengerechtelijke incassokosten met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.

De gemeente heeft deze vordering bestreden. In reconventie vorderde de gemeente veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van in totaal € 21.861,49 met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

- afvoeren van de woonwagen € 19.719,49 incl. btw

- opslag en opruimen van de woonwagen € 1.190,= incl. btw

- opslag roerende zaken € 952,= incl. btw

[appellant] heeft op zijn beurt de reconventionele vordering van de gemeente bestreden.

4.4

Bij incidenteel vonnis van 17 juli 2013 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de afdeling burgerlijk recht van de rechtbank, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

Bij tussenvonnis van 27 november 2013 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 21 februari 2014 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 13 augustus 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente onder de gegeven omstandigheden - waaronder de passieve opstelling van [appellant] – correct heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de gemeente niet op enige wijze te kort geschoten in haar verplichtingen als zaakwaarnemer en heeft de gemeente de belangen van [appellant] naar behoren heeft behartigd als bedoeld in artikel 6:200 BW, zodat [appellant] gehouden is de schade te vergoeden die de gemeente als zaakwaarnemer als gevolg van de waarneming heeft geleden. De rechtbank achtte de gevorderde schadevergoeding deugdelijk onderbouwd en als niet betwist toewijsbaar. De vorderingen van [appellant] in conventie zijn geheel afgewezen en de vorderingen van de gemeente in reconventie geheel toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

4.5

Grief I luidt:

Ten onrechte heeft de Rechtbank Limburg in haar vonnis van 13 augustus 2014 overwogen dat er goede gronden waren voor de Gemeente Venlo om tot zaakwaarneming over te gaan omdat de goederen volgens de Rechtbank Limburg op de openbare weg waren geplaatst.

Volgens [appellant] zijn de woonwagen en de roerende zaken bij de ontruiming op 18 oktober 2011 niet op de openbare geplaatst, maar rechtsreeks op een vrachtwagen geplaatst en naar een opslagterrein in [vestigingsplaats] afgevoerd. Voor de gemeente was er volgens [appellant] geen enkele grond om als bewaarnemer te gaan optreden. Door dat wel te doen handelde de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig, aldus [appellant] . In verband hiermee vult hij de grondslag van zijn vordering in conventie aan met onrechtmatige daad. Tegen deze vermeerdering van de grondslag heeft de gemeente geen bezwaar gemaakt; daar is ook geen reden voor zodat de vordering van [appellant] nu op beide grondslagen, zaakwaarneming en onrechtmatige daad, aan de orde is.

4.6

Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] in zijn memorie van grieven als eerste grond zowel zaakwaarneming als bewaarneming vermeldt. In het eindvonnis van 13 augustus 2013 heeft de rechtbank met zoveel woorden overwogen dat partijen het eens zijn dat de gemeente is opgetreden als zaakwaarnemer in de zin van de artikelen 6:198 e.v. BW en dat de rechtbank deze kwalificatie onderschrijft (r.o. 4.2). Hiertegen heeft [appellant] geen grief gericht, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat tussen partijen op enig moment een overeenkomst van bewaarneming zou zijn gesloten. Het hof sluit zich aan bij de kwalificatie van zaakwaarneming en gaat daarvan uit bij de verdere beoordeling. Voor zover [appellant] beoogt aan de bepalingen inzake bewaarneming argumenten te ontlenen, gaat het hof daaraan voorbij aangezien van een overeenkomst van bewaarneming geen sprake is.

4.7

De standplaats aan de [standplaats] te [plaats] diende ingevolge het vonnis van de kantonrechter van 14 september 2011 ontruimd te worden. Dat betekent dat de woonwagen van [appellant] verwijderd diende te worden. De bemoeienis van Woonwenz betrof alleen de ontruiming van de standplaats, niet wat er verder met de woonwagen en eventuele inboedel zou gebeuren. Dat was vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de woonwagen, [appellant] . Vaststaat dat [appellant] op de hoogte was van de datum waarop de ontruiming zou plaatsvinden, zoals de rechtbank - onbestreden - heeft vastgesteld (r.o. 4.4). [appellant] is ook bij de ontruiming aanwezig geweest, zoals door de gemeente gesteld en door [appellant] niet genoegzaam betwist. Het was aan [appellant] als eigenaar van de woonwagen om maatregelen te treffen voor het afvoeren van zijn woonwagen naar een door hem gewenste plaats. Dergelijke maatregelen heeft hij in het geheel niet getroffen. Dat betekent dat na het ontruimen van de standplaats de woonwagen op de openbare weg terecht zou komen. Er is niets gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit anders zou zijn geweest. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand dat de gemeente, de enige die zich over de woonwagen bleek te willen of kunnen ontfermen, de woonwagen rechtstreeks op de vrachtwagen liet plaatsen die de woonwagen naar een stalling kon vervoeren en niet eerst even letterlijk op de openbare weg heeft laten plaatsen. Of de woonwagen in deze situatie al dan niet feitelijk op de openbare weg heeft gestaan, is daarom niet relevant, zodat het bewijsaanbod van [appellant] dat daarop ziet evenmin relevant is en om die reden wordt gepasseerd. Door [appellant] is geen enkele realistisch alternatief voor deze handelwijze naar voren gebracht. Ook naar het oordeel van het hof heeft de gemeente terecht en op goede gronden haar verantwoordelijkheid genomen door handelend op te treden en niet af te wachten of [appellant] wellicht op enig moment alsnog met een adequate oplossing zou komen.

Een en ander brengt mee dat grief I wordt verworpen.

4.8

Grief II luidt|:

Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat de Gemeente Venlo de belangen van [appellant] naar behoren heeft behartigd en niet toerekenbaar is tekort geschoten in haar verplichtingen als zaakwaarnemer. De Rechtbank heeft ook ten onrechte overwogen dat aan

de Gemeente Venlo niet verweten kan worden dat iemand zich toegang tot het terrein heeft verschaft waar de woonwagen stond en er brand is gesticht. Het vorenstaande kan, aldus de Rechtbank, niet aan de Gemeente Venlo worden tegengeworpen.

Blijkens zijn toelichting op deze grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat de gemeente de woonwagen in een eigen loods had moeten plaatsen of ervoor had moeten zorgen dat de woonwagen bij [transport] Transport BV in een afgesloten loods zou worden opgeslagen. Uit het feit dat derden bij de woonwagen konden komen om daarbij brand te stichten leidt [appellant] af dat de beveiliging kennelijk onvoldoende was. Ook heeft de gemeente volgens [appellant] nagelaten een verzekering af te sluiten. De gemeente betwist een en ander.

4.9

Het hof overweegt hierover het volgende. De gemeente diende de zorg te verlenen die van een goed zaakwaarnemer mag worden verwacht. Dat betekent niet dat de gemeente de woonwagen onder eigen toezicht diende te houden. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente over adequate voorzieningen daarvoor beschikt. Het stond de gemeente vrij om de woonwagen bij derden onder te brengen. Vaststaat dat de woonwagen op een afgesloten terrein heeft gestaan en dat degenen die er brand hebben gesticht zich daartoe door middel van braak toegang hebben verschaft. Van de gemeente en het door haar ingeschakelde bedrijf mag worden verwacht dat zij toereikende maatregelen treffen om bijvoorbeeld diefstal te voorkomen, maar het gaat te ver om van hen te verlangen dat zij er zorg voor dragen dat een actie als deze, een kennelijk juist op deze woonwagen gerichte brandstichting, wordt voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat iets dergelijks te voorzien is geweest; naar het oordeel van het hof behoefde de gemeente daar ook niet op bedacht te zijn.

De woonwagen was, zoals gezegd, eigendom van [appellant] zodat het verzekeren ervan ook zijn aangelegenheid was en niet die van de gemeente. Door [appellant] is overigens in deze procedure geen openheid verschaft over de vraag of de woonwagen al dan niet door hem zelf verzekerd was.

De conclusie hiervan is dat grief II wordt verworpen.

4.10

Grief III luidt:

Ten onrechte heeft de Rechtbank de reconventionele vorderingen van de Gemeente Venlo toegewezen. De Rechtbank heeft daarbij ten onrechte overwogen dat geen sprake was van een toerekenbare tekortkoming met betrekking tot de verplichtingen uit zaakwaarneming.

Uit hetgeen het hof hiervoor bij de twee andere grieven heeft overwogen blijkt dat de tweede zin van deze grief geen doel treft. Voor het overige ziet deze grief op de hoogte en de juistheid van de door de gemeente gevorderde bedragen. Volgens [appellant] had de gemeente een goedkopere oplossing moeten vinden en heeft zij door het overbrengen van de woonwagen naar [vestigingsplaats] de kosten onvoldoende beperkt. De door de gemeente overgelegde nota’s acht [appellant] onvoldoende gespecificeerd, terwijl betalingsbewijzen ontbreken. De btw is volgens [appellant] ten onrechte aan hem in rekening gebracht.

4.11

Wat de btw betreft gaat het bij de drie hiervoor onder 4.3 vermelde posten om de volgende bedragen: € 3.148,49, € 190,= en € 152,=, in totaal € 3.490,49. In haar memorie van antwoord erkent de gemeente dat zij deze bedragen niet in rekening dient te brengen en zij vermindert daarom haar vordering met het bedrag van € 3.490,49. Partijen zijn het hierover eens, zodat dit punt verder geen bespreking behoeft.

4.12

Wat de betwisting van de overgelegde facturen betreft overweegt het hof het volgende. Door [appellant] is in algemene zin te kennen gegeven dat de gemeente de kosten had kunnen en moeten beperken maar hij heeft nagelaten dit verweer te voorzien van enige feitelijk onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van een concrete berekening of begroting van kosten waaruit kan worden afgeleid dat de gemeente gekozen heeft voor een duurdere aanpak dan nodig was geweest. Naar het oordeel van het hof zijn de facturen die de gemeente in eerste aanleg heeft overgelegd voldoende gespecificeerd en bieden deze voldoende inzicht in de gemaakte kosten. Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de door [appellant] eerst in hoger beroep aan de orde gestelde betalingsbewijzen overgelegd. [appellant] heeft nadien nog een akte genomen maar daarin niet de juistheid van de door de gemeente overgelegde stukken betwist. Het hof ziet geen aanleiding hem daartoe alsnog afzonderlijk in de gelegenheid te stellen en acht het verweer van [appellant] op dit punt alles bij elkaar onvoldoende gemotiveerd zodat het wordt verworpen.

Afgezien van de btw-kwestie wordt grief III verworpen, zodat in reconventie een bedrag van € 18.371,= toewijsbaar is (€ 21.861,49 -/- € 3.490,49).

4.13

Een en ander leidt tot de slotsom dat het eindvonnis van 13 augustus 2014 wordt bekrachtigd met uitzondering van het daarin opgenomen bedrag van € 3.490,49. Door [appellant] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden zodat ook overigens zijn bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd. In de omstandigheid dat het hoger beroep in ieder geval gedeeltelijk gerechtvaardigd is geweest ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het incidenteel vonnis van 17 juli 2013 en tegen het tussenvonnis van 27 november 2013;

bekrachtigt het eindvonnis van 13 augustus 2014 met dien verstande dat in het dictum onder 5.4 aan hoofdsom een bedrag van € 18.371,= wordt toegewezen en vernietigt dit vonnis voor zover daarbij in het dictum onder 5.4 aan hoofdsom een bedrag van € 21.861,49 is toegewezen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 maart 2016.

griffier rolraadsheer