Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:742

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.159.329_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

niet nakoming last

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.159.329/01

arrest van 1 maart 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R. Haouli te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.J.T. van Loo te Oss,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 juli 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2860812/249)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met een productie;

  • -

    de memorie van grieven met twee producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Mevrouw [huurster] (hierna: [huurster] ) is huurster van de woning aan de [adres] in [plaats] .

[appellant] , die beroepsmatig mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking begeleidt, is bij beschikking van 31 mei 2011 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch benoemd tot mentor van [huurster] .

3.1.2.

[geïntimeerde] heeft tot 29 november 2011 met toestemming van [huurster] ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op voormeld adres [adres] in [plaats] .

3.1.3.

[geïntimeerde] was van plan voor langere tijd naar Thailand te gaan. Hij is met [appellant] overeengekomen dat laatstgenoemde zijn belangen zou waarnemen zolang [geïntimeerde] in het buitenland zou blijven. Op 25 november 2011 heeft [geïntimeerde] , gezien het door hem ondertekende schriftelijk stuk van die datum, welke stuk is gericht aan de lezer daarvan, [appellant] gemachtigd voor het afhandelen van alle zaken die in zijn belang gedaan kunnen en moeten worden. Daarbij heeft [geïntimeerde] als reden vermeld dat hij voor een periode van zes maanden in het buitenland verblijft (productie 1 bij inleidende dagvaarding).

3.1.4.

[geïntimeerde] ontving een Wajong-uitkering. Hij heeft het UWV laten weten dat hij van 29 november 2011 tot en met 26 mei 2012 met vakantie wilde gaan. Het UWV heeft in een brief van 10 november 2011 aan [geïntimeerde] geschreven waar hij, gelet op deze wens, rekening mee moet houden. In die brief is vermeld dat [geïntimeerde] diende te zorgen dat er tijdens de periode dat hij in het buitenland is, iemand is die zijn post kan bekijken. Verder werd hem een prettige vakantie toegewenst. Het UWV heeft [geïntimeerde] hiermee toestemming gegeven om met behoud van zijn Wajong-uitkering gedurende zes maanden, tot en met 26 mei 2012, in het buitenland met vakantie te zijn.

3.1.5.

Kort na het vertrek van [geïntimeerde] naar Thailand werd de WAO-uitkering van [huurster] stopgezet. [huurster] kwam vervolgens niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering omdat [geïntimeerde] op haar woonadres was ingeschreven en [geïntimeerde] een inkomen uit hoofde van zijn Wajong-uitkering genoot.

3.1.6.

[appellant] heeft op verzoek van [huurster] bij formulier van 26 november 2011, bij de gemeente Oss binnengekomen op 29 november 2011, aangifte van vertrek uit Nederland van [geïntimeerde] gedaan (zie productie 3 bij inleidende dagvaarding). Hierbij heeft [appellant] gebruik gemaakt van de door [geïntimeerde] aan hem, [appellant] , gegeven machtiging van 25 november 2011. [geïntimeerde] is uitgeschreven uit de GBA van de gemeente Oss op 29 november 2011.

3.1.7.

Bij brief van 2 december 2011 heeft het UWV aan [geïntimeerde] bericht dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 1 december 2011 wordt geschorst omdat [geïntimeerde] zich met ingang van 29 november 2011 heeft laten uitschrijven bij de gemeente en hij, [geïntimeerde] , heeft aangegeven naar Thailand te gaan (productie 4 inl. dagv.).

3.1.8.

[geïntimeerde] is in oktober 2012 teruggekeerd naar Nederland.

3.1.9.

Per 1 december 2012 is het recht van [geïntimeerde] op een Wajong-uitkering herleefd omdat hij sinds 2 november 2012 in Nederland woont, zo blijkt uit een brief van het UWV van 13 februari 2013 (prod. 6 inl. dagv.).

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg betaling door [appellant] van € 13.105,-, te vermeerderen met rente en kosten. Deze gevorderde hoofdsom komt overeen met de gemiste Wajong-uitkering van € 1.092,07 over twaalf maanden.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij met [appellant] een overeenkomst tot waarneming van zijn belangen heeft gesloten, dat [appellant] niet heeft gehandeld zoals een goed waarnemer betaamt door hem, [geïntimeerde] , op 29 november 2011 uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Oss te laten uitschrijven waardoor [geïntimeerde] met ingang van 1 december 2011 tot 1 december 2012 het recht op een Wajong-uitkering is verloren.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld om € 6.552,42 (zes keer € 1.092,07), te vermeerderen met rente te betalen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat [appellant] gehouden is de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de uitschrijving uit de GBA te vergoeden. Het gemis aan uitkering over de periode vanaf 27 mei 2012 tot 1 december 2012 valt volgens de kantonrechter niet onder te vergoeden schade, omdat het de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] zelf was om te zorgen dat hij binnen de in de brief van het UWV genoemde termijn weer in Nederland zou zijn. De kantontrechter heeft [appellant] in de proceskosten veroordeeld, de genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling in de proceskosten in beide instanties. [geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd. De grieven en het verweer hiertegen worden in de hierna aangegeven volgorde besproken. Aangezien [geïntimeerde] geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering (de vordering voor zover deze zag op de gemiste uitkering in de periode vanaf 27 mei 2012 tot 1 december 2012), is dat deel van de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde. Het gaat dus in dit hoger beroep alleen om het gemis aan uitkering in de periode waarin [geïntimeerde] toestemming van het UWV had om met behoud van zijn uitkering in Thailand te verblijven.

Grieven I en IV: tekortkoming?

3.5.

Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat hij, [appellant] , toerekenbaar tekort is geschoten door [geïntimeerde] uit het GBA te laten schrijven.

In zijn toelichting op grief I stelt [appellant] dat als maatstaf de redelijk bekwaam en redelijkheid handelend vakgenoot moet worden toegepast en dat hij niet in strijd daarmee heeft gehandeld.

[appellant] stelt voorop dat onjuist is de gedachte dat het door [appellant] uitschrijven van [geïntimeerde] uit het GBA per definitie een tekortkoming oplevert. Volgens [appellant] zou die uitschrijving alleen dan een tekortkoming opleveren indien in de overeenkomst tussen partijen uitdrukkelijk zou zijn opgenomen dat het [appellant] verboden was om [geïntimeerde] in het GBA uit te schrijven van het adres van [huurster] .

[appellant] heeft voorts naar voren gebracht dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot [geïntimeerde] mocht uitschrijven in de door [appellant] in nr. 23. en 24. van de memorie van grieven genoemde omstandigheden.

Ten slotte merkt [appellant] op dat hij slechts een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om de belangen van [geïntimeerde] zo goed mogelijk te behartigen.

3.6.1.

De kantonrechter heeft in zijn vonnis onder 3.3. overwogen dat tussen partijen sprake is geweest van een overeenkomst tot waarneming van de belangen van [geïntimeerde] door [appellant] en dat [appellant] verplicht is bij de waarneming de nodige zorg te betrachten en, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, de begonnen waarneming voort te zetten. Tegen dit oordeel heeft [appellant] , die in eerste aanleg het bestaan van voormelde overeenkomst betwistte, geen grief gericht. In hoger beroep heeft [appellant] zelfs die overeenkomst erkend (memorie van grieven nr. 9.), zodat het hof van de door de kantonrechter vastgestelde overeenkomst uitgaat. [appellant] diende op grond van deze overeenkomst de belangen van [geïntimeerde] te behartigen tijdens diens verblijf in Thailand.

[appellant] , die beroepsmatig mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking begeleidt, diende het tussen partijen overeengekomene, te weten het behartigen van de zaken van [geïntimeerde] gedurende de tijd dat [geïntimeerde] in Thailand was, te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

3.6.2.

Vast staat dat [appellant] op verzoek van [huurster] [geïntimeerde] heeft uitgeschreven uit de GBA, dat hij, [appellant] , bij de door [huurster] verzochte uitschrijving van [geïntimeerde] uit de GBA gebruik heeft gemaakt van de machtiging van [geïntimeerde] en dat door die uitschrijving de Wajong-uitkering van [geïntimeerde] werd geschorst. Door bij de uitschrijving gebruik te maken van de machtiging van [geïntimeerde] heeft [appellant] niet voldaan aan de maatstaf om als redelijk handelend vakgenoot te handelen. [geïntimeerde] had namelijk de machtiging niet verstrekt om een verzoek van [huurster] tot zijn uitschrijving uit de GBA mogelijk te maken. Derhalve heeft [appellant] de machtiging gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bestemd was, te weten het dienen van de belangen van [geïntimeerde] . [appellant] is daarmee tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis jegens [geïntimeerde] om zijn zaken te behartigen.

3.6.3.

De door [appellant] in deze grief onder 23. en 24. genoemde omstandigheden doen niets af aan voorgaand oordeel, dat [appellant] niet de door [geïntimeerde] aan hem verstrekte machtiging mocht gebruiken voor het verzoek van [huurster] tot zijn, [geïntimeerde] ’, uitschrijving.

3.6.3.1. [appellant] heeft aangevoerd dat hij als mentor verplicht op verzoek van [huurster] handelde en dat het aan [huurster] was om te bepalen wie op haar adres in de GBA stond ingeschreven.

Dat [appellant] handelde op verzoek van en in het belang van [huurster] , en daartoe jegens haar gehouden was, neemt niet weg dat zijn handelen in strijd met de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde] was, omdat dit handelen niet in het belang van [geïntimeerde] was.

De stelling van [appellant] , dat het aan [huurster] was om te bepalen wie op haar adres in het GBA stond ingeschreven heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij destijds geldende voorschriften van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij die stelling had betrokken. Immers uit die wet blijkt niet dat [huurster] de bevoegdheid had [geïntimeerde] uit het GBA te laten schrijven. Integendeel, uit artikel 74 van die wet blijkt dat een wijziging van de inschrijving in het GBA op aangifte van de ingeschrevene zelf -dus door [geïntimeerde] - diende te geschieden en dat die verplichting ook kon worden vervuld door een schriftelijk gemachtigde (lid 1 sub c van die bepaling). Over zo’n machtiging van [geïntimeerde] beschikte [huurster] niet.

3.6.3.2. [appellant] stelt in dit verband voorts dat [geïntimeerde] geen recht had op een Wajong-uitkering omdat [geïntimeerde] enkel over een postadres beschikte. Het voorgaande is onjuist omdat uit de brief van UWV van 10 november 2011 blijkt dat [geïntimeerde] tot en met 26 mei 2012 recht bleef houden op zijn uitkering ondanks zijn verblijf in het buitenland.

3.6.3.3. Dat [appellant] nog getracht heeft het UWV te bewegen de stopzetting van de Wajong-uitkering van [geïntimeerde] te annuleren, neemt niet weg dat de stopzetting is veroorzaakt doordat [appellant] met – oneigenlijk gebruik van - de machtiging [geïntimeerde] heeft uitgeschreven.

3.6.3.4. [appellant] heeft nog opgeworpen dat hij [geïntimeerde] heeft verzocht om een ander adres op te geven zodat hij, [appellant] , [geïntimeerde] op dat adres kon inschrijven en zijn uitkering zou herleven. Het voorgaande neemt niet weg dat het handelen van [appellant] , namelijk het oneigenlijk gebruik van de machtiging van [geïntimeerde] , een toerekenbare tekortkoming oplevert.

3.6.3.5. Ten slotte heeft [appellant] in dit verband naar voren gebracht dat hij [geïntimeerde] heeft geïnformeerd over de mogelijkheden om zijn recht op een uitkering te doen herleven. Ook dit neemt niet weg dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [appellant] .

3.6.4.

Op grond van het bovenstaande wordt deze grief verworpen.

Grief II: toerekenbaar?

3.7.

[appellant] vindt dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij, [appellant] , in een noodtoestand verkeerde. Volgens [appellant] kan het uitschrijven van [geïntimeerde] hem niet worden toegerekend omdat het niet uitschrijven zou betekenen dat hij, [appellant] , zich schuldig zou maken aan post- en/of uitkeringsfraude.

3.8.

Deze grief wordt verworpen omdat niet valt in te zien dat [appellant] , door [geïntimeerde] niet uit te schrijven uit het GBA, frauduleus handelt. Immers, indien er sprake zou zijn van fraude, dan is [geïntimeerde] daarvoor verantwoordelijk en niet [appellant] .

Grief III: vernietigbare/nietige overeenkomst?

3.9.

[appellant] voert in deze grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op zijn stelling dat de overeenkomst tussen partijen vernietigbaar is.

In zijn toelichting merkt [appellant] op dat, voor zover aangenomen zou worden dat de overeenkomst met zich brengt dat [appellant] [geïntimeerde] ingeschreven moet laten staan in het GBA terwijl feitelijk gezien [geïntimeerde] in het buitenland woont, de overeenkomst [appellant] dwingt te handelen in strijd met de wet, hetgeen de overeenkomst nietig maakt, zodat van een tekortkoming geen sprake kan zijn.

In zijn toelichting verwijst [appellant] naar zijn conclusie van antwoord onder nr. 17. en 18. Daarin heeft hij aangegeven dat hij, [appellant] , [geïntimeerde] niet kan helpen als [geïntimeerde] niet voldoet aan de vereisten die zijn verbonden aan de Wajong-uitkering. Voorts voert [appellant] aan dat, indien hij [geïntimeerde] niet zou hebben uitgeschreven, ook mevrouw [huurster] aangesproken zou zijn op fraude. Hij, [appellant] , heeft daarmee rechtmatig en in overeenstemming met de wet gehandeld.

3.10.

In art 3:40 BW is bepaald dat een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, nietig is (lid 1) en dat strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid (lid 2).

De rechtshandeling waar het om gaat betreft de tussen partijen gesloten overeenkomst waarbij [appellant] de zaken van [geïntimeerde] behartigt gedurende zijn afwezigheid. Zo’n overeenkomst is op zich genomen niet in strijd met goede zeden, openbare orde of een dwingende wetsbepaling. [appellant] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de overeenkomst hem dwingt te handelen in strijd met de goede zeden, openbare orde of de wet. Immers door [geïntimeerde] ingeschreven te laten staan in het GBA handelt [appellant] niet in strijd met de wet. Alleen [geïntimeerde] handelt in strijd met de wet indien die inschrijving onjuist zou blijken te zijn. De grief faalt.

Grief V: oorzakelijk verband en schade?

3.11.

In deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden omdat in het geval dat [appellant] had geweigerd voor uitschrijving zorg te dragen, [huurster] zelf zou hebben gezorgd voor uitschrijving.

Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat de schade in een te ver verwijderd verband tot de tekortkoming staat omdat [geïntimeerde] geen recht had op een uitkering en dat het niet redelijk is de gemiste uitkeringen als schade aan [appellant] toe te rekenen.

Ten slotte is [appellant] van oordeel dat de schade bestaande in gemiste uitkeringen geen schade is waartegen de geschonden norm pleegt te beschermen.

3.12.1.

Ingevolge artikel 6:98 BW komt voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aansprakelijke persoon berust, dat die schade de aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, deze schade als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

3.12.2.

Tussen partijen staat vast dat door de uitschrijving van [geïntimeerde] uit het GBA door [appellant] , waarbij [appellant] gebruik maakte van de machtiging van [geïntimeerde] , de uitkering van [geïntimeerde] is geschorst. De stelling van [appellant] , dat indien [huurster] om uitschrijving had verzocht, die uitschrijving op verzoek van [huurster] door de gemeente zou zijn verricht, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij de destijds geldende voorschriften van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij deze stelling had betrokken. Daaruit blijkt overigens dat deze stelling niet juist is. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in r.o. 3.6.3.1 is overwogen.

.

3.12.3.

Op grond van het voorgaande worden in zoverre de stellingen van [appellant] , gedaan in de toelichting op deze grief, verworpen.

3.12.4

In het betoog van [appellant] ligt besloten dat hij zich niet gehouden acht tot vergoeding van schade bestaande uit het gemis van een uitkering waar [geïntimeerde] geen recht op had. Het hof gaat daar hierna op in.

3.13.

Indien, zoals [appellant] in deze grief stelt, [geïntimeerde] geen recht had op de uitkering die geschorst werd, dan heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof geen voor vergoeding in aanmerking komende schade geleden. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] geen recht had op een Wajong-uitkering omdat hij niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor een recht op uitkering omdat hij in Thailand woonde vanaf november 2011.

3.14.

De Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), welke op 1 januari 2010 in werking is getreden en die gold in november 2011 kent de navolgende, voor de beoordeling van deze zaak relevante bepalingen:

Artikel 1:2. Ingezetene

1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.

(…)

Artikel 1:3. Woonplaats

1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

(…)

Artikel 3:19. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:

(…)

c. met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.

3.15.

Uit voorgaande wettelijke bepalingen volgt dat in het geval [geïntimeerde] vanaf 26 november 2011 inderdaad buiten Nederland is gaan wonen, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd. Voorts heeft [appellant] een verklaring van [huurster] van 4 september 2014 overgelegd (productie 2 bij memorie van grieven), welke verklaring erop neer komt dat zij, [huurster] , aan [geïntimeerde] een postadres zou verschaffen zodat [geïntimeerde] in Thailand kon blijven. Ten slotte staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] naar Thailand is gegaan voor een periode van zes maanden en is onweersproken gebleven dat [geïntimeerde] in Thailand een relatie had, alsook dat hij al eerder gedurende een langere periode in Thailand heeft verbleven, hetgeen toen heeft geleid tot stopzetting van zijn uitkering.

3.16.

Het voorgaande afwegende tegen het tussen partijen vast staande feit, dat [geïntimeerde] met toestemming van [huurster] als wonend op het adres [adres] in [plaats] was ingeschreven in het GBA en tegen de machtiging van [geïntimeerde] aan [appellant] van 25 november 2011, waarin [geïntimeerde] als zijn gegevens heeft vermeld het adres aan de [adres] in [plaats] , staat de door [geïntimeerde] gestelde schade nog niet vast omdat niet vast staat dat hij in Nederland woonde na 26 november 2011. [geïntimeerde] , die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de tekortkoming van [appellant] en op grond van die stelling een vordering instelt, dient volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv die stelling te bewijzen, nu die voldoende is betwist door [appellant] en dus niet vast staat. Gezien zijn in eerste aanleg gedane bewijsaanbod zal [geïntimeerde] worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling, dat hij in Nederland woonde in de periode vanaf 26 november 2011 tot 27 mei 2012.

3.17.

Na afloop van de getuigenverhoren (met inbegrip van het tegenverhoor) en wel direct aansluitend daaraan zal een comparitie van partijen worden bepaald om een minnelijke regeling te beproeven. Indien geen van partijen bewijs door getuigen wenst te leveren, wordt de advocaten verzocht dit tijdig aan de raadsheer-commissaris te berichten; de comparitie vindt dan plaats op het voor het getuigenverhoor te bepalen tijdstip.

3.18.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4
4. De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat hij vanaf 26 november 2011 tot 27 mei 2012 in Nederland woonde;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.F.M. Pols als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 15 maart 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat na sluiting van de getuigenverhoren en aansluitend daaraan partijen in persoon, vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor de hiervoor genoemde raadsheer-commissaris, tot het beproeven van een schikking;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, H.A.W. Vermeulen en J.F.M. Pols en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 maart 2016.

griffier rolraadsheer