Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:73

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
200 164 971_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 14 januari 2016

Zaaknummer: 200.164.971/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/280290 / FA RK 14-3305

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.P. de Man,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.A.J.A. Luijten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2013, de onderhoudsbijdrage ten laste van de man, te betalen aan de vrouw/kinderalimentatie voor de hierna nader te noemen [minderjarige] , met ingang van 18 juni 2014 op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht en met bepaling dat het bedrag van de achterstand over de periode 1 juni 2013 tot 31 december 2013 door de man niet behoeft te worden voldaan.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 april 2015, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grief van de man als ongegrond te verwerpen, de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man primair in de werkelijke proceskosten en nakosten, subsidiair in de door het hof te begroten proceskosten en nakosten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2015.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. De Man;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Luijten.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 november 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 26 november 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 26 november 2015.

De brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 30 november 2015 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat de bij de brief gevoegde bijlage voor de advocaat van de man niet eerder beschikbaar was en bovendien kort en eenvoudig te doorgronden is, heeft het hof beslist dat deze wordt toegelaten.

Het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 26 november 2015 is ingekomen op 4 december 2015, derhalve buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de bijgevoegde toelichting. Gelet op de twee conclusie regel heeft het hof beslist dat deze niet wordt toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

De man heeft [minderjarige] erkend.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

Bij beschikking van 5 december 2013, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank Oost-Brabant – uitvoerbaar bij voorraad – voor zover thans van belang, conform het door beide partijen op 31 januari 2013 ondertekend ouderschapsplan bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen een bedrag van € 165,- per maand met ingang van 1 januari 2013.

De bijdrage voor [minderjarige] beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 167,82 per maand.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man de bijdrage voor [minderjarige] aldus te wijzigen dat deze bijdrage met ingang van (naar het hof begrijpt) de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 19 juni 204, wordt bepaald op nihil met bepaling dat het bedrag van de alimentatieachterstand over de periode 1 juni 2013 tot 31 december 2013 door hem niet behoeft te worden voldaan, afgewezen.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man niet althans onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van een verandering van omstandigheden sedert 31 januari 2013.

De man voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat de wijzigingen van omstandigheden daarin bestaan dat hij een franchiseovereenkomst is aangegaan, verschillende schulden had en naar [woonplaats] is verhuisd, welke verhuizing hoge reiskosten in het kader van de omgangsregeling met zich brengt. De daarop volgende - op initiatief van de vrouw - gewijzigde zorgregeling maakte daarnaast een dure aanpassing van de website noodzakelijk, aldus de man.

3.5.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt dat de man ook in hoger beroep de gronden waarop zijn verzoek berust niet vermeldt. Ter zitting stelt zij zich bovendien op het standpunt dat partijen indertijd bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

3.6.

Het hof overweegt - vooreerst met betrekking tot laatstgenoemde stelling van de vrouw - als volgt.

3.6.1.

Het hof is van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen bij het vaststellen van de onderhoudsbijdrage bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Niet alleen is hierover in de tekst van het ouderschapsplan niets opgenomen, maar voorts is ter zitting - door de verklaringen van partijen dat zij zich bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage hebben gericht op de behoefte van [minderjarige] enerzijds en de verwachting dat de man de vastgestelde bijdrage ook zou kunnen betalen anderzijds - ook gebleken dat partijen wel rekening hebben gehouden dan wel hebben willen houden met de in artikel 1:397 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde wettelijke maatstaven, te weten de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Het enkele feit dat geen draagkrachtberekening aan de vaststelling van de onderhoudsbijdrage ten grondslag heeft gelegen, betekent niet dat bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken.

Het hof overweegt voorts als volgt.

3.6.2.

Op grond van artikel 359 juncto artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek te bevatten, alsmede de gronden waarop het berust. Naar het oordeel van het hof voldoet het appelschrift van de man niet aan de vereisten van voormelde artikelen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting concludeert het hof evenwel dat het verzoek van de man met betrekking tot de wijziging van de onderhoudsbijdrage beoordeeld dient te worden op basis van artikel 1:401 lid 1 BW, ingevolge welk artikellid een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.6.3.

Of in de onderhavige zaak sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW laat het hof in het midden, nu, zo het hof vaststelt, de man het hof niet in staat heeft gesteld te beoordelen of de man niet (langer) de draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie te (blijven) voldoen. De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De man heeft weliswaar de jaarrapporten van Future Traffic van de jaren 2012 en 2014 overgelegd, doch hij heeft niet de aangiften inkomstenbelasting (IB) met bijbehorende aanslagen over de jaren 2013 en 2014 in het geding gebracht, hetgeen wel van hem verwacht had mogen worden. Evenmin heeft de man een afdoende verklaring gegeven voor c.q. inzicht gegeven in de uit de overgelegde stukken blijkende stortingen uit privémiddelen, hetgeen, mede gelet op het daartegen gericht verweer van de vrouw, wel op zijn weg had gelegen. Voorts is onduidelijk gebleven van welke middelen de man, gezien zijn beweerde penibele financiële situatie in de afgelopen jaren, heeft geleefd. Dat hij leeft van het inkomen van zijn vriendin waarvan maandelijks na aftrek van de hypotheek ongeveer € 800,- resteert, zoals door de man gesteld, acht het hof, mede gelet op het door de man gestelde uitgavenpatroon ten behoeve van [minderjarige] (kleding, schoenen, reiskosten ad € 500,- per maand) niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande is het hof niet in staat om de financiële positie van de man in voldoende mate te beoordelen, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank in zoverre bekrachtigen.

Proceskosten

3.7.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten. Zij voert daartoe - kort gezegd - aan dat de man, net als in eerdere procedures, zijn verzoek niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd en al doende de vrouw nodeloos in procedures betrekt en op kosten jaagt.

3.7.1.

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke lijn om in soortgelijke zaken de proceskosten te compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2014;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2016.