Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:705

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
200 179 229_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht (nieuw); WWZ ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever; artikel 7:669 lid 3 sub g; ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0207
AR 2016/571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 25 februari 2016

Zaaknummer : 200.179.229/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4358347 / AZ VERZ 15-257

in de zaak in hoger beroep van:

Waterfront B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Waterfront,

advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.H.M. van den Broek te Weert,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2015;

  • -

    een brief van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 november 2015, waarin het hof wordt bericht dat geen proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg opgemaakt is;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 december 2015;

  • -

    een brief van Waterfront met producties, ingekomen ter griffie op 8 januari 2016;

  • -

    de op 15 januari 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- namens Waterfront de heer [vestigingsmanager] , vestigingsmanager, en de heer [directeur] , directeur, bijgestaan door mr. Aben;

- [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Van den Broek.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] is met ingang van 27 januari 2003 in dienst bij Waterfront, laatstelijk als vrachtwagenchauffeur.

  2. [geïntimeerde] is in of omstreeks het jaar 2012 een relatie met een collega, mevrouw [relatie] , aangegaan, die op dat moment de partner was van een andere collega, de heer [andere collega] . Mevrouw [relatie] heeft per 31 juli 2013 ontslag genomen bij Waterfront.

  3. [geïntimeerde] heeft zich op 23 juli 2013 ziek gemeld, heeft meerdere knieoperaties ondergaan en is met ingang van 21 juli 2015 geheel hersteld verklaard.

  4. Waterfront en [geïntimeerde] zijn in december 2013 met elkaar in gesprek gegaan over de arbeidsverhouding en zijn in februari 2014 een mediation-traject gestart, zonder resultaat.

3.2.1.

In de onderhavige procedure verzoekt Waterfront om de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.

3.2.2.

Aan dit verzoek heeft Waterfront kort gezegd ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding tussen partijen en tussen [geïntimeerde] en een aantal collega’s als gevolg van een aantal gedragingen van [geïntimeerde] zodanig is verstoord, dat van Waterfront niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Indien toch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt overgegaan, verzoekt [geïntimeerde] om hem een transitievergoeding toe te kennen en een billijke vergoeding, omdat – kort gezegd – Waterfront van meet af aan heeft ingezet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst en niet heeft willen komen tot een oplossing van de geschillen en zich daarmee ernstig verwijtbaar heeft gedragen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de redelijke grond waar Waterfront zich op beroept niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan, dat sprake is van een niet voldragen grond en dat voor zover sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding deze voor het overgrote deel te wijten is aan Waterfront. Voorts blijkt, aldus de kantonrechter, uit het procesdossier en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat Waterfront zich weinig moeite heeft getroost om het tij te keren. Waterfront heeft min of meer van meet af aan aangestuurd op de beëindiging van de arbeidsrelatie met [geïntimeerde] zonder daarbij andere opties te onderzoeken.

3.4.

Waterfront is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Alle grieven richten zich tegen overwegingen die de kantonrechter ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat niet is gebleken van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Waterfront in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5.

In dit geschil staat de vraag centraal of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd deze arbeidsverhouding te laten voortduren.

3.6.

Deze in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW vermelde redelijke grond voor opzegging is ontleend aan het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt onder meer dat geen wijziging werd beoogd ten opzichte van hetgeen in dat Ontslagbesluit en de daarop toentertijd gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV was geregeld (zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 98-101).

Het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit bepaalde ten aanzien van deze grond dat de werkgever aannemelijk diende te maken dat sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, 3, p.43-46 en p. 98) is hierover nog het volgende opgemerkt:

“In het Ontslagbesluit gelden als criteria voor het verlenen van toestemming voor ontslag dat de verstoring ernstig en duurzaam moet zijn. Beide criteria gelden in beginsel nog steeds en komen tot uitdrukking in de formulering <zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren>. In beginsel, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.”

Het hof merkt op dat deze laatste nuancering ook al was opgenomen in paragraaf 4c van hoofdstuk 27 van de Beleidsregels Ontslagtaak UWV.

3.7.

Bij de beoordeling van de vraag of Waterfront aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding acht het hof de volgende omstandigheden van belang:

a. verhouding tussen [geïntimeerde] en andere collega’s
Nadat Waterfront [relatie] en [geïntimeerde] had aangesproken op hun relatie, heeft [relatie] ontslag genomen. Naar [geïntimeerde] ter terechtzitting van het hof onweersproken heeft verklaard, is de verhouding tussen hem en zijn collega en [relatie] ex-partner [andere collega] inmiddels genormaliseerd. Er is niet gebleken dat de verhouding tussen [geïntimeerde] en [andere collega] zodanig gespannen is dat moet worden aangenomen dat dientengevolge sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen [geïntimeerde] en Waterfront. Dat [andere collega] onaangenaam geraakt is door de verslaggeving in de lokale media over de gerechtelijke procedures die partijen met elkaar in eerste aanleg voerden en dat hij als gevolg daarvan een dag verlof heeft opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel.
De vrees voor terugkerende onrust tussen de collega’s op de werkvloer acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat inmiddels enkele jaren zijn verstreken sinds de verhouding bekend werd, dat inmiddels ook sprake is van een bestendige relatie tussen [geïntimeerde] en [relatie] en dat de door Waterfront overgelegde twee anonieme verklaringen enkel zien op algemene gedragskenmerken van [geïntimeerde] , waaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Voorts ligt het mede op de weg van Waterfront om op dat punt eventueel passende maatregelen ter verbetering van de communicatie te nemen. Daarvan is tot op heden niet gebleken.
b. verhouding tussen [geïntimeerde] en diens leidinggevenden:
Waterfront heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] laatdunkende en gezagsondermijnende uitlatingen heeft gedaan. Hoewel [geïntimeerde] kort na het gesprek in mei 2013 mogelijk enkele malen laatdunkend heeft gesproken over [vestigingsmanager] en [directeur] , acht het hof die destijds mogelijk gedane uitlatingen onvoldoende om aan te nemen dat thans sprake is van een zodanig verstoorde verhouding dat van Waterfront in redelijkheid voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet gevergd kan worden. Door Waterfront is te weinig gesteld over die uitlatingen om de ernst ervan te kunnen beoordelen.

Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] aan zijn bewindvoerder in de schuldsanering onjuiste informatie heeft verstrekt over de hervatting van zijn werkzaamheden is daartoe onvoldoende. De bewindvoerder is naar aanleiding van die kwestie meermalen in contact getreden met [vestigingsmanager] en [vestigingsmanager] is door de bewindvoerder opgeroepen om als getuige op te treden, zodat in die zin de kwestie tussen [geïntimeerde] en de bewindvoerder gevolgen heeft gehad voor Waterfront en voor [vestigingsmanager] in het bijzonder. Die gevolgen zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de arbeidsverhouding tussen Waterfront en [geïntimeerde] zodanig is verstoord dat van Waterfront niet gevergd kan worden die te laten voortduren. Vaststaat dat [vestigingsmanager] uiteindelijk niet als getuige heeft hoeven verklaren. Dat [vestigingsmanager] , zoals Waterfront stelt, in de kwestie met de bewindvoerder door [geïntimeerde] voor leugenaar is uitgemaakt, is verder niet met feiten gestaafd.

Dat partijen tijdens de ziekte van [geïntimeerde] een mediation-traject zijn gestart met als doel beëindiging van de arbeidsovereenkomst, acht het hof evenmin doorslaggevend. Weliswaar kan uit de houding van [geïntimeerde] bij de start van die mediation geconcludeerd worden dat ook hij destijds vond dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, maar dat neemt niet weg dat nu, nadat weer geruime tijd is verstreken en [geïntimeerde] weer arbeidsgeschikt is, moet worden bezien of nog steeds sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

3.8.

Met betrekking tot het laatste punt merkt het hof nog het volgende op. Partijen zijn in december 2013 een keer in gesprek gegaan om de verslechterde arbeidsverhouding te verbeteren en zij zijn in 2014 op aangeven van [geïntimeerde] een mediation-traject gestart. Uit hetgeen beide partijen daarover ter terechtzitting van het hof hebben verklaard, maakt het hof op dat het overleg van partijen al vrij [directeur] in een impasse is geraakt en als doel heeft gekregen het beëindigen van het dienstverband. Na zijn gelukte knieoperatie heeft [geïntimeerde] vervolgens dat doel niet meer nagestreefd en is dit traject stil komen te liggen. Naar het oordeel van het hof had het vervolgens op de weg van Waterfront als werkgever gelegen om te bezien of de persoonlijke verhoudingen tussen [geïntimeerde] en zijn leidinggevenden zodanig verbeterd konden worden dat [geïntimeerde] na re-integratie zou kunnen terugkeren in zijn functie. Dat Waterfront serieuze pogingen tot herstel van die persoonlijke verhoudingen heeft ondernomen is niet gebleken.

3.9.

Gelet op het voorgaande, ook indien alle omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, is het hof van oordeel dat Waterfront niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van Waterfront niet langer in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het dienstverband met [geïntimeerde] voortzet.

3.10.

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

3.11.

Het hof zal Waterfront als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 311,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten in tariefgroep II).

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de besteden beschikking;

veroordeelt Waterfront in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,00 aan griffierecht en op € 1.788,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M. Cremers, M.J.H.A. Venner-Lijten en

P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.