Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:704

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
20-001574-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8970, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Slachtoffer wordt in een steegje/brandgang doodgestoken met broodmes. Moord of doodslag? Rechtbank achtte verdachte volledig toerekeningsvatbaar en veroordeelde hem voor moord tot 30 jaren gevangenisstraf. Hof oordeelt dat sprake is van doodslag en dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en legt hem een gevangenisstraf van 12 jaren en de maatregel van tbs met bevel tot verpleging op. Uiteenlopende adviezen van gedragsdeskundigen. Verdachte is 20 jaar eerder veroordeeld ter zake van gekwalificeerde doodslag tot gevangenisstraf van 7 jaren en terbeschikkingstelling met bevel verpleging van overheidswege; deze terbeschikkingstelling was al afgelopen toen onderhavig delict werd begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2016, afl. 3, p. 126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-001574-13

Uitspraak: 29 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 29 april 2013 in de strafzaak met het parketnummer 02-810769-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Vught PPC te Vught.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk

en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De rechtbank heeft

de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van

30 (dertig) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank een busje traangas en een gasdrukwapen onttrokken aan het verkeer.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger

beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank

zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf. In de plaats daarvan heeft

de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur

van 15 (vijftien) jaren alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging zal worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) zal vrijspreken; door de verdediging is geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag).

De raadsman van de verdachte heeft voorts bepleit dat het hof de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde ontoerekeningsvatbaar en daarmede niet strafbaar zal achten en hem bijgevolg zal ontslaan van alle rechtsvervolging, met oplegging aan de verdachte van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hof, in de plaats van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, een gevangenisstraf van zeven jaren zal opleggen in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Vonnis waarvan beroep

Voormeld vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 25 februari 2012 te Oosterhout tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in/op het hoofd en/of in de hals en/of de armen en/of de handen en/of de (rechter)schouder en/of rug, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 25 februari 2012 te Oosterhout opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het hoofd en de hals en de (rechter)schouder van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Daderschap

De verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaringen afgelegd waaruit volgt dat hij [slachtoffer] op 25 februari 2012 in Oosterhout opzettelijk met een mes meerdere keren en op diverse plaatsen in het lichaam heeft gestoken.

Voorbedachte raad

De advocaat-generaal is van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. De advocaat-generaal acht daarom, evenals de rechtbank, bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd..

Van de zijde van de verdachte is betoogd dat de voorbedachte raad niet bewezen kan worden, zodat de verdachte in zoverre van het ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. In de visie van de verdediging kan niet uitgesloten worden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Volgens de verdediging kan de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wel bewezen worden.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad (en dus moord) moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het

besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vast staat dat de verdachte, toen hij met het slachtoffer zijn, verdachtes, woning verliet om het slachtoffer naar huis te brengen, een (brood)mes bij zich droeg in de binnenzak van zijn jas en over de reden daarvoor verschillende wisselende verklaringen heeft afgelegd. De combinatie van het meenemen van een mes met het feit dat verdachte het slachtoffer voorafgaande aan de steekpartij een steegje heeft ingelokt, lijkt te wijzen op een vooraf beraamd plan om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Daartegen pleit echter dat verdachte bevriend was met [slachtoffer] en niet is komen vast te staan dat verdachte met laatstgenoemde zodanige meningsverschillen had dat hij deze zou willen ombrengen. Ook overigens heeft het hof in het dossier geen aanwijzingen aangetroffen voor het bestaan van een motief, op grond waarvan de verdachte het plan opgevat zou hebben het slachtoffer te doden. De (enkele) omstandigheid dat de verdachte een broodmes bij zich had, wijst niet noodzakelijk op een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voorts heeft verdachte, nadat hij het slachtoffer met het mes had gestoken, zelf het alarmnummer 112 gebeld, waarbij verdachte - zoals blijkt uit de woordelijke weergave van dat gesprek - dringend om hulp heeft gevraagd voor een zwaar gewonde man. Dit gegeven past eerder bij een gedraging die plaatsvond op basis van een plotselinge gemoedsopwelling dan bij de uitvoering van een planmatig handelen dat juist de dood van het slachtoffer ten doel had.

Aldus bestaat bij het hof gerede twijfel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, waardoor het hof komt tot een vrijspraak van de ten laste legde moord.

Medeplegen

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet bewezen dat de verdachte samen met een ander [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het in de tenlastelegging bedoelde onderdeel ‘medeplegen’.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Hoewel de aanvankelijk door de verdachte tegenover de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen aanwijzingen opleveren dat de verdachte samen met zijn bovenbuurman [medeverdachte] het ten laste gelegde zou hebben begaan, komt het hof niet tot het bewijs van ‘medeplegen’. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte in nadien afgelegde verklaringen, waaronder de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, de betrokkenheid van [medeverdachte] stellig heeft ontkend, dat ook [medeverdachte] zelf heeft betwist een aandeel te hebben gehad in het overlijden van het slachtoffer en dat er geen (forensisch technisch) bewijs is - zoals bloed van het slachtoffer op kleding of schoenen dat wel is aangetroffen bij de verdachte - voor de betrokkenheid van [medeverdachte] bij het ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van:

  1. het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 8 november 2012, ondertekend door R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, en M.J. van Haaren, psychiater;

  2. de Pro Justitia-rapportage d.d. 11 november 2014, ondertekend door J.L.M. Dinjens, psychiater;

  3. de Pro Justitia-rapportage d.d. 12 november 2014 van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog;

Opmerking verdient dat de verdachte bij vonnis van 25 mei 1993 (Rechtbank Haarlem) ter zake van gekwalificeerde doodslag is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, en dat in het kader van die strafzaak door het Pieter Baan Centrum (psycholoog R.H.L.M. Bleekemolen en psychiater E.A. Noorlander) over verdachte een rapport is uitgebracht d.d. 28 april 1993.

De deskundigen Van Helvoirt en Van Haaren van het Pieter Baan Centrum hebben, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte. De onderzoeksbevindingen, de conclusies en de beantwoording van de vraagstelling zijn opgenomen in het rapport d.d. 8 november 2012, dat onder de titel ‘Forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling’, het volgende inhoudt:

Er is bij betrokkene sprake van een persoonlijkheidsstoornis en een afhankelijkheid van zowel alcohol als benzodiazepinen (nu in gedwongen remissie). Voorts is er

bij hem sprake van misbruik van opioïden.

Er kan bij betrokkene gesproken worden van een zeer zwakke persoonlijkheids-structuur in de vorm van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis met

passief-agressieve trekken.

Het huidige onderzoek - waaronder neuropsychologisch onderzoek - toont geen aanwijzingen voor een separate impulscontrolestoornis of agressieregulatie-stoornis.

De bevindingen in het PBC-rapport uit 1993 verschillen met die in het huidige onderzoek. Met name de destijds beschreven agressieproblematiek wordt thans niet gezien. Inmiddels is betrokkene twintig jaar ouder en heeft hij een langdurige tbs-behandeling ondergaan. Het behandelverloop binnen De Kijvelanden laat geen concrete aanwijzingen zien voor een stoornis in de agressieregulatie. Eerder laat de tbs-behandeling het tegenovergestelde zien, te weten een langdurige periode zonder agressief acting out-gedrag, waarbij de afhankelijke kant van betrokkene prominent op de voorgrond stond en hij intensief ondersteund moest worden in het zelfstandig worden en actief moest worden aangezet tot het ventileren van zijn mening.

Het is duidelijk dat er bij betrokkene sprake is van langer bestaande problematiek, waarbij er met name op basis van het huisartsdossier een duidelijke achteruitgang in functioneren wordt gezien in de laatste twee maanden voor het ten laste gelegde. Nadat betrokkene jarenlang in een beschermde setting heeft gewoond, is betrokkene in 2011 voor het eerst zelfstandig gaan leven. Waarschijnlijk is betrokkene hierbij tegen zijn zwakheden en onvermogens aangelopen, wat het afglijden in psychische zin gegeven zijn pathologie kan verklaren. Betrokkene zocht vervolgens hulp bij zijn huisarts en behandelaars van de GGZ, die hij vervolgens direct weer afstootte.

Echter, hoewel betrokkene in de maanden voor het ten laste gelegde - waarschijnlijk als gevolg van het feit dat betrokkene voor het eerst sinds lange tijd zelfstandig moest gaan functioneren - in psychische zin ontregelde, zijn er vanuit gedrags-kundig oogpunt geen aanwijzingen dat een dergelijke ontregeling zich bij betrokkene vanuit zijn problematiek vertaalt in impulsief acting out-gedrag. Eerder is het passend bij betrokkenes problematiek dat hij vervalt in somberheid, inactiviteit en toenemend alcohol- en medicatiegebruik, zoals ook beschreven wordt in de collaterale informatie.

Op basis van de huidige onderzoeksbevindingen kan, als gezegd, bij betrokkene niet

worden gesproken van een zelfstandige agressieregulatiestoornis. Daarmee valt de

agressieve component van het ten laste gelegde, indien bewezen, niet goed vanuit de bij betrokkene beschreven pathologie te verklaren. (…) Hoewel de aard van betrokkenes pathologie hem in zekere mate juist behoedt voor agressieve confrontaties, zijn wellicht delictscenario’s denkbaar waarin zijn middelengebruik, zijn beperkte cognitieve vermogens (verlies van overzicht), dan wel zijn afhankelijkheid van (c.q. beïnvloedbaarheid door) anderen meet indirect een rot hebben gespeeld. In hoeverre, op welke wijze en in welke mate dit eventueel in de aanloop tot het ten laste gelegde het geval is geweest, kan echter op basis van het strafdossier niet worden geobjectiveerd.

Hoewel er een opvallende overeenkomst is tussen het huidige ten taste gelegde feit

(indien bewezen) en het eerder gepleegde delict (moord) uit 1993, kan ook op basis

daarvan - bij gebrek aan concrete informatie over de toedracht van het thans ten laste gelegde feit, maar ook vanwege de afwijkende bevindingen ten aanzien van de agressieregulatie bij het huidige onderzoek - geen concrete doorwerking van betrokkenes pathologie in het ten laste gelegde worden onderbouwd.

De deskundigen Van Helvoirt en Van Haaren van het Pieter Baan Centrum adviseren

op grond van het bovenstaande de verdachte voor het ten laste gelegde volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De deskundigen Dinjens en van Toorn achten daarentegen wel een doorwerking aanwezig van de ook door hen bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en het bewezenverklaarde delict. Beiden achten verdachte daarvoor verminderd toerekeningsvatbaar.

De deskundige Dinjens komt onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies:

Er is bij betrokkene sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, vermijdende, theatrale en antisociale kenmerken en zwakbegaafdheid. Er is daarnaast sprake van alcoholafhankelijkheid, afhankelijkheid van sedativa en misbruik van verschillende middelen. Tenslotte is er een psychotische stoornis door middelen geïnduceerd, met een cycloïde en recidiverend beloop.

Alle bovengenoemde stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Het bestaan van een actueel psychotisch toestandsbeeld in aanloop naar en ten tijde van het ten laste gelegde kan niet met zekerheid worden gesteld maar is zeker niet onwaarschijnlijk.

De ziekelijke en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat dit mede daaruit verklaard kan worden. Betrokkene heeft weliswaar mogelijk gehandeld vanuit een psychotisch toestandsbeeld, waarin hij de reikwijdte van zijn gedragingen niet meer kon overzien en sturen. Dit is echter niet met zekerheid vast te stellen. De al dan niet aanwezige psychose werd bovendien veroorzaakt door het gebruik van diverse psychotrope middelen, waaronder alcohol, sedativa, opiaten en volgens de verklaringen van betrokkene LSD. Het is betrokkene echter bekend dat middelengebruik op hem een ontremmende en psychose-inducerende invloed kan hebben. Zijn verslavingsziekte vrijwaart hem niet van alle verantwoordelijkheid hieromtrent. Ook wanneer er geen sprake geweest zou zijn van een psychose, is de problematiek van betrokkene ernstig en massaal aanwezig. De zeer kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, in combinatie met zijn verslavingsproblematiek, psychosegevoeligheid en sluimerende agressiepotentieel hebben een elkaar versterkende werking. Ook in dat geval is er een duidelijke doorwerking van de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling.

Deskundige Van Toorn komt onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat uit een zwakbegaafd niveau van intellectueel functioneren en een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische, antisociale en vermijdende kenmerken. De ziekelijke stoornis der geestvermogens bestaat [uit] alcohol-afhankelijkheid, misbruik van verschillende middelen (LSD/cocaïne/morfine) en hypochondrie. Mogelijk is er daarnaast ook sprake van een psychotische stoornis door een middel (mogelijk een psychotische stoornis NAO).

Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde.

De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste

gelegde zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden.

Betrokkene zegt geen herinneringen te hebben aan het ten laste gelegde. Hierdoor is de relatie tussen denken, voelen en handelen in de momenten voorafgaand aan het ten laste gelegde en ten tijde van het ten laste gelegde niet geheel duidelijk geworden. Zowel uit de gesprekken met betrokkene als uit het dossier wordt duidelijk dat betrokkene in de weken voorafgaand aan het ten laste gelegde in toenemende mate ontspoord en gedecompenseerd is. Hierdoor verslechterde zijn psychische conditie, nam de psychotische kwetsbaarheid steeds verder toe

en raakte betrokkene steeds verder uit zijn psychisch evenwicht. Het is passend bij zijn problematiek (nauwelijks ontwikkelde copingmechanismen / verslavings-gevoeligheid / beperkt probleemoplossend vermogen a.g.v. de cognitieve beperking) dat hierdoor de drang om middelen te gaan gebruiken steeds verder opliep, in een poging om zijn emoties te dempen. De dag van het ten laste gelegde gebruikte betrokkene LSD naast grote hoeveelheden alcohol in combinatie met morfine. Uiteindelijk heeft deze combinatie van factoren geleid tot een geestestoestand, waarbij betrokkene overgegaan is tot het ten laste gelegde. Het is aannemelijk

dat er daarbij sprake geweest is van kortdurende psychotische overschrijdingen en/of een agressieve impulsdoorbraak als gevolg van verminderde innerlijke controle. Mogelijk dat het slachtoffer onderweg naar huis iets tegen betrokkene gezegd heeft dat hem gekrenkt heeft. Betrokkene lijkt in ieder geval de sturing over zijn gevoelens verloren te zijn en vervolgens overgegaan te zijn tot het ten laste gelegde.

Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid heeft rapporteur meegewogen dat zowel factoren uit de ziekelijke stoornis als uit de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens een rol gespeeld hebben. Het gaat dan met name om de verslavingsziekte, in combinatie met narcistische persoonlijkheids-trekken. Het is bovendien aannemelijk dat het contact met de realiteit in meer of mindere mate verstoord was en betrokkene de controle en sturing over zijn gedrag verloren is. Daar staat tegenover dat betrokkene mede in deze situatie verzeild geraakt is omdat hij een mes op zak had. (…) Hij heeft daarbij het rationele besef van de risico’s die een dergelijke handeling met zich meebracht naast zich neergelegd.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich, in navolging van de adviezen van de deskundigen Dinjens en Van Toorn, op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, zodat de verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde.

Standpunt raadsman

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar is te achten zodat hij van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden. Hiertoe is aangevoerd dat dat het bewezen verklaarde aan de verdachte niet kan worden toegerekend vanwege een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Immers, de verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde ernstig verslaafd aan alcohol en hij was feitelijk hiervan al vele jaren afhankelijk. Een belangrijk kenmerk van verslaving of afhankelijkheid is dat de keuzevrijheid van de gebruiker om middelen te gebruiken beperkter is dan bij een ‘gezonde’ gebruiker. De vraag die voorligt is of de verdachte verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn verslavingsgedrag dat hij vertoonde op het moment dat hij de combinatie van middelen gebruikte op 25 februari 2012. Daarbij gaat het erom of de verdachte daadwerkelijk controle had over zijn alcohol-, drugs- en medicijn-gebruik, of dat hij op zijn minst besefte welk effect dit op hem had of zou kunnen hebben.

Vooropgesteld wordt dat het moment waarop de verslavingsproblematiek begonnen is vér vóór 25 februari 2012 ligt. Het is de vraag of de verdachte op dat moment al had moeten erkennen dat er een mogelijkheid bestond dat hij op enig moment in zijn latere leven een psychose zou kunnen krijgen als gevolg van zijn middelengebruik en dat hij in die toestand iemand van het leven zou kunnen beroven. Volgens de raadsman was die mogelijkheid redelijkerwijs niet te voorzien, zodat de conclusie moet zijn dat, nu de verdachte vanwege zijn verslavingsproblematiek geen controle had over zijn drank- en drugsgebruik, er geen sprake kan zijn van culpa in causa, die in de weg zou kunnen staan aan het ontoerekenings-vatbaar beschouwen van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de deskundigen Van Helvoirt en Van Haaren van het Pieter Baan Centrum, maar met de deskundigen Dinjens en Van Toorn, acht het hof aannemelijk dat er een evidente relatie bestaat tussen de door alle rapporteurs vastgestelde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte en het bewezen verklaarde. Niet alleen omdat deze deskundigen, anders dan de deskundigen van het PBC, het gepleegde delict hebben betrokken bij de totstandkoming van hun bevindingen, hetgeen het hof van groot belang acht, maar ook omdat hun bevindingen aansluiten aan bij die van het PBC naar aanleiding van een door verdachte in 1992 gepleegd soortgelijk levensdelict (doodslag door middel van messteken), alsmede bij de waarnemingen van de huisarts van verdachte in de dagen voor het ten laste gelegde.

Zo houdt het door het PBC opgemaakte rapport d.d. 28 april 1993 als conclusie van de deskundigen R.H.L.M. Bleekemolen, psycholoog, en E.A. Noorlander, psychiater, het volgende in:

‘Betrokkene lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, die het voor hem niet mogelijk maakt volwassen verantwoordelijkheden te dragen. Wordt er te veel druk op hem uitgeoefend dan decompenseert hij zelfs in tijdelijke zin. Deze persoonlijkheidsstructuur maakt dat betrokkene faalt op alle fronten waar een volwassene niet hoort te falen: de rollen van huwelijkspartner, vader, werknemer etc. kunnen alle niet door hem vervuld worden. Gaandeweg wordt betrokkene dan door relevante anderen om hem heen alleen gelaten; iets wat hij al helemaal niet kan hanteren en wat tot verdere escalatie zal leiden. Uiteindelijk kan dit dan tot onverwachte ontladingen leiden, zoals in het geval van het onderhavige delict.

Betrokkene’s basale persoonlijkheidsstoornis is nog in onverminderde mate aanwezig. Betrokkene staat dan ook zeer onmachtig en angstig in het leven . Gevreesd dient dan ook te worden dat, indien betrokkene opnieuw op zichzelf teruggeworpen zou worden, hij wederom zal komen tot het plegen van delicten die voor derden gevaar kunnen opleveren.’

Door de deskundige Van Toorn is over de verdachte het volgende gerapporteerd1:

Bij betrokkene is sprake van gelaagde problematiek, waarbij psychiatrische stoornis, cognitieve beperkingen en persoonlijkheidsdynamiek elkaar wederzijds in negatieve zin beïnvloeden en versterken. Zo presenteert betrokkene zich als een afhankelijke, vriendelijke, sociale en aardige man. Op deze wijze tracht hij de steun en zorg te verkrijgen die hij, door zijn beperkte zelfredzaamheid, nodig heeft. Achter deze façade verbergt hij gevoelens van frustratie, machteloosheid en woede. Woede over het gebrek aan aandacht (de aandachtsbehoefte is immers onverzadigbaar), maar mogelijk ook woede om begrenzing die altijd ervaren wordt als een afwijzing. Zeker ook (onbewuste) machteloosheid en woede over de middelenafhankelijkheid, waaraan betrokkene geen weerstand kan bieden, maar waarmee hij de afkeuring van anderen over zich afroept, terwijl hij goedkeuring en steun nodig heeft om zich te kunnen handhaven. Betrokkene heeft nauwelijks contact met zijn emoties, omdat hij, door zijn sterke gerichtheid op anderen en zijn cognitieve beperking, nooit geleerd heeft om met eigen intrapsychische processen om te gaan. Hierdoor kunnen negatieve gevoelens, zoals woede en angst, onverwacht doorbreken en hem overspoelen.’

Aan de hand van deze bevindingen concludeert de deskundige Van Toorn vervolgens2:

‘In het geval van betrokkene is het aannemelijk dat zijn verhuizing naar een zelfstandige woning de decompensatie, die uiteindelijk geleid heeft tot het ten laste gelegde, in gang heeft gezet. Als betrokkene halverwege 2013 [het hof leest: 2011]

verhuist naar een zelfstandige woning vallen de structuur, verzorging en aandacht die hij zo sterk nodig heeft, weg. Het is aannemelijk dat hij door de daaruit voortvloeiende spanningen al enigszins uit zijn evenwicht geraakt is en meer is gaan drinken. Korte tijd later wordt betrokkene opgenomen in het ziekenhuis in verband met een klaplong. Hij wordt hier nog angstiger van en de spanningen lopen op. Er wordt dan ook een toename van hypochondrische klachten en claimend gedrag gezien, het psychisch evenwicht raakt in toenemende mate verstoord, het misbruik van alcohol en de zucht naar dempende medicatie (benzodiazepines) nemen steeds verder toe. In verband met chronische rugpijnen krijgt hij morfine voorgeschreven maar de combinatie van benzodiazepines, morfine en grote hoeveelheden alcohol leiden tot een verhoogde hartslag, waardoor de hypochondrische angsten oplopen. Hierdoor komt betrokkene in een vicieuze cirkel terecht van oplopende spanningen, toenemend alcoholgebruik, medicatie- en morfinegebruik, toenemende somatische klachten, toenemende spanningen enzovoorts. (…) Progressief raakte betrokkene steeds meer uit zijn evenwicht en kwamen overmatige emotionaliteit en stemmingsschommelingen steeds meer op de voorgrond te staan. Betrokkene kreeg gedachten aan suïcide en maakte een (theatrale) suïcidale geste. Hij werd steeds onrustiger, sprak over psychotische klachten en er zijn enige aanwijzingen voor druk/maniform gedrag. Betrokkene begon te praten over “mensen vermoorden”. (…)

In de dagen voorafgaande aan het ten laste gelegde nam niet alleen het alcoholgebruik toe, maar gebruikte betrokkene ook steeds grotere hoeveelheden morfine. Hierdoor kwam het psychisch evenwicht steeds meer onder druk te staan en nam de kwetsbaarheid voor psychotische overschrijdingen toe. Er zijn ook aanwijzingen voor een verlaagde frustratietolerantie. Als de huisartsenpost hem bijvoorbeeld niet snel genoeg helpt verbreekt hij eenzijdig de verbinding en in het weekend voorafgaand aan het ten laste gelegde zou hij ‘door het lint’ zijn gegaan. Hij tracht nog een opname af te dwingen en zegt het gevoel te hebben dat het niet goed ging., (…) Een dag later gaat betrokkene over tot het ten laste gelegde.’

Rapporteur Dinjens had telefonisch overleg met de huisarts van verdachte en rapporteert hierover het volgende:

In de periode voorafgaand aan het delict kwam betrokkene vaker in beeld en gaf aan dat het niet goed met hem ging. Tijdens het laatste consult, enkele dagen voorafgaande aan het delict, maakte betrokkene een onberekenbare, labiele en oninschatbare indruk. Referent [hof: voornoemde huisarts] had een unheimisch gevoel en beschrijft hem als een wandelende tijdbom. Naar aanleiding van dit consult heeft hij zijn collega’s geïnformeerd deze patiënt niet meer alleen te zien.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het advies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum om de verdachte voor het bewezen verklaarde volledig toerekeningsvatbaar te achten, niet overnemen. Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de inmiddels door de behandelaars van de verdachte van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught3 gestelde diagnose ‘schizofrenie’ past bij de bevindingen en de conclusie van de deskundige Van Toorn.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen Dinjens en Van Toorn over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Het hof gaat derhalve uit van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het hof komt, overeenkomstig het advies van de deskundigen Dinjens en Van Toorn en anders dan door de raadsman bepleit, niet tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Verdachte was er immers mee bekend dat middelengebruik op hem een ontremmende en psychose-inducerende invloed kan hebben. Uit zijn gedrag in de dagen voorafgaande aan het delict, zoals beschreven door de huisarts, blijkt dat verdachte zelf onderkende dat het niet goed met hem ging. In de uren voorafgaand aan het delict heeft hij LSD gebruikt en in ruime mate alcohol (bier) gedronken. Hij is in laatste instantie zelf verantwoordelijk voor het ontstaan en continueren van zijn verslavingsgedrag. Er kan hem dus een schuldverwijt worden gemaakt, ook al is het delict hem in verminderde mate toerekenbaar.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en/of maatregel

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op 25 februari 2012 op brute wijze een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] door hem met een mes vele malen in het hoofd en in het lichaam te steken.

Dusdoende heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting is van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven. Bovendien is dit delict een feit dat de rechtsorde ernstig schokt en heeft de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer een intens diep en onherstelbaar leed aangedaan.

Bij de strafbepaling houdt het hof ten bezware van de verdachte voorts rekening met het gegeven dat hij zich reeds eerder, in 1992, aan een levensdelict heeft schuldig gemaakt. Ondanks een langdurige tbs-behandeling daarna heeft hij nu opnieuw een mens gedood.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De omstandigheid dat verdachte thans voor de tweede maal wordt veroordeeld ter zake van een levensdelict is als zodanig een reden om het opleggen van de maximale straf (gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren) in overweging te nemen, zowel uit oogpunt van vergelding als uit oogpunt van bescherming van de maatschappij tegen de verdachte.

Het hof ziet echter in de omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht aanleiding om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Dit acht het hof passend en geboden. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding voor een verdergaande matiging.

Maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd en de verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich hiertegen niet verzet.

Met betrekking tot het al dan niet opleggen van deze maatregel stelt het hof het volgende voorop.

Ingevolge artikel 37a Sr kan een verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, en tegen wie zoals hier doodslag bewezen wordt verklaard, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Ingevolge artikel 37b Sr kan de rechter bevelen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

Het hof heeft kennisgenomen van de verschillende rapporten die over de persoon van de verdachte zijn uitgebracht. Onder het kopje ‘strafbaarheid van verdachte’ heeft het hof reeds de relevante passages aangehaald met betrekking tot bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit bestaande ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens. Hier wordt volstaan met een verwijzing naar die passages.

Met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling houdt het rapport van psychiater Dinjens4 als conclusie en advies voorts het navolgende in:

‘Het recidiverisico wordt zowel klinisch als met behulp van een semigestructureerd risicotaxatie-instrument (HKT-30) ingeschat als hoog. Er is sprake van een ernstige en vroeggestoorde persoonlijkheidsstoornis. Er is een diepgewortelde verslavingsziekte, met alcoholafhankelijkheid, afhankelijkheid van sederende medicatie en misbruik van diverse middelen. Er is sprake van zwakbegaafdheid en een beperkte (intellectuele) coping. Er zijn cycloïde psychoses en psychose-kwetsbaarheid. Betrokkene is affectief en pedagogisch verwaarloosd. Hij heeft nauwelijks scholing genoten. Er waren gedragsproblemen in de jeugd. Hij is niet zelfredzaam en sterk afhankelijk van anderen. De impulscontrole en emotie- en agressieregulatie zijn onderliggend zeer kwetsbaar en kunnen resulteren in agressieve impulsdoorbraken. De gewetensfunctie en de empathische vermogens zijn verminderd. Betrokkene is een chronisch psychiatrisch patiënt. Hij heeft levenslang medicatie en een omgevingsprothese nodig onder intensieve begeleiding en toezicht. Hij is niet in staat dit langdurig zelfstandig te kunnen volhouden.

Er is geen netwerk en zinvolle dagbesteding. Er is een zeer beperkt toekomstperspectief.

Wanneer er volgens de SAPROF wordt gekeken naar eventueel bestaande protectieve factoren, kan worden vastgesteld dat hiervan geen sprake is.

Onderzoeker adviseert Uw rechtscollege tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Dit is het enige mogelijke en haalbare kader om betrokkene in een hoogbeveiligde en zorgintensieve setting te behandelen om het recidiverisico te beteugelen. De behandeling zal zich vooral dienen te richten op blijvende stabilisatie, door middel van het bieden van een omgevingsprothese, begeleiding, abstinentie van middelen en medicatie. Van inzichtgevende behandeling, gericht op “genezing” kan niets worden verwacht. Eerder zal er gedacht dienen te worden aan blijvende stabilisatie en beschutting, mogelijk in een longstay- of longcareafdeling.’

Met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling houdt het rapport van de psycholoog Van Toorn5 als conclusie en advies het navolgende in:

‘Betrokkene is een kwetsbare en zwakbegaafde man die niet zelfredzaam is en veel behoefte heeft aan zorg, structuur, veiligheid en overzicht. Bij spanningen zullen de kwetsbaarheden van betrokkene steeds meer op de voorgrond komen te staan. Hij zal dan uit zijn psychisch evenwicht raken, psychotische overschrijdingen zullen worden gefaciliteerd en de hang en zucht naar drank en drugs zal [zullen] toenemen, in een poging om de spanningen te dempen. Daardoor zullen psychotische overschrijdingen toenemen en zal betrokkene in contact komen met verdrongen en onderdrukte gevoelens van woede en frustratie, waarbij hij de controle over zijn gedrag kan verliezen.

Door het gebrek aan basale voorzieningen zoals structuur, veiligheid, overzicht en controle zullen de spanningen oplopen, en zal de drang om middelen te gaan gebruiken steeds meer toenemen.

Door spanningen in combinatie met het misbruik van middelen zal betrokkene steeds verder uit zijn psychisch evenwicht raken. Hierdoor zal niet alleen de kans op psychotische overschrijdingen toenemen, maar zal hij ook in contact komen met verdrongen en onderdrukte gevoelens van woede en frustratie. Door de ontregeling zullen ook de controlemechanismen verder afnemen en zal de kans op agressieve impulsdoorbraken oplopen, met alle consequenties van dien.

Om de kans op recidive te dempen is het belangrijk dat betrokkene stabiel blijft functioneren en niet ontregelt. Hiertoe is het noodzakelijk dat hij abstinent blijft van middelen, zijn medicatie inneemt en zich bevindt in een begrenzende en hoog gestructureerde omgeving waarbij er overzicht en controle is. Het is de inschatting van rapporteur dat als aan deze voorwaarden wordt voldaan, betrokkene redelijk stabiel zal kunnen functioneren. De kans op recidive zal pas oplopen op het moment dat er te hoge eisen aan betrokkene gesteld zullen worden (bijvoorbeeld in de vorm van zelfstandig leven terwijl hij niet zelfredzaam is), of als hij de aandacht en steun moet missen die hij nodig heeft.

Om de kans op recidive te dempen behoeft betrokkene verblijf op een forensische klinische afdeling waar hij verder kan stabiliseren, abstinent kan blijven van middelen en waar afspraken met hem gemaakt kunnen worden over de toekomst. Aangezien betrokkene reeds geruime tijd in detentie verblijft hoeft deze opname niet erg lang te zijn. Hierna kan betrokkene doorstromen naar een minder restrictieve setting, waarbij er echter wel strikte controle is (en blijft) op naleving van de voorwaarden (bijvoorbeeld in de vorm van urinecontroles) en waar hij de structuur en begrenzing geboden krijgt die hij nodig heeft. Aangezien een gedeelte van de problematiek van betrokkene irreversibel is, schat rapporteur in dat betrokkene voor de rest van zijn leven een dergelijke omgeving behoeft. Om zorgtekort te voorkomen en de kans op recidive te dempen is het aan te bevelen om een forensische verblijfplaats te kiezen en niet uit te wijken naar een woonvorm zoals die gerealiseerd wordt binnen het reguliere circuit.

Een dergelijk traject kan het beste gerealiseerd worden binnen het juridisch kader van de terbeschikkingstelling, zodat niet alleen het verblijf in een kliniek maar ook een zeer langdurig resocialisatietraject met controlemogelijkheden en mogelijkheden tot heropname bij dreigende decompensaties, gewaarborgd zal zijn.’

Het hof volgt de conclusies en het advies van de deskundigen Dinjens en Van Toorn en legt deze mede ten grondslag aan zijn beslissing.

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan: bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een ziekelijk stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Voorts stelt het hof vast, mede gelet op de inhoud van de rapporten die door de deskundigen Dinjens en Van Toorn over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, dat de veiligheid van anderen / de algemene veiligheid van personen niet slechts de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte eist, maar tevens het bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof zal de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.

Met het oog op de mogelijkheden tot verlenging van de duur van de maatregel, als bedoeld in art. 38e lid 1 Sr, overweegt het hof dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof merkt voorts nog het volgende op.

Volgens de deskundige Van Toorn zal de kans op recidive pas oplopen op het moment dat er te hoge eisen aan de verdachte gesteld zullen worden (bijvoorbeeld in de vorm van zelfstandig leven terwijl hij niet zelfredzaam is), of als hij de aandacht en steun moet missen die hij nodig heeft. De deskundige adviseert daarom een verblijf van de verdachte in een setting waarbij er strikte controle is (en blijft) op naleving van de voorwaarden (bijvoorbeeld in de vorm van urinecontroles) en waar hij de structuur en begrenzing geboden krijgt die hij nodig heeft. Aangezien een gedeelte van de problematiek van de verdachte irreversibel is, schat de deskundige Van Toorn in dat de verdachte voor de rest van zijn leven een dergelijke omgeving behoeft. Om zorgtekort te voorkomen en de kans op recidive te dempen is het volgens de deskundige Van Toorn aan te bevelen om een forensische verblijfplaats te kiezen en niet uit te wijken naar een woonvorm zoals die gerealiseerd wordt binnen het reguliere circuit.

Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat uit de rapportage van de deskundige Van Toorn naar voren lijkt te komen dat de verhuizing van de verdachte, halverwege 2011, naar een zelfstandige woning de decompensatie, die uiteindelijk geleid heeft tot het bewezen verklaarde feit, in gang heeft gezet.

Herhaling van deze situatie dient in de visie van het hof in de toekomst voorkomen te worden; derhalve dient ook bij de beëindiging van de maatregel ervoor gewaakt te worden dat de gestructureerde begeleiding die de verdachte vanuit zijn persoonlijkheidsstructuur hard nodig heeft, niet wegvalt.

Ten slotte overweegt het hof dat het, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en mede gelet op de wenselijkheid om de maatschappij langdurig tegen de verdachte te beschermen, geen aanleiding ziet om op de voet van art. 37b lid 2 Sr te adviseren dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op een eerder tijdstip dient aan te vangen dan voortvloeit uit art. 42 lid 1 Penitentiaire maatregel.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof een busje traangas en een gasdrukwapen aan het verkeer onttrokken zal verklaren.

Het hof heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat deze voorwerpen onder de verdachte in beslag zijn genomen. Dit betekent dat in deze zaak niet over de in beslag genomen voorwerpen beslist kan worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

stelt vast dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 29 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Pro Justitia-rapportage d.d. 12 november 2014, pagina’s 19-20.

2 Pro Justitia-rapportage d.d. 12 november 2014, pagina 20.

3 Behandelplan Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught d.d. 4 december 2015, pagina 2.

4 Pro Justitia-rapport d.d. 11 november 2014, pagina 24.

5 Pro Justitia-rapport d.d. 12 november 2014, pagina 24.