Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
12/00237
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding door het Hof toegewezen onder toepassing van het arrest van de Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1161
V-N 2016/32.20.5
FutD 2016-1372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Zaaknummers: 12/00237 tot en met 12/00240

Uitspraak op de beroepen van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

op de bezwaarschriften van belanghebbende betreffende na te noemen belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting over de jaren 1998 tot en met 2001, alsmede de verliesherzieningsbeschikking voor het jaar 1999.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Voor het jaar 1998 heeft de Inspecteur aanvankelijk de door belanghebbende ingediende aangifte gevolgd, resulterend in een belastbare winst van ƒ 25.694, welke volledig is verrekend met verrekenbare verliezen uit voorgaande jaren. Vervolgens is aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting 1998 opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 30.198. Gelijktijdig met het opleggen van de navorderingaanslag heeft de Inspecteur een nadere verliesverrekeningsbeschikking genomen, inhoudende een aanvullende verliesverrekening van ƒ 872. Belanghebbende is tegen de navorderingsaanslag in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de navorderingsaanslag afgewezen.

1.1.2.

Voor het jaar 1999 heeft de Inspecteur aanvankelijk, in overeenstemming met de door belanghebbende ingediende aangifte vennootschapsbelasting, bij beschikking een verlies vastgesteld van ƒ 19.743. Vervolgens is aan belanghebbende over 1999 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 22.097. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is bij beschikking het eerder vastgestelde verlies herzien, waarbij het verlies nader is vastgesteld op nihil (hierna: de verliesherzieningsbeschikking). Belanghebbende is tegen de navorderingsaanslag en, naar het Hof begrijpt, de verliesherzieningsbeschikking in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de navorderingsaanslag en, naar het Hof begrijpt, de verliesherzieningsbeschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken afgewezen.

1.1.3.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte in de vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van ƒ 61.442, waarmee verliezen uit de voorgaande jaren werden verrekend tot een bedrag van ƒ 47.828. De Inspecteur is van de ingediende aangifte afgeweken en heeft aan belanghebbende een aanslag in de vennootschapsbelasting 2000 opgelegd naar een belastbare winst van ƒ 111.525. In het aanslagbiljet is tevens een verliesverrekeningsbeschikking van nihil begrepen. Belanghebbende is tegen de aanslag en, naar het Hof begrijpt, de verliesverrekeningsbeschikking, in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslag en, naar het Hof begrijpt, de verliesverrekeningsbeschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken afgewezen.

1.1.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2001 aangifte in de vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van € 811. De Inspecteur is van de ingediende aangifte afgeweken en heeft aan belanghebbende de aanslag in de vennootschapsbelasting 2001 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 22.998. Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.1.5.

Tegelijk met voornoemde belastingaanslagen (hierna: de belastingaanslagen) is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. De bezwaren van belanghebbende worden geacht mede tegen deze beschikkingen te zijn gericht en de Inspecteur heeft, naar het Hof begrijpt, deze bezwaren bij zijn uitspraken afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen voornoemde uitspraken bij vier afzonderlijke brieven beroep ingesteld (zaaknummers 05/00156 tot en met 05/00159) bij het Gerechtshof Arnhem (thans: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; hierna: Hof Arnhem). Hof Arnhem heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag en beschikking inzake heffingsrente over het jaar 1998 verminderd, de navorderingsaanslag en beschikking inzake heffingsrente over het jaar 1999 vernietigd, de verliesherzieningsbeschikking over het jaar 1999 opnieuw vastgesteld, de aanslagen en beschikkingen inzake heffingsrente over de jaren 2000 en 2001 verminderd, de verliesverrekeningsbeschikking over het jaar 2000 gehandhaafd, de Staat gelast aan belanghebbende het griffierecht van € 1.092 te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 471.

1.3.

De Minister van Financiën heeft tegen de uitspraak van Hof Arnhem beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 mei 2012, nr. 10/02035, ECLI:NL:HR:2012:BW5388 (hierna: het verwijzingsarrest) het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard, het principale beroep in cassatie van de Minister gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten en het geding verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.4.

Partijen hebben naar aanleiding van het verwijzingsarrest elk een schriftelijke conclusie ingediend in alle onderhavige zaken. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarna de Inspecteur heeft gedupliceerd.

1.5.

Op 15 oktober 2014 heeft het Hof in acht met deze zaken samenhangende zaken (zaaknummers 12/00245 tot en met 12/00252) met instemming van bij die zaken betrokken partijen een inlichtingencomparitie gehouden. De voor de onderhavige zaken reeds daarvoor, op 17 september 2014, geplande inlichtingencomparitie heeft op verzoek van en in overleg met belanghebbende geen doorgang gevonden.

1.6.

De Inspecteur heeft met dagtekening 29 januari 2015 een nadere schriftelijke zienswijze ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling ter zitting van het Hof heeft plaatsgehad op 5 oktober 2015 te ’s-Hertogenbosch. Tijdens deze zitting zijn de zaken van belanghebbende gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van de heer [X] (zaaknummers 12/00249 tot en met 12/00252), mevrouw [Y] (zaaknummers 12/00245 tot en met 12/00248) en [Z] B.V. (zaaknummers 12/00241 tot en met 12/00244). Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, als gemachtigde van de heer [X] en van mevrouw [Y] , de heer [A] , advocaat te [plaats 1] ; als gemachtigde van belanghebbende en van [Z] B.V., de heer [B] , advocaat te [plaats 2] ; alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en de heer [D] .

1.8.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota (zonder bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op 16 augustus 1985 opgericht en is gevestigd op de [a-straat] 41 te [vestigingsplaats] . Vanaf 29 november 1989 is [Y] (hierna: [Y] ) directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. Belanghebbende houdt zich bezig met de aan- en verkoop van onroerende zaken en de verhuur daarvan. Deze werkzaamheden werden merendeels uitgevoerd door de echtgenoot van [Y] , de heer [X] (hierna: [X] ). [Y] is onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [X] . [X] en [Y] waren tevens betrokken bij een andere vennootschap, [Z] B.V. (hierna: [Z] ).

2.2.

De aandelen in [Z] waren tot 23 juni 1993 in het bezit van [Y] . Op die datum heeft [Y] 39 van de 40 aandelen in die vennootschap verkocht aan de [Stiftung] (hierna: [Stiftung] ). [Y] heeft hierbij het prioriteitsaandeel behouden. [Y] is bestuurster en enige werkneemster van [Z] . [Stiftung] is een op 26 januari 1993 opgerichte rechtspersoon naar Liechtensteins recht die is gevestigd in Liechtenstein . [Stiftung] kent een ‘Stiftungsrat’, die wordt gevormd door twee juristen, die werkzaam zijn bij een eveneens in Liechtenstein gevestigd trustkantoor.

2.3.

Vanaf 1 januari 1990 is [X] procuratiehouder met volledige volmacht van [Z] . [Z] heeft in de jaren 1998 tot en met 2001 [X] een [auto] ter beschikking gesteld. [Y] ontving in de onderhavige jaren een arbeidsbeloning van ongeveer ƒ 25.000 (€ 11.344) per jaar. [X] is in 1982 failliet verklaard.

2.4.

[X] wierf in de onderhavige jaren voor [M Inc.] Inc. te [plaats 3] , gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: [M Inc.] ), klanten voor financieringsproducten. [M Inc.] was een zakelijke dienstverlener, die tegen vergoeding van een zogenoemde ‘processing fee’ (hierna: de fee) zekerheden verstrekte ten behoeve van cliënten, die bij een bank een lening wilden afsluiten. Cliënten dienden een aanvraag in bij [Z] en betaalden daarvoor bemiddelingskosten (hierna: de provisie). Als de cliënt besloot het product aan te schaffen en [M Inc.] de benodigde zekerheden had verstrekt, betaalde de cliënt de fee aan [M Inc.] . Op de fee mocht de cliënt de reeds betaalde provisie in mindering brengen. Voor de bemiddeling was [M Inc.] een commissie verschuldigd ter grootte van 20 percent van de fee. [Z] droeg de kosten die [X] maakte bij het werven van cliënten en bij het verkopen van het financiële product.

2.5.

Op 24 juli 2001 is een door de Belastingdienst ingesteld boekenonderzoek aangevangen bij belanghebbende en [Z] . Als uitvloeisel daarvan heeft de Inspecteur door tussenkomst van de FIOD een verzoek om inlichtingen gedaan bij de Amerikaanse Internal Revenue Service (hierna: de IRS) betreffende de zakelijke relatie van [X] met [M Inc.] . De IRS heeft de door de FIOD geformuleerde vragen schriftelijk aan [M Inc.] voorgelegd. In de brief van 29 september 2003 heeft [M Inc.] “certain financial records in connection with the payments made to our independent commission agent [X] ” aan de IRS verstrekt. De antwoorden op de vragen over de werkzaamheden van [M Inc.] en de relatie met [Z] luiden, voor zover van belang:

“1) Does [M Inc.] of America or [M Inc.] carry out financial activities?

Yes. [M Inc.] caries on financial activities in that it acts as a broker to match creditors and debtors. It receives a processing fee for this service from which it pays the agent. (see 4) below)

2) Do [M Inc.] of America and/or [M Inc.] use agents?

Yes. [M Inc.] does use agents. In this case, Mr. [X] serviced the Netherlands.

3) Are Mr. [X] or his brother Mr. [F] their wives, ie Mrs. [Y] and [G] , (…), or [Z] BV, or [H] known as agents to your tax administration or to these American companies?

Yes. Only Mr. [X] through [H] .

4) Is commission paid to (one of these persons or is commission paid to [Stiftung] , [b-straat] 5, [plaats 4] , Liechtenstein ?

Yes. Comission is paid to, Mr. [X] through his company [H] in the amount of 20% of the processing fee.

5) If commission is paid, what amounts are paid in the periso 1998-2002 (…).

Amounts on record that were paid to Mr. [X] are listed in the table below by year. (…)

6) Does [M Inc.] of America or [M Inc.] have any other business relations with [Stiftung] , [b-straat] 5, [plaats 4] , Liechtenstein ? If so, what doe[sic] these relations imply?

[M Inc.] has no other relations with the bank [Stiftung] , [b-straat] 5, [plaats 4] , Liechtenstein .”

2.6.

Uit de gegevens van [M Inc.] volgt dat de volgende bedragen door [M Inc.] zijn overgeboekt naar een door [Stiftung] in Liechtenstein aangehouden bankrekening:

voor het jaar 1998 in totaal $ 52.000 ƒ 106.600

voor het jaar 1999 in totaal $ 53.000 ƒ 112.051

voor het jaar 2000 in totaal $ 118.000 ƒ 304.440

voor het jaar 2001 in totaal $ 187.000 ƒ 455.020 of € 206.479

ƒ 978.111

2.7.

[M Inc.] stuurde [X] kopieën van de brieven, waarin zij een Amerikaanse bank opdracht gaf bedragen over te boeken naar de bankrekening van [Stiftung] in Liechtenstein . Onderaan de brieven was steeds de naam van [X] vermeld.

2.8.

[Stiftung] heeft in de jaren 1995, 1997, 1998 en 1999 rentedragende leningen verstrekt aan belanghebbende, aan [Y] en aan [Z] . Deze leningen hebben de volgende kenmerken:

afsluitdatum geldlener bedrag rente aflossing

6-12-1995 [Y] ƒ 350.000 6% aflossingsvrij

19-7-1997 belanghebbende ƒ 200.000 6% aflossingsvrij tot 19-7-2004

1-9-1998 belanghebbende ƒ 170.000 6% aflossingsvrij tot 1-9-2005

24-12-1998 [Z] ƒ 40.000 6% aflossingsvrij tot 24-12-2005

3-12-1999 belanghebbende ƒ 150.000 6,5% aflossingsvrij tot 3-12-2006

ƒ 910.000

2.9.

Op de door [Stiftung] verstrekte leningen zijn de volgende rentebedragen betaald, welke betaling in de regel door middel van bijschrijving bij de hoofdsom plaatsvond:

1998

1999

2000

2001

ƒ

ƒ

ƒ

Rente betaald door [Y]

5.212

5.525

5.856

2.723

Rente betaald door [Z]

2.812

11.429

Rente betaald door belanghebbende

24.333

35.340

44.683

19.737

29.545

40.865

53.351

31.166

2.10.

De geldleningen aan belanghebbende en [Y] zijn door hen grotendeels aangewend voor de aanschaf van onroerende zaken. [Y] heeft de door haar verworven onroerende zaken overgedragen aan belanghebbende, waarbij belanghebbende de schuld aan [Stiftung] van [Y] heeft overgenomen.

2.11.

De aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende zijn ingediend door haar toenmalige belastingadviseur, [K] (hierna: de belastingconsulent).

2.12.

Uit het door de Inspecteur ingestelde boekenonderzoek zijn de volgende correcties voortgevloeid op de door belanghebbende in haar aangiften vermelde belastbare bedragen voor de jaren 1998 tot en met 2001:

1998

1999

2000

2001

(in guldens)

(in guldens)

(in guldens)

(in euro’s)

Belastbare winst volgens aangifte

61.442

811

Belastbare winst volgens primitieve aanslag

25.694

-19.743

Verliesverrekening

-25.694

0

-47.828

0

Belastbaar bedrag volgens aangifte

13.614

811

Belastbaar bedrag volgens primitieve aanslag

0

-19.743

Correcties:

Herziening verliesverrekening

25.694

0

47.828

0

Schiphuis

5.400

5.400

5.400

2.450

Vakantiekosten

0

0

0

0

Rente [Stiftung]

24.333

35.340

44.683

19.737

Huurontvangsten

0

1.100

0

0

Onderhoudskosten

1.337

0

0

0

Gecorrigeerde belastbare winst

56.764

22.097

111.525

0

Verliesverrekening na correcties

-25.694

0

0

0

Aanvullende verliesverrekening (i.v.m. navordering)

-872

0

0

0

Belastbaar bedrag primitieve aanslag

115.525

22.998

Belastbaar bedrag navorderingsaanslag

30.198

22.097

2.13.

Hof Arnhem heeft de door de Inspecteur aangebrachte correcties deels teruggedraaid en de belastbare bedragen en de verliesbeschikkingen opnieuw vastgesteld. Deze beslissing is gecasseerd door de Hoge Raad. Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Hof belanghebbende bij brief van 7 juni 2012 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke zienswijze in te dienen. De zienswijze is binnen de daartoe gestelde termijn ontvangen, te weten op 4 juli 2012.

2.14.

Bij brief van 8 mei 2013 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen naar aanleiding van de zienswijze van de Inspecteur. De schriftelijke reactie is ontvangen op 27 augustus 2013.

2.15.

Bij brief van 4 juli 2014 heeft de griffier aan belanghebbende voor alle onderhavige zaken een uitnodiging verzonden voor een inlichtingencomparitie op 17 september 2014. Bij brief van 12 september 2014 heeft belanghebbende om uitstel van de inlichtingencomparitie gevraagd, welk uitstel bij brief van 15 september 2014 is verleend. De inlichtingencomparitie heeft op verzoek van en in overleg met belanghebbende geen doorgang gevonden (zie 1.5).

2.16.

Op 7 januari 2015 heeft de griffier aan belanghebbende voor alle onderhavige zaken een uitnodiging verzonden voor de mondelinge behandeling ter zitting op 12 februari 2015. Bij brief van 30 januari 2015 heeft belanghebbende om verdaging van deze zitting verzocht in verband met het aantrekken van een nieuwe gemachtigde. Het verzoek is door het Hof bij brief van 4 februari 2015 ingewilligd, in dier voege dat geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, waarbij is aangegeven dat de mondelinge behandeling met drie maanden werd verdaagd.

2.17.

Met dagtekening 10, 11 en 12 maart 2015 heeft de Inspecteur ambtshalve de belastingaanslagen, diverse verliesbeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente herzien (hierna tezamen te noemen: de verminderingsbeschikkingen), waarbij de belastbare bedragen over de onderhavige jaren zijn vastgesteld als volgt:

1998

1999

2000

2001

(in guldens)

(in guldens)

(in guldens)

(in euro’s)

Belastbare winst volgens aangifte

61.442

811

Belastbare winst volgens primitieve aanslag

25.694

-19.743

Verliesverrekening

-25.694

0

-47.828

0

Belastbaar bedrag volgens aangifte

13.614

811

Belastbaar bedrag volgens primitieve aanslag

0

-19.743

Correcties:

Herziening verliesverrekening

25.694

0

47.828

0

Schiphuis

2.190

2.190

2.190

994

Vakantiekosten

0

0

0

0

Rente [Stiftung]

0

0

0

0

Huurontvangsten

0

1.100

0

0

Onderhoudskosten

1.337

0

0

0

Gecorrigeerde belastbare winst

29.221

-16.453

63.632

1.805

Verliesverrekening na correcties

-25.694

0

0

0

Aanvullende verliesverrekening (i.v.m. navordering)

-872

0

0

0

Aanvullende verliesverrekening (i.v.m. vermindering)

-2.655

16.453

-13.798

Belastbaar bedrag primitieve aanslag (na verliesverrekening)

49.834

1.805

Belastbaar bedrag navorderingsaanslag (na verliesverrekening)

0

0

2.18.

De mondelinge behandeling heeft, om organisatorische redenen aan de zijde van het Hof, plaatsgevonden op 5 oktober 2015.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil heeft na verwijzing en na bekendwording van de verminderings-beschikkingen uitsluitend nog betrekking op de vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade en op vergoeding van proceskosten.

Belanghebbende is van mening dat voornoemde vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd tijdens het onderzoek ter zitting op 5 oktober 2015, wordt verwezen naar het opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en voor de proceskosten.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade, danwel tot een beperkte toekenning ervan en, indien aan de orde, tot toekenning van een vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De correcties die ten grondslag hebben gelegen aan de belastingaanslagen, waren een uitvloeisel van het oorspronkelijke standpunt van de Inspecteur dat belanghebbende ten onrechte de rente op de door [Stiftung] verstrekte leningen in aftrek had gebracht. De Inspecteur is van dit standpunt teruggekomen en kan zich vinden in het oordeel van Hof Arnhem, zoals neergelegd in de uitspraak van 7 april 2010. De hoogte van de belastingaanslagen, na de vermindering als vermeld in 2.17, is niet langer in geschil.

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade

Met betrekking tot vraag 1

4.2.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het Hof opdracht gegeven te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, het door belanghebbende in de schriftelijke toelichting op haar cassatieberoep gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandelingstermijnen voor toewijzing in aanmerking komt. Uit het verwijzingsarrest volgt dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade in cassatie is gedaan (paragraaf 7 van het verwijzingsarrest). Dat brengt mee dat het Hof het verzoek slechts zal beoordelen voor de periode na verwijzing (vgl. HR 15 maart 2013, nr. 11/02248, ECLI:NL:HR:BW6552, BNB 2013/149 en HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het arrest van 19 februari 2016)).

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AT4468, BNB 2005/337 en in het arrest van 19 februari 2016. Voor de behandeling na verwijzing geldt dat het Hof uitspraak doet binnen een jaar nadat de zaak door de Hoge Raad is verwezen, behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest BNB 2005/337. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.4.

Het Hof stelt, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.1 allereerst vast dat alle onderhavige zaken hoofdzakelijk betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en steeds gezamenlijk zijn behandeld. Van een bovenmatige emotionele belasting aan de zijde van belanghebbende als gevolg van het gelijktijdig voeren van meerdere procedures is niet gebleken. Anderzijds is evenmin gebleken dat de gelijktijdige behandeling een matigende invloed heeft gehad (zie HR 30 januari 2015, nr. 14/01954, ECLI:NL:HR:2015:147, BNB 2015/195). Voor zover sprake is van een voor vergoeding in aanmerking komende overschrijding van de redelijke behandeltermijn zal het Hof daarom volstaan met toekenning van één schadevergoeding voor de vier onderhavige zaken. Voor de beoordeling in de overige, gelijktijdig behandelde, zaken wordt verwezen naar de betreffende uitspraken die eveneens heden zijn gedaan.

4.5.

Met betrekking tot de aanvang van de redelijke behandelingstermijn moet worden aangesloten bij de datum waarop het verwijzingsarrest is gewezen, zijnde 11 mei 2012. De termijn eindigt met het heden, 26 februari 2016, uitspreken van de beslissing in de onderhavige zaken. De termijn die is gemoeid met de behandeling van de beroepen na verwijzing bedraagt (afgerond) drie jaren en tien maanden. De redelijke behandeltermijn voor de verwijzingsfase bedraagt een jaar en is derhalve overschreden met twee jaar en tien maanden.

4.6.

Vervolgens moet worden vastgesteld of de overschrijding wordt gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden en voorts of (en in hoeverre) die overschrijding aan belanghebbende valt toe te rekenen.
Het Hof stelt vast dat het hier een complexe zaak betreft. Hierin ziet het Hof aanleiding voor verlenging van de meerbedoelde termijn van één jaar tot twee jaren.
Voorts heeft tijdens de behandeling door het Hof een uitgebreide correspondentiewisseling plaatsgevonden. Gedurende deze correspondentiewisseling heeft belanghebbende meermalen, buiten de in de procesregeling vermelde termijnen om, aanvullend uitstel voor het verrichten van proceshandelingen gevraagd en gekregen. Het betreft de navolgende perioden:

- een periode van (afgerond) twaalf weken voor het indienen van een schriftelijke

reactie op de zienswijze van de Inspecteur na verwijzing (zie 2.14);

- een periode van (afgerond) drie maanden (ofwel dertien weken) voor het op verzoek van belanghebbende uitstellen van de mondelinge behandeling ter zitting van 12 februari 2015 (zie 2.16).

Voor het overige heeft het Hof geen toerekenbare overschrijdingen geconstateerd (zie 2.13) danwel is sprake van een overschrijding die niet uitsluitend aan belanghebbende kan worden toegerekend (2.15). Van de totale termijnoverschrijding is derhalve een periode van in totaal vijfentwintig weken (ofwel zes maanden) aan belanghebbende toe te rekenen. In zoverre bestaat geen recht op vergoeding van immateriële schade.

4.7.

Gelet op het voorgaande bedraagt de termijnoverschrijding, die wel voor vergoeding in aanmerking komt, één jaar en vier maanden. Dit resulteert in de toekenning een vergoeding van € 1.500, waartoe de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) zal worden veroordeeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

In het verwijzingsarrest is de beslissing van Hof Arnhem omtrent het griffierecht in stand gelaten. Het Hof zal de beslissing van Hof Arnhem op dat punt bevestigen, in dier voege dat zij zal gelasten dat in plaats van de Staat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht van € 1.092 vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Omdat de Inspecteur de belastingaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente ambtshalve heeft verminderd acht het Hof termen aanwezig voor een toekenning van een vergoeding van de bezwaar- en proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 respectievelijk 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het verwijzingsarrest, waarbij de beslissing van Hof Arnhem omtrent de vergoeding van proceskosten in stand is gelaten, welke beslissing het Hof zal bekrachtigen, zal het Hof enkel een vergoeding vaststellen voor de behandeling na verwijzing. Het Hof bepaalt de hoogte van de vergoeding aan de hand van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.10.

Met betrekking tot de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gedurende de behandeling van de beroepen door het Hof wordt de vergoeding vastgesteld op € 2.790 (= € 496 (waarde punt) * 2,5 punt (proceshandelingen) * 1,5 (wegingsfactor) * 1,5 (factor samenhangende zaken)).

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;

  • -

    bekrachtigt de beslissing van Hof Arnhem met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht, inhoudende dat de Staat (thans de Inspecteur) aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht van € 1.092 dient te vergoeden;

  • -

    bekrachtigt de beslissing van Hof Arnhem met betrekking tot de proceskostenveroordeling, inhoudende dat de Inspecteur wordt veroordeeld in de kosten van het geding bij Hof Arnhem aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 471; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.790.

Aldus gedaan op 26 februari 2016 door J. Swinkels, voorzitter, P.C. van der Vegt en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van M.M. Dondorp-Loopstra, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.