Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:683

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
13/00287
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:1119, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkweker. Voorlopige aanslag. Geen omkering bewijslast.

Op woonadres is in 2010 een hennepkwekerij aangetroffen. Onder verwijzing naar de uitspraak over het jaar 2005 (15/00011), oordeelt het Hof dat aannemelijk is dat de hennepkwekerij onafgebroken aanwezig is geweest, dus ook in het jaar 2008. Aangezien het geschil gaat over de voorlopige aanslag, oordeelt het Hof dat het leerstuk van omkering van de bewijslast niet kan worden toegepast. Het Hof verwijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis, waarin dit voor de bezwaarfase uitdrukkelijk is uitgesproken. Het Hof ziet geen reden om voor de beroepsfase anders te oordelen.

Het Hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs dat de voorlopige aanslag is opgelegd naar een bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1379
FutD 2016-1597
NTFR 2016/1693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00287

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 februari 2013, nummer AWB 12/1263, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde voorlopige aanslag en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.81 over het jaar 2008 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.204. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 4.397.

De voorlopige aanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de voorlopige aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 132.709, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 442,13, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van belanghebbende tot een bedrag van € 250.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende bij brief van 21 januari 2014 – met het oog op een geplande zitting op 31 januari 2014 – nadere stukken ingediend. Deze zitting is uitgesteld. De Inspecteur heeft bij brief van 7 februari 2014 nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens bij brief van 20 januari 2015 nadere stukken ingediend, bestaande uit bankafschriften en overzichten betreffende inkomsten en uitgaven over de jaren 2006 tot en met 2009. Al deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De eerste zitting heeft plaatsgehad op 2 februari 2015 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, zijn gemachtigde de heer [A] en de heer [B] , accountant, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en de heer [D] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken met kenmerken 13/00285 tot en met 13/00288.

1.6.

Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, overzichten verstrekt van ontvangsten en uitgaven over de jaren 2006 tot en met 2009. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde de Inspecteur de gelegenheid te geven om schriftelijk te reageren op de door belanghebbende ter zitting overgelegde stukken alsmede om de zaken over de jaren 2006 tot en met 2009 verder gezamenlijk te behandelen met de zaak over het jaar 2005 (kenmerk Hof 15/00011).

1.8.

De Inspecteur heeft op 28 april 2015 schriftelijk gereageerd op de door belanghebbende ter eerste zitting overgelegde stukken en bericht over de gesprekken met de heer [B] .

1.9.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende bij brief van 31 december 2015 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

De tweede zitting heeft plaatsgehad op 14 januari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, zijn gemachtigde de heer [A] en de heer [B] , accountant, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en de heer [E] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken met kenmerk 13/00285 tot en met 13/00288 en 15/00011.

1.11.

Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 2 februari 2015 was samengesteld uit mr. P.C. van der Vegt, mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en mr. S. Bosma, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door mr. T.A. Gladpootjes, mr. P.C. van der Vegt en mr. A.C.J. Viersen, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 2 februari 2015. Partijen hebben verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben.

1.12.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [F] (hierna: de echtgenote van belanghebbende) en heeft over het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.504. In deze aangifte zijn geen opbrengsten uit een hennepkwekerij opgenomen.

2.2.

Belanghebbende woonde tot mei 2005 op [a-straat] 5 te [plaats] , welke woning hij rond mei 2005 heeft verkocht. Vanaf 2005 was belanghebbende tevens eigenaar van de woning aan de [a-straat] 1 te [plaats] (hierna: de woning), die hij in mei 2005 heeft betrokken. Belanghebbende was tot 12 juni 2006 eigenaar van de woning aan de [b-straat] 7 te [plaats] , die werd verhuurd. In verband met de verkoop van deze woning heeft belanghebbende in 2006 conform de nota van afrekening van de notaris een bedrag ontvangen van € 99.270,25. Belanghebbende is sinds 2008 tevens eigenaar van een café/discotheek/woning gelegen aan de [c-straat] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). Dit pand wordt eveneens verhuurd.

2.3.

Op 15 april 2010 is op het adres [a-straat] 1 te [plaats] door de Politie Limburg-Zuid, basiseenheid [plaats] en de Divisie Regionale Recherche in de woning een kweekinrichting voor de hennepteelt aangetroffen. Belanghebbende werd op die dag in opdracht van de Officier van Justitie te Maastricht aangehouden, als verdachte ter zake van overtreding van artikel 3 in verbinding met de artikelen 11 en 12 van de Opiumwet.

In het proces-verbaal aanvraag machtiging tot het leggen van conservatoir beslag (proces-verbaalnummer: [nummer 11] ) van 15 april 2010 (hierna: het proces-verbaal) dat door verbalisanten [G] en [H] naar aanleiding hiervan is opgemaakt, is onder meer vermeld:

Aanleiding onderzoek:

In het kader van het onderzoek Landlord contra de verdachte (…) werd op donderdag 15 april 2010 door de Rechter Commissaris in het arrondissement Maastricht, (…) een doorzoeking verricht in de woning [a-straat] 1 te [plaats] .

Uit het verrichte vooronderzoek in het politieregistratiesysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH) zijn de volgende registraties aangetroffen met betrekking tot genoemde [belanghebbende] :

- d.d. 28 maart 2008 Aandachtvestiging nr. [nummer 1] : Diverse bewoners van de wijk [K] melden dat de bewoner van [a-straat] 1 [plaats] bezig zijn met drugshandel. Ieder 4 tot 6 weken komt er een blauwe aanhanger voor de poort van genoemd pand gereden waarna men begint in te laden. De bewoner van dit pand heeft een disco op de [c-straat] te [plaats] . Onder zijn pand heeft hij een enorme kelder die via een schuilkelder bereikbaar is. Onderzoek door middel van posten en geurwaarnemingen levert geen aanwijzingen op voor verder onderzoek.

- (…)

- d.d. 15 augustus 2006 Overlast ivm drugs nr [nummer 2] : MMA melding nr [nummer 3] ontvangen betreffende een hennepplantage in perceel [a-straat] 1 te [plaats] . Door Essent werd een netwerkmeting geplaatst op dit adres. Resultaat: negatief.

- d.d. 10 april 2006 Overlast ivm drugs nr [nummer 4] : Buurtbewoners melden overlast van hennepgeur vermoedelijk afkomstig van perceel [a-straat] 1 [plaats] . Door Essent is een warmtemeting gedaan. Resultaat: negatief.

- d.d. 17 maart 2005 Melding mogelijke hennepplantage nr [nummer 5] : Volgens melder komt de hennepgeur van [a-straat] 1 te [plaats] . Pand is onbewoond maar eigendom van [belanghebbende] [a-straat] 5 te [plaats] . Op 21 maart 2005 bleek de warmtemeting negatief. Er zou sprake zijn van een hennepplantage in de kelder.

- d.d. 28 januari 2005 Aandachtvestiging nr [nummer 6] : Anonieme brief ontvangen met de tekst: [belanghebbende] (eigenaar [a-straat] 5 [plaats] ), plantage in kelder ruwbouw [K] ( [a-straat] ).

- d.d. 16 december 2004 Verhoor verdachte nr [nummer 7] :

Hennepplantage [b-straat] 7 [plaats] . [belanghebbende] is eigenaar van dit pand waarin de hennepplantage is aangetroffen. [belanghebbende] verklaarde dit pand te hebben verhuurd aan [L] . Deze laatste ontkent. Zaak is geseponeerd door de OVJ.

In de woning werd op 15 april 2010 een kweekinrichting aangetroffen. Er bleek vermoedelijk te zijn geoogst en er werden in totaal 305 plantenpotten aangetroffen. (…)

Aantal oogsten:

In de kelder van de woning aan de [a-straat] 1 te [plaats] werd op 15 april 2010 een kweekinrichting aangetroffen, bestaande o.a. uit 14 assimilatielampen van 600 watt, 1 aanzuigventilator, 2 koolstoffilters etc. en 305 met aarde gevulde plantenpotten aangetroffen. Op de vloer en op een droognet werden restanten van planten en potaarde aangetroffen. De in de woning aanwezige elektriciteitsmeter en gasmeter bleken te zijn gemanipuleerd.

Blijkens het rapport BOOM wordt bij de berekening van het WVV van een hennepkwekerij een kweekcyclus van tien weken als norm aangehouden.

Uitgaande van de periode gelegen tussen 1 januari 2005 en 15 april 2010 is het gezien bovenstaande aannemelijk dat er minimaal 25 maal eerder werd geoogst.

(…)

Het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Het wederrechtelijk verkregen voordeel gegenereerd uit de opbrengst van 5 oogsten van de hennepplantage [a-straat] 1 te [plaats] bedraagt:

€ 718.393,80 - € 39.700,00= € 678.693,00

2.4.

Op 19 april 2010 is door de Belastingdienst onderzocht of de exploitatie van de hennepkwekerij heeft geleid tot verwerving van extra inkomsten bij belanghebbende. In het rapport van 19 april 2010, opgemaakt door controlemedewerker [M] , waarin de bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd is onder meer vermeld:

“Uit onderzoek is gebleken dat de heer [belanghebbende] zich sinds 1 januari 2005 bezighoudt met de hennepteelt en dat er vermoedelijk 5 keer per jaar is geoogst.

Een globale vermogensvergelijking leidt tot een negatief netto privé in 2006 van € 27.522,-. Het netto privé in de overige jaren wisselt sterk en er zijn slechts enkele kostenposten benoemd. Voorts is het netto privé niet in overeenstemming met de luxueuze levensstijl van de heer [belanghebbende] en zijn gezin.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt uit op een (netto) opbrengst van € 678.693,- (€ 135.738,60 per jaar). Omdat de heer [belanghebbende] voor de teelt nog niet is veroordeeld zal de netto-opbrengst als inkomen worden aangemerkt.

Over de jaren 2005 t/m 2009 zal het inkomen van de heer [belanghebbende] worden gecorrigeerd met € 135.700,- als resultaat uit overige werkzaamheden.”.

2.5.

Op grond van het bovenstaande zijn aan belanghebbende met dagtekening 21 april 2010 navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2005 tot en met 2007, alsmede voorlopige aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 en 2009 opgelegd. Op dezelfde datum zijn aan belanghebbende de boetebeschikkingen over de jaren 2005 tot en met 2007 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen op 31 mei 2010 bezwaar gemaakt.

De voorlopige aanslag IB/PVV 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.204 (€ 11.504 plus € 135.700).

2.6.

Op 18 januari 2012 heeft de Inspecteur aan de Officier van Justitie het verzoek gedaan inzage te krijgen in de in beslag genomen administratie van belanghebbende. Op 20 januari 2012 is aan dit verzoek tegemoet gekomen. Aan de hand van deze bescheiden is een vermogensvergelijking over de jaren 2005 tot en met 2009 opgemaakt. Hieruit leidt de Inspecteur af dat belanghebbende in 2005 over een negatief netto privévermogen beschikt van € 76.929.

2.7.

De Rechtbank Breda heeft in de uitspraken van 9 februari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:387 t/m ECLI:NL:RBBRE:2012:391, de Inspecteur gelast binnen twee weken op de bezwaren van belanghebbende uitspraken te doen op straffe van een dwangsom. De voorlopige aanslag IB/PVV 2008 is bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2012 gehandhaafd.

2.8.

Op 8 maart 2012 is door [H] het rapport ‘Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ opgemaakt. Het rapport heeft als bijlage het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2010 (proces-verbaalnummer [nummer 8] ) met de daarbij behorende 25 bijlagen. In het rapport wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij in 2005 berekend op € 117.676 rekening houdend met het rapport BOOM en de verkoopcijfers volgens de informatie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise.

2.9.

In het kader van het onderzoek heeft [N] (hierna: [N] ), medewerker van de Belastingdienst, kantoor Maastricht, een (nieuwe) vermogensvergelijking opgesteld over de jaren 2005 tot en met 2009. Hierbij werd gebruik gemaakt van de bescheiden (bankafschriften (waarvan er over 2005 enkele misten), facturen, kassabonnetjes en dergelijke) die in beslag zijn genomen tijdens de doorzoeking van 15 april 2010. Aan de hand van die opgestelde vergelijking concludeert de Inspecteur dat belanghebbende en zijn echtgenote voor het jaar 2005 uitkomen op een netto privévermogen van negatief € 141.800.

2.10.

Belanghebbendes accountant heeft na teruggave van de administratieve bescheiden eveneens een vermogensvergelijking opgesteld aan de hand van die terugontvangen bescheiden en die vergeleken met de opstellingen van de Inspecteur. Hij constateert dat een aantal bescheiden niet aanwezig is en komt voor het jaar 2005 tot een negatief netto privévermogen van € 308.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende in het onderhavige jaar inkomsten genoten uit hennepteelt?

II. Is de bewijslast omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan?

IIIa. Indien vraag II bevestigend wordt beantwoord: heeft belanghebbende het van hem verlangde bewijs geleverd dat de voorlopige aanslag te hoog is vastgesteld?

IIIb. Indien vraag II ontkennend wordt beantwoord: heeft de Inspecteur het van hem verlangde bewijs geleverd dat de voorlopige aanslag niet te hoog is vastgesteld?

IV. Indien vraag II bevestigend en vraag IIIa ontkennend wordt beantwoord: is de schatting door de Inspecteur van de door belanghebbende genoten inkomsten redelijk?

Belanghebbende is van mening dat de eerste, tweede, derde sub b, en vierde vraag ontkennend en de derde vraag sub a bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, de voorlopige aanslag en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: heeft belanghebbende in het onderhavige jaar inkomsten genoten uit hennepteelt?

4.1.

Het Hof heeft in de heden gedane uitspraak in de zaak 15/00011 betreffende het jaar 2005 als volgt geoordeeld:

“4.1. Op 15 april 2010 is op het woonadres van belanghebbende een kweekinrichting voor hennepteelt aangetroffen. Belanghebbende heeft aanvankelijk verklaard dat de daar aangetroffen planten de eerste teelt betroffen. Ter zitting van het Hof van 2 februari 2015, op welke zitting het hoger beroep betreffende de navorderingsaanslagen c.q. voorlopige aanslagen over de jaren 2006 t/m 2009 is behandeld, heeft belanghebbende verklaard dat er in 2010 één keer is geoogst. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat reeds in 2005 sprake was van een hennepplantage waaruit inkomsten zijn genoten.

4.2.

Het Hof stelt voorop dat het enkele feit dat in 2010 een hennepplantage is aangetroffen, niets zegt over de situatie in de jaren daarvoor. Het Hof zal daarom allereerst beoordelen of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat reeds in het jaar 2005 sprake was van een hennepplantage.

4.3.

De Inspecteur heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat reeds in 2005 sprake was van een hennepplantage:

a) een anonieme brief van 28 januari 2005 waarin wordt gemeld dat belanghebbende een hennepplantage in de kelder ruwbouw zou hebben;

b) een melding op 17 maart 2005 van hennepgeur uit het pand;

c) een luchtuitlaat vanuit de kelder waar de hennepplantage is aangetroffen, die door de tuin loopt onder de vijver door, terwijl die vijver in 2005 is aangelegd;

d) de uitkomst van de vermogensvergelijking, dan wel het kasoverzicht dat in 2005 een negatieve uitkomst kent.

4.4.

Belanghebbende heeft ter zitting van 14 januari 2016 de aanwezigheid van een luchtuitlaat ontkend. Het Hof zal daarom allereerst de vraag beantwoorden of aannemelijk is dat een dergelijke luchtuitlaat bestond in de jaren 2005 t/m 2010.

Tijdens het verhoor op 17 april 2010 (kenmerk proces-verbaal: [nummer 9] ) heeft belanghebbende op vragen van de opsporingsambtenaren over de aanwezigheid van de luchtuitlaat geen antwoord gegeven. Tijdens het verhoor op 19 april 2010 (kenmerk proces-verbaal: [nummer 10] ) heeft belanghebbende op vragen over de luchtuitlaat en de opmerking dat die installatie moet zijn aangelegd voordat de tuin is aangelegd, zich beroepen op zijn zwijgrecht. De Inspecteur heeft in diverse stukken gewezen op het bestaan van deze luchtuitlaat en in het bijzonder dit feit aangedragen als bewijs dat de hennepplantage al bestond ten tijde van de aanleg van de vijver. De Rechtbank heeft dit feit mede ten grondslag gelegd aan haar oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende reeds ten tijde van de afbouw van de woning de mogelijkheid had de aangetroffen hennepkwekerij te exploiteren. Belanghebbende heeft dit feit in het hogerberoepschrift niet ter discussie gesteld. Op vragen van het Hof op de zitting van 2 februari 2015 heeft belanghebbende verklaard:

“Voor wat betreft de aanwezigheid van een vijver en luchtuitlaat verklaart hij dat hij het huis niet zelf heeft gebouwd en dat als hij iets heeft laten maken, dat zichtbaar geweest zou moeten zijn. Belanghebbende verklaart voorts dat de tuin pas na 2007 is aangelegd (...).”

Belanghebbende heeft al die tijd nimmer gesteld dat er helemaal geen sprake was van de aanwezigheid van een luchtuitlaat. Eerst ter zitting van 14 januari 2016 is die stelling door hem ingenomen. Het Hof acht die stelling – gelet op het voorgaande – niet geloofwaardig. Indien een dergelijke luchtuitlaat in het geheel niet aanwezig was geweest, had het voor de hand gelegen dat belanghebbende – mede gelet op het belang dat de Inspecteur gedurende de gehele procedure hieraan heeft gehecht – reeds in een eerder stadium de aanwezigheid daarvan had betwist. Het Hof acht daarom aannemelijk dat reeds in 2005 sprake was van een luchtuitlaat.

4.5.

De Inspecteur heeft gesteld dat de vermogensvergelijking negatief uitkomt. Belanghebbendes accountant heeft dit bestreden en een kasopstelling gemaakt op grond waarvan hij de conclusie trekt dat er voldoende liquiditeiten aanwezig waren. De Inspecteur heeft de juistheid van deze kasopstelling gemotiveerd bestreden en geconcludeerd dat de kasopstelling negatieve saldi kent.

Het Hof verwerpt de door de accountant gemaakte kasopstelling. De kasopstelling begint met een beginsaldo van € 27.500. Dit bedrag heeft de accountant gebaseerd op hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft verklaard. De door de accountant over de jaren 2005 tot en met 2009 gemaakte kasopstelling leidt tot een kassaldo ultimo 2009 van € 68.774. In de aangiften IB/PVV is bij het beginvermogen geen contant geld vermeld. Voorts is bij de inval op 15 april 2010 een bedrag van € 4.800 aan contant geld aangetroffen. Het Hof acht dan ook ongeloofwaardig dat ultimo 2009 sprake zou zijn van een kassaldo van € 68.774. Belanghebbende heeft voorts op geen enkele wijze de aanwezigheid van een bedrag van € 27.500 aan kasgeld op 1 januari 2005 aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de kas – uitgaande van een beperkt kassaldo op 1 januari 2005 – op diverse momenten in 2005 negatieve standen kent. Zelfs indien geen rekening wordt gehouden met hetgeen de Inspecteur stelt omtrent een betaling van een factuur van € 21.000 ter zake van een keuken, ontstaan negatieve kassen van meer dan € 20.000.

4.6.

Gelet op het onder 4.4 en 4.5 overwogene, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in het jaar 2005 meer inkomsten heeft genoten dan verantwoord in de aangifte. Het Hof acht aannemelijk dat het hier gaat om inkomsten uit hennepteelt. Dit oordeel wordt mede ondersteund door de onder 2.3 vermelde meldingen.”

4.2.

Tevens staat vast dat in 2010 een door belanghebbende geëxploiteerde hennepkwekerij is aangetroffen in het woonhuis van belanghebbende. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende in de tussenliggende jaren deze kwekerij ononderbroken heeft geëxploiteerd. Het ligt immers niet voor de hand dat belanghebbende tussentijds is gestopt met de hennepkwekerij en die vervolgens wederom heeft opgestart.

4.3.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het Hof ook voor het onderhavige jaar van oordeel is dat aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten dan vermeld in de aangifte.

Vraag II: Is de bewijslast omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan?

4.4.

Met betrekking tot de hier in geschil zijnde voorlopige aanslag is het Hof van oordeel dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat de wetgever de omkering van de bewijslast niet heeft willen laten gelden voor voorlopige aanslagen (zie Kamerstukken II 1995/96, 24868, nr. B, blz. 2 en Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz. 7). Naar het oordeel van het Hof geldt voor bezwaar en (hoger) beroep dezelfde bewijslastverdeling. Weliswaar kent artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een andere bewoording dan artikel 25, derde lid, AWR, maar het Hof ziet geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat de wetgever bedoeld heeft om bij rechterlijke toetsing van voorlopige aanslagen een van de bezwaarfase afwijkende verdeling van de bewijslast te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de tekst van artikel 27e van de AWR afwijkend is van artikel 25, derde lid, van de AWR heeft geen andere reden dan dat artikel 27e is voortgevloeid uit artikel 29 (oud) van de AWR en nadien in het kader van de herziening van het fiscale procesrecht tekstueel is aangepast. Met de wijziging werd beoogd het fiscale procesrecht aan het passen aan het uniform procesrecht in hoofdstuk 8 van de Awb, met als gevolg dat de uitspraak op bezwaar (en niet langer de onderliggende belastingaanslag) het uitgangspunt voor de rechtelijke toetsing is geworden. In de wetsgeschiedenis is daarover opgemerkt (Kamerstukken II, 1996/97, 25 175, nr. 3, blz. 21):

“Deze bepaling komt overeen met artikel 29 (oud) van de AWR, zij het dat in het voorgestelde artikel nog slechts sprake is van een onjuiste uitspraak en niet meer van een onjuiste beschikking of belastingaanslag. Voordat een geschil aan het gerechtshof of de Tariefcommissie wordt voorgelegd, dient immers de bezwaarschriftprocedure bij de inspecteur gevolgd te worden, die uitmondt in een uitspraak. Bovendien is de in artikel 29 (oud) gehanteerde terminologie inzake «afwijzing van het beroep» aangepast aan de terminologie die hoofdstuk 8 van de Awb kent voor de dicta van een uitspraak: in het hier bedoelde geval zal het beroep ongegrond worden verklaard.”

4.5.

Gelet op het voorgaande bestaat er met betrekking tot de thans in geschil zijnde voorlopige aanslag geen aanleiding om de bewijslast om te keren. Vraag IIIa behoeft derhalve geen beantwoording.

Vraag IIIb: Heeft de Inspecteur het van hem verlangde bewijs geleverd dat de voorlopige aanslag niet te hoog is vastgesteld?

4.6.

Op grond van artikel 13 van de AWR heeft de Inspecteur de bevoegdheid om een voorlopige aanslag op te leggen. In het eerste lid, eerste volzin van artikel 13 van de AWR is bepaald dat het bedrag van de voorlopige aanslag wordt gesteld op ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, rekening houdend met eventuele eerdere voorlopige aanslagen en/of voorheffingen.

4.7.

De wijze waarop de inspecteur het bedrag van de voorlopige aanslag berekent, is nader uitgewerkt in artikel 23 van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Op grond van het eerste lid van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling moet het vaststellen van de voorlopige aanslag gerechtvaardigd zijn. Deze rechtvaardiging moet worden gezocht in een aanmerkelijk verschil tussen het te verwachten bedrag van de definitieve aanslag en de voorheffingen en dient met de nodige voorzichtigheid en redelijkheid bepaald te worden. Artikel 23, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling bepaalt dat voor een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting tijdens de looptijd van het desbetreffende jaar, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, gebruik kan worden gemaakt van de gegevens die betrekking hebben op de meest recente belastingaanslag over het meest recente belastingjaar. Voor de beoordeling in bezwaar en beroep heeft bovendien te gelden dat voor de beoordeling van de aannemelijkheid van de schatting mede het betoog van belanghebbende in aanmerking wordt genomen.

4.8.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de door de Inspecteur gemaakte schatting geoordeeld:

“2.12.2. De inspecteur is bij het opleggen van de onderhavige aanslag uitgegaan van de berekening van het wvv in het proces-verbaal. Naar aanleiding daarvan is het belastbaar inkomen uit werk en woning over het onderhavige jaar gecorrigeerd met afgerond € 135.700. In het verweerschrift heeft de inspecteur geconcludeerd dat uitgegaan moet worden van de berekening in het rapport en dat de onderhavige aanslag verminderd moet worden met een bedrag van € 6.555.

2.12.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur, met betrekking tot de opbrengsten uit hennepteelt van € 129.145 voor het onderhavige jaar, niet onredelijk geweest. Het rapport is van voldoende gewicht om de onderhavige schatting te onderbouwen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de gegevens uit het BOOM-rapport, waarvan het rapport is uitgegaan, gebaseerd zijn op ervaringscijfers. De rechtbank is voorts van oordeel dat de inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een opbrengst in 2008 heeft gerealiseerd van € 129.145. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat zij aannemelijk acht dat op het moment van aanhouding een kwekerij met 305 planten is aangetroffen. Door voor het jaar 2008 onder andere uit te gaan van de gegevens van het BOOM-rapport, is die opbrengst naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog.

2.12.4.

De inspecteur heeft bij zijn berekening in het aanvullend verweerschrift de kostenpost van € 7.940 ten onrechte niet in aanmerking genomen. Nu de hoogte van die kosten niet in geschil is en de rechtbank deze niet onjuist acht, neemt de rechtbank die bij de berekening eveneens in aanmerking.”

4.9.

Weliswaar is voormeld oordeel door de Rechtbank gegeven in het kader van de beoordeling van de redelijkheid van de schatting in het kader van de omkering van de bewijslast, maar het Hof ziet geen aanleiding om voor de beoordeling van de vraag of de voorlopige aanslag is opgelegd naar een bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, anders te oordelen. Het Hof is dan ook van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 februari 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.C. van der Vegt en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.