Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:668

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
200 170 155_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:1449
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4174
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 februari 2016

Zaaknummer: 200.170.155/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/126151/FA RK 13-1505

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.E. Frenken.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 mei 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil zal blijven, althans zal worden vastgesteld op een zodanig bedrag als het hof juist acht en met ingang van de datum die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2015, heeft de vrouw verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de man af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover nodig onder aanvulling althans verbetering van gronden, te bepalen dat de man met ingang van 20 november 2013 zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen [minderjarige] met € 121,14 per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2015, heeft de man verzocht de vrouw in haar verzoeken in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Hopmans;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Frenken.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 28 mei 2015;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 24 augustus 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 6 januari 2016.

Ter zitting heeft de advocaat van de man een brief van de Rabobank d.d. 9 augustus 2010 met bijlagen overgelegd. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze brief en bijlagen kort en eenvoudig te doorgronden zijn en bovendien een gedeelte van de brief al als productie 1 bij beroepschrift is overgelegd, heeft het hof echter beslist dat deze brief en bijlagen worden toegelaten.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 12 juli 2002 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 18 juni 2008 heeft de rechtbank Roermond tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 oktober 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van 12 mei 2010 heeft de rechtbank Roermond bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen een bedrag van € 350,- per maand met ingang van 1 november 2009.

Bij beschikking van 29 juni 2011 heeft de rechtbank Roermond voornoemde beschikking van 12 mei 2010 gewijzigd en de bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 8 februari 2011 op nihil gesteld.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – voornoemde beschikking van 29 juni 2011 in die zin gewijzigd dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen:

- met ingang van 20 november 2013 tot 1 juni 2014 een bedrag van € 126,- per maand en

- met ingang van 1 juni 2014 een bedrag van € 25,- per maand.

3.4.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen de ingangsdatum en het door de rechtbank in aanmerking genomen inkomen uit vermogen ad € 34,- per maand.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot:

- het eigen aandeel van partijen (grief 1);

- de draagkracht van de man (grieven 2, 3, 4 en 5);

- de vastgestelde bijdragen (grieven 6 en 7).

Ingangsdatum wijziging

3.6.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 20 november 2013 en aldus over een periode in het verleden, heeft gewijzigd, nu de man daardoor in financiële problemen is geraakt.

De vrouw stelt dat de rechtbank terecht de wijzigingsdatum heeft bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man met ingang van die datum rekening had kunnen houden met een bijdrage voor [minderjarige] .

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft evenwel in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden.

3.7.2.

Het hof zal de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting bepalen op

1 maart 2015, zijnde de eerste dag volgend op de maand waarin de bestreden beschikking is gegeven. In het licht van de beperkte financiële middelen van de man neemt het hof hierbij in aanmerking de lange tijdspanne tussen de datum waarop de vrouw haar zelfstandig verzoek strekkende tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft ingediend en de datum waarop de bestreden beschikking is gegeven.

Voorts neemt het hof hierbij in aanmerking de onweersproken stelling van de man dat hij geen gelden heeft kunnen reserveren omdat hij in het kader van de procedure strekkende tot vaststelling van een zorgregeling hoge advocaatkosten heeft moeten maken. De op de ingangsdatum betrekking hebbende grief van de man slaagt aldus.

Behoefte [minderjarige]

3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [minderjarige] per 1 januari 2015 € 396,48 per maand bedraagt.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) zal het hof, anders dan de rechtbank heeft gedaan, het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt niet in mindering brengen op de behoefte van [minderjarige] . De in dit kader opgeworpen grief van de vrouw behoeft hiermee geen verdere bespreking.

Draagkracht

3.9.

De man stelt dat de rechtbank bij de vaststelling van zijn draagkracht ten onrechte rekening heeft gehouden met een inkomen uit vermogen van € 34,- per maand nu hij geen inkomen uit vermogen heeft (gehad). Het door hem ter zake van overbedeling ontvangen bedrag van € 30.000,- heeft hij aangewend voor de financiering van zijn huidige woning, de betaling van advocaatkosten, achterstallige alimentatie en de herinrichting van zijn woning.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte slechts uitgaat van een inkomen uit vermogen van € 34,- per maand; aangezien er sprake is van een vermogen van de man van € 32.500,- dient uitgegaan te worden van een inkomen uit vermogen van € 97,- per maand.

Voorts stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van een fictief inkomen van de man op basis van een fulltime dienstverband, nu uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat de man thans niet in staat is om meer dan 20 uur te werken.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Inkomen uit vermogen

3.10.1.

Vaststaat dat de man in 2010 een nieuwe woning heeft gekocht. Gelet op de door de man ter zitting overgelegde brief van de Rabobank d.d. 9 augustus 2010, acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de man zijn toentertijd beschikbare middelen in belangrijke mate − ten minste tot een bedrag van € 27.774,- − voor de nieuw aangekochte woning heeft benut. Het hof acht voorts aannemelijk dat de man een deel van zijn (na aankoop van de woning) resterend vermogen heeft aangewend voor advocaatkosten en kosten van herinrichting. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking rekening gehouden met een na voornoemde kosten resterend vermogen van € 16.500,-. In het licht van het beperkte inkomen van de man acht het hof evenwel aannemelijk dat de man per voornoemde ingangsdatum, aldus 5 jaar na dato, geen relevant vermogen meer heeft waaruit hij inkomen kan halen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking het feit dat de man in mei 2015 opnieuw vader is geworden, hetgeen − ook in de aanloop daar naartoe − extra kosten met zich brengt. De op zijn draagkracht betrekking hebbende grief van de man slaagt en daarmee faalt de incidentele grief 2 van de vrouw voor zover die betrekking heeft op het inkomen uit vermogen.

Fictief inkomen

3.10.2.

Naar het oordeel van het hof heeft de man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij Stichting Breed in WSW-verband werkt voor 20 uur per week. Gelet op de inhoud en strekking van de door de man overgelegde rapportage deskundigenonderzoek door psycholoog d.d 7 januari 2013 alsook op het verhandelde ter zitting acht het hof voorts aannemelijk dat niet te verwachten is dat de man zijn parttime dienstverband zou kunnen uitbreiden. Het hof ziet derhalve geen aanleiding uit te gaan van een fictief inkomen op basis van een fulltime dienstverband.

3.10.3.

Gelet op het voorgaande houdt het hof evenals de rechtbank rekening met een inkomen gebaseerd op 20 uur werk, welk inkomen eventueel aangevuld zal worden met een aanvullende bijstandsuitkering, hetgeen er naar het oordeel van het hof toe leidt dat de man met € 25,- per maand kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De grieven van de vrouw ter zake de draagkracht van de man en de vastgestelde bijdragen slagen aldus niet.

3.11.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van

23 februari 2015;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 29 juni 2011 van de rechtbank Roermond;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van € 25,- per maand met ingang van 1 maart 2015, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, C.D.M. Lamers en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.