Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:649

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.166.357_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 BW geldt ook voor klachten over de herstelwerkzaamheden die naar aanleiding van een eerdere klacht zijn uitgevoerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/528
NJF 2016/184
RN 2016/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.357/01

arrest van 23 februari 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

2 [appellante 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,

tegen

Monumentenbeheer [vestigingsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Monumentenbeheer,

advocaat: mr. J.J. Jacobse te Middelburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 april 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaak-/rolnummer 3053971/14-3092 gewezen vonnis van 8 oktober 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 28 april 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 juni 2015;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

[appellanten c.s.] hebben geen grieven gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Ook het hof gaat uit van deze feiten, die niet zijn betwist. Voorts staan nog enkele andere feiten als onbetwist tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. a) Bij overeenkomst van 18 december 2002 hebben [appellanten c.s.] van Monumentenbeheer gekocht de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is op 11 maart 2003 aan [appellanten c.s.] geleverd.

b) Voorafgaand aan de levering is de woning in opdracht en voor rekening van Monumentenbeheer gerenoveerd.

c) De renovatie en de verkoop van de woning maakte onderdeel uit van een groter project, waarin ook de naast de woning gelegen panden [pand 1] en [pand 2] door Monumentenbeheer zijn gerenoveerd en verkocht aan derden.

d) Na de levering van de woning aan [appellanten c.s.] zijn er in de periode 2003/2004 in opdracht en voor rekening van Monumentenbeheer herstelwerkzaamheden verricht aan de woning, nadat [appellanten c.s.] omtrent gebreken hadden geklaagd. Vervolgens hebben [appellanten c.s.] bij brief van 18 april 2004 (prod. 10 cvr) aan Monumentenbeheer medegedeeld welke werkzaamheden volgens hen nog moesten worden uitgevoerd. Daarna heeft Monumentenbeheer in 2005 en 2006 (onder meer) werkzaamheden laten verrichten aan de achtergevel van de woning.

e) In hun brief van 3 maart 2009 (prod. 3 inl. dagv) aan Monumentenbeheer schrijven [appellanten c.s.] onder meer het volgende:

“Op 11 maart 2003 heeft de BV Monumentenbeheer [vestigingsnaam] bovengenoemd monumentenpand in eigendom overgedragen aan mijn echtgenote en mij. Al snel na onze intrek in het pand bleek, dat er tal van bouwkundige gebreken waren aan het pand, waarvan ik melding heb gemaakt bij het ingenieursbureau van de gemeente Middelburg, de instantie die zich in praktische zin met de restauratie heeft beziggehouden. (…)

Wel is de klacht over blijvende scheuren in de achtergevel behandeld: (…)

Inmiddels, bijna zes jaar verder, blijken er steeds meer problemen aan pleisterwerk, voegwerk, lood- en zinkwerken, nokvorsten en rottend houtwerk aan dakkapellen, kozijnen en dakbeschot. (…) Bij beide buurhuizen, [pand 1] en [pand 2] (zelfde restauratieproject) blijken zich overigens soortgelijke problemen voor te doen.

Ik verzoek u vriendelijk mij omgaand een bericht van ontvangst van deze brief te doen toezenden en ik verzoek u tevens nog deze maand een afspraak met mij te willen maken om op locatie een plan van herstel te bespreken en vast te stellen.”

f) Bij brief van 13 juli 2009 (prod. 5 inl. dagv) van (de advocaat van) Monumentenbeheer aan [appellanten c.s.] , heeft Monumentenbeheer zich op het standpunt gesteld dat zij niet aansprakelijk is voor de door [appellanten c.s.] in hun brief van 3 maart 2009 opgesomde gebreken aan de woning en dat zij om die reden niet zal overgaan tot (vergoeding van) het herstel van de bedoelde gebreken aan de woning.

g) [appellanten c.s.] hebben Monumentenbeheer bij brief van 26 januari 2012 van hun advocaat (prod. 7 inl. dagv) aansprakelijk gesteld voor in 2010 gemaakte herstelkosten met betrekking tot de woning.

6.2.1.

In onderhavige procedure hebben [appellanten c.s.] in eerste aanleg - verkort weergegeven - gevorderd om Monumentenbeheer te veroordelen om aan [appellanten c.s.] een bedrag te betalen van € 20.664,32 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.244,04 vanaf 9 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

6.2.2.

Aan die vordering hebben [appellanten c.s.] ten grondslag gelegd dat de woning die zij op 18 december 2002 van Monumentenbeheer hebben gekocht niet aan de overeenkomst beantwoordde door de aanwezigheid van diverse gebreken die na de levering van de woning aan het licht kwamen, zodat Monumentenbeheer verplicht is om de schade te vergoeden die [appellanten c.s.] daardoor hebben geleden. De schade die [appellanten c.s.] hebben geleden in verband met het herstel van die gebreken bedraagt volgens hen € 20.244,04.

6.2.3.

Monumentenbeheer heeft de vordering van [appellanten c.s.] gemotiveerd betwist. Het hof zal hierna, voor zover van belang voor de bespreking van de grieven, nader ingaan op dit verweer.

6.2.4.

In het eindvonnis van 8 oktober 2014 heeft de kantonrechter [appellanten c.s.] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering, omdat deze naar het oordeel van de kantonrechter inmiddels op grond van artikel 7:23 lid 2 BW is verjaard.

6.3

[appellanten c.s.] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog toewijzen van hun vordering.

6.4.1.

De grieven richten zich allen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [appellanten c.s.] is verjaard en lenen zich om die reden voor een gezamenlijke behandeling.

6.4.2.

Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW dienden [appellanten c.s.] binnen bekwame tijd na de ontdekking van de gebreken aan de woning hiervan kennis te geven aan Monumentenbeheer. [appellanten c.s.] hebben onder meer in hun brief van 3 maart 2009 geklaagd over gebreken aan de woning. De rechtsvordering tot vergoeding van de schade, zoals in casu aan de orde, verjaart op grond van artikel 7:23 lid 2 BW vervolgens twee jaar na het doen van die kennisgeving. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat [appellanten c.s.] met hun brief van 3 maart 2009 tijdig zouden hebben geklaagd over alle daarin genoemde gebreken aan de woning (Monumentenbeheer heeft dit betwist), dan verjaarden alle rechtsvorderingen die in verband met die gebreken jegens Monumentenbeheer hadden kunnen worden ingesteld in beginsel - indien er niet voorafgaand aan het aflopen van die verjaringstermijn een geldige stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden - twee jaar na ontvangst door de verkoper van die kennisgeving.

6.4.3.

Het betoog van [appellanten c.s.] , zoals verwoord in hun toelichting op de eerste grief, dat op de vordering de algemene verjaringstermijn van vijf jaren uit hoofde van artikel 3:310 BW van toepassing is, omdat hun vordering niet is gebaseerd op non-conformiteit van de geleverde zaak maar op het niet volledig uitvoeren van herstelwerkzaamheden die nog moeten worden voltooid, kan niet worden gevolgd.

Indien ten aanzien van bepaalde gebreken in het geheel geen herstelwerkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden, zoals [appellanten c.s.] in hun memorie van grieven lijken te stellen, dan is hun vordering in zoverre nog steeds gegrond op non-conformiteit. Voor zover [appellanten c.s.] zouden hebben bedoeld te stellen dat bepaalde herstelwerkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd, dan geldt het volgende. Indien een verkoper, nadat is gebleken dat de geleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:21 lid 1 onder b. BW het gebrek herstelt, dan is ten aanzien van die herstelwerkzaamheden eveneens afdeling 4 van titel 1 van boek 7 BW van toepassing, zodat ook voor die herstelwerkzaamheden de verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 geldt. Deze bepaling is immers van toepassing op alle gevallen dat de feitelijke grondslag voor de vordering is terug te voeren op non-conformiteit in de levering (zie HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2582) zodat de algemene regeling van artikel 3:311 lid 1 BW (herstel van tekortkoming) toepassing mist. Grief I faalt derhalve.

6.4.4.

In hun toelichting op de tweede grief hebben [appellanten c.s.] gesteld dat na het verzenden van de brief van 3 maart 2009 de verjaring van de vordering ex artikel 7:23 lid 2 BW tijdig is gestuit, omdat de eigenaren van het naburige pand [pand 2] op grond van dezelfde klachten en op basis van een bouwkundig rapport dat was opgemaakt voor drie panden (waaronder dat van [appellanten c.s.] ) op 4 maart 2011 een procedure zijn begonnen tegen Monumentenbeheer. Deze procedure is op 20 oktober 2011 met een schikking geëindigd. Vervolgens hebben [appellanten c.s.] binnen 6 maanden na afloop van die procedure op 26 januari 2012 een sommatie verzonden aan Monumentenbeheer.

Ook deze grief faalt, waartoe het volgende geldt. Uit hetgeen [appellanten c.s.] in hun toelichting op deze grief hebben gesteld, volgt dat de eigenaren van het naburige pand [pand 2] met betrekking tot die woning soortgelijke klachten hadden als [appellanten c.s.] en dat zij op grond van die klachten een gerechtelijke procedure zijn begonnen tegen Monumentenbeheer. Die procedure strekte derhalve tot het instellen van een zelfstandige rechtsvordering die de buren van [appellanten c.s.] hadden tegen Monumentenbeheer in hun hoedanigheid van kopers van het pand [pand 2] en in verband met gebreken aan het pand [pand 2] . Het entameren van de procedure in verband met die rechtsvordering had dan ook geen stuitende werking ten aanzien van de zelfstandige rechtsvordering die [appellanten c.s.] (stellen te) hebben jegens Monumentenbeheer ten aanzien van de klachten aan hun woning gelegen aan de [adres] . De vordering van [appellanten c.s.] of de door hen ondervonden klachten worden immers in de door [appellanten c.s.] overgelegde stukken van laatstgenoemde procedure immers in het geheel niet genoemd.

6.4.5.

De derde grief, waarin [appellanten c.s.] hebben betoogd dat het beroep op verjaring door Monumentenbeheer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt eveneens. Uitgangspunt is dat een beroep op verjaring slechts onder uitzonderlijke omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan komen (vgl. Hoge Raad

5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2866). De door [appellanten c.s.] gestelde omstandigheden, te weten dat Monumentenbeheer de gebreken aanvankelijk slechts gedeeltelijk had hersteld, dat zij de herstelwerkzaamheden (die hebben geduurd van 2003 tot 2006) niet voortvarend ter hand heeft genomen en dat de eigenaren van het pand [pand 2] omtrent soortgelijke feiten hebben geklaagd zodat Monumentenbeheer voldoende informatie had om zich te kunnen verweren tegen de vordering van [appellanten c.s.] , zijn afzonderlijk noch in hun onderlinge samenhang als zodanig uitzonderlijke omstandigheden te beschouwen.

6.5.

Uit het bovenstaande volgt dat alle drie de grieven ten onrechte zijn voorgedragen en niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter hierna bekrachtigen.

6.6.

[appellanten c.s.] zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure in appel. Deze proceskostenveroordeling zal overeenkomstig het door Monumentenbeheer gedane verzoek uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 8 oktober 2014;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Monumentenbeheer op € 1.937,00 aan griffierecht en op € 2.316,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor., D.A.E.M. Hulskes en J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari 2016.

griffier rolraadsheer