Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.156.275_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgplicht beveiligingsbedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/525
NTHR 2016, afl. 4, p. 228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.156.275/01

arrest van 23 februari 2016

in de zaak van

[beveiliging] Beveiliging B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. V.G.G. Veldhuis te Roosendaal,

tegen

Tuincentrum [tuincentrum] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.P.H.M. Aarts te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 juli 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 22 januari 2014 en 25 juni 2014, door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland -West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2216403/13-3164)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Als niet voldoende betwist kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] drijft onder de naam Intratuin een tuincentrum aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Haar directeur is de heer [directeur van tuincentrum] .

3.1.2.

[appellante] , waarvan de heer [middelijk bestuurder] (middellijk) bestuurder is, drijft een beveiligingsbedrijf.

3.1.3.

Op 26 juni 2008 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen (productie 1 bij inleidende dagvaarding) kort gezegd inhoudende dat [appellante] zorg draagt voor controlerondes en alarmopvolging voor het bedrijfspand van [geïntimeerde] en voor de afwerking van incidenten. Controlerondes en alarmopvolging door [appellante] vinden plaats doordeweeks tussen 18.00 uur en 08.00 uur en in het weekend tussen vrijdag 18.00 uur en maandag 08.00 uur. Bij feestdagen gebeurt dit 24 uur per dag. Er worden door [appellante] twee à drie controlerondes per nacht gemaakt, waarvan één ronde om het hele pand wordt gelopen. Eenmaal per week worden deuren, hekwerk en materialen buiten gecontroleerd door [appellante] .

[geïntimeerde] betaalt hiervoor € 243,32 per maand aan [appellante] en € 35,- voor alarmopvolging tot één uur. Na een uur wordt € 12,50 per twintig minuten vergoed. Voormelde bedragen zijn exclusief BTW.

Ingangsdatum van het contract is 1 juli 2008 en kent een looptijd van één jaar, welke automatisch voor één jaar wordt verlengd indien de overeenkomst niet wordt opgezegd.

Op de overeenkomst zijn van toepassing de “Algemene voorwaarden voor verrichten van diensten door [appellante] Beveiliging [vestigingsnaam] ” (productie 1 bij inleidende dagvaarding, hierna: de algemene voorwaarden). De algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel in Middelburg en zijn aan [geïntimeerde] verstrekt bij de totstandkoming van de overeenkomst.

3.1.4.

In de algemene voorwaarden wordt alarmopvolging gedefinieerd als het doorgeven van de door de meldkamer ontvangen alarmmeldingen aan de door de opdrachtgever aangegeven personen en/of instanties en, indien overeengekomen, het op verzoek van opdrachtgever ter plaatse instellen van een onderzoek naar de oorzaak van een alarmmelding.

In 2.2.1.1. van de algemene voorwaarden wordt vermeld dat de verbintenis van [appellante] een inspanningsverplichting is, waarbij [appellante] de specifieke eisen van vakmanschap die de dienstverlening met zich brengt in acht zal nemen en dat alle eisen die door de opdrachtgever aan diensten worden gesteld, met [appellante] nadrukkelijk moeten zijn overeengekomen.

De algemene voorwaarden bepalen in 2.12.1.1. dat [appellante] uitsluitend aansprakelijk is voor directe schade als gevolg van - door opdrachtgever aan te tonen - grove schuld of opzet van [appellante] bij de uitvoering van haar verplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Voorts wordt in dit artikel bepaald dat [appellante] niet aansprakelijk is voor bedrijfs- en gevolgschade, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan geleden verlies en gederfde winst.

3.1.5.

Op 2 augustus 2010 is omstreeks 1:27 uur door een medewerker van de SMC-meldkamer geconstateerd dat de verbinding tussen het alarmsysteem en de alarmcentrale was uitgevallen. Uit het door de meldkamer opgemaakte rapport (productie 3 inleidende dagvaarding) blijkt dat de meldkamer om 1:32 uur [appellante] heeft gebeld, dat [appellante] verdere aktie neemt, dat om 2.07 uur de bewaking belde voor de status, dat zij zelf al “wa” (hof: het waarschuwingsadres, zijnde de heer [directeur van tuincentrum] voornoemd) hebben gebeld en dat er extra rondes worden gereden. Voorts blijkt uit het rapport dat om 3.55 uur een test wordt uitgevoerd. Tenslotte wordt in het rapport opgemerkt dat om 9.49 uur is afgemeld met de vermelding “technische oorzaak.”

3.1.6.

Uit het rapport van [beveiligingsmedewerker] , destijds beveiligingsmedewerker van [appellante] , van

2 augustus 2010 (het eerste stuk van productie 1 bij conclusie van antwoord) blijkt dat hij ter zake Intratuin omstreeks 1.35 uur melding van een lijnfout (hof: het ontbreken van verbinding tussen alarminstallatie en meldkamer) kreeg van een collega die contact had gehad met het waarschuwingsadres. Als de lijn niet door komt krijgt het pand extra aandacht, zo merkt [beveiligingsmedewerker] vervolgens op in zijn rapport.

Voorts blijkt uit het rapport van [beveiligingsmedewerker] dat hij om 2.00 uur ter plaatse was, dat hij eerst een externe ronde om het pand heeft gelopen, dat hij hierbij geen bijzonderheden heeft waargenomen, dat hij het pand binnen is gegaan, dat het systeem toen nog op scherp stond, dat hij een proefalarm heeft gemaakt, dat er geen groepen of meldingen in het systeem stonden, dat hij, [beveiligingsmedewerker] , de meldkamer heeft gebeld, dat de meldkamer geen melding kreeg, dat hij, omdat het systeem alleen zijn, [beveiligingsmedewerker] ’ melding aangaf en verder geen andere zones, geen binnenronde heeft gelopen en dat hij bij vertrek het systeem weer op scherp heeft gezet.

3.1.7.

Twee inbrekers zijn op 2 augustus 2010 omstreeks 1.30 uur het pand binnengekomen en hebben dit omstreeks 6.00 uur weer verlaten.

3.1.8.

Uit het proces-verbaal van aangifte van 2 augustus 2010, gedaan door de heer [directeur van tuincentrum] , blijkt dat omstreeks 7.30 uur de inbraak is ontdekt, dat men via het dak is binnengekomen en dat de telefoon- en datakabels zijn doorgeknipt. Het opsporingsonderzoek heeft niets opgeleverd.

3.1.9.

De door de inbrekers aangerichte schade beliep € 32.437,81, waarvan de verzekeraar van [geïntimeerde] € 25.466,04 heeft vergoed. De eigen risico’s tot een totaalbedrag van € 6.971,77 werden niet vergoed.

3.1.10.

Op 27 september 2010 heeft [geïntimeerde] [appellante] aansprakelijk gesteld voor het niet vergoede deel van de schade.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] veroordeling tot betaling door [appellante] van € 6.971,77, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, primair ten grondslag gelegd dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tot opdracht zodat [appellante] gehouden is de schade die [geïntimeerde] daardoor lijdt te vergoeden. Subsidiair grondt zij haar vordering op de stelling dat [appellante] als opdrachtnemer haar zorgplicht heeft geschonden door niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen.

3.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 22 januari 2014 heeft de rechtbank [appellante] opgedragen te bewijzen dat een medewerker van [geïntimeerde] in de nacht van 1 op 2 augustus 2010 aan [beveiligingsmedewerker] heeft opgedragen om extra rondes te rijden.

3.3.2.

In het eindvonnis van 25 juni 2014 heeft de rechtbank [appellante] niet in de bewijslevering geslaagd geacht en haar veroordeeld tot betaling van € 6.971,77, te vermeerderen met “de wettelijke rente” en tot betaling van € 723,59 aan buitengerechtelijke werkzaamheden, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep dertien grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3.5.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en tot veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep.

3.6.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.7.

[appellante] dient als beveiligingsbedrijf de werkzaamheden te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (artikel 7:401 BW). De vraag of gehandeld is als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

Verwijt.

3.8.

[geïntimeerde] verwijt [appellante] (zie inleidende dagvaarding nr. 16.) onder meer dat [beveiligingsmedewerker] de gevolgen van een lijnfout kende, dat hij derhalve wist dat het tuincentrum feitelijk onbeveiligd was als gevolg van de lijnfout, dat [beveiligingsmedewerker] wist of had behoren te weten dat een lijnfout opzettelijk veroorzaakt kan worden door inbrekers en dat een lijnfout juist een teken kan zijn dat een inbraak is begonnen, dat [beveiligingsmedewerker] daarom had moeten onderzoeken of er sprake was van (voorbereiding tot) inbraak, dat hij een ronde binnen het pand had moeten doen op zoek naar braaksporen en dat hij de kabels van de alarminstallatie had moeten nalopen om te zien of er een kabel was doorgeknipt, dat het lopen van een binnenronde in een dergelijk geval kennelijk wel een gebruikelijke werkwijze is van [appellante] en dat onduidelijk is waarom [beveiligingsmedewerker] dat heeft nagelaten.

Lijnfout.

3.9.

Uit de getuigenverklaring van [beveiligingsmedewerker] afgelegd ten overstaan van de kantonrechter in eerste aanleg als uit het in 3.1.6 genoemde rapport blijkt dat hij wist dat er sprake was van een lijnfout en dat er dus geen verbinding tussen de alarminstallatie in het tuincentrum en de meldkamer was. Voorts blijkt uit de verklaring van [beveiligingsmedewerker] dat hij ter plaatse heeft geconstateerd dat er inderdaad en nog steeds sprake was van een lijnfout. Volgens zijn rapport kreeg [beveiligingsmedewerker] het bericht van de lijnfout van een collega omstreeks 1.35 uur en was hij om 2.00 uur ter plaatse. Het tuincentrum is dus in die tussentijd van 25 minuten verminderd beveiligd geweest, namelijk slechts met geluid- en lichtalarm.

Binnenronde niet uitgevoerd.

3.10.

[beveiligingsmedewerker] verklaarde als getuige voorts dat hij ter plaatse aangekomen, eerst een ronde buiten heeft gemaakt rondom de gebouwen van het tuincentrum en dat hij daarbij geen sporen van inbraak heeft gezien. Uit voorgaande verklaring van [beveiligingsmedewerker] maakt het hof op dat de melding van de lijnfout er wat [beveiligingsmedewerker] betreft op zou kunnen wijzen dat er was ingebroken. [appellante] heeft overigens niet (voldoende) betwist dat een lijnfout kan duiden op (voorbereiding van) een inbraak.

Wetende dat het pand 25 minuten minder beveiligd was geweest, wetende dat hij geen sporen van inbraak aan de buitenzijde had geconstateerd, wetende dat toen hij ter plaatse was er nog steeds sprake was van een lijnfout en wetende dat een lijnfout er op kan wijzen dat er was ingebroken, heeft [beveiligingsmedewerker] er van afgezien om in het pand een onderzoek naar een mogelijke inbraak en naar de oorzaak van de lijnfout in te stellen. Dit besluit om af te zien van een binnenronde heeft [beveiligingsmedewerker] welbewust genomen, zo blijkt uit zijn rapport. [beveiligingsmedewerker] heeft namelijk zo’n onderzoek binnen in het pand achterwege gelaten omdat hij had geconstateerd dat het alarmsysteem in het tuincentrum alleen het door hem, [beveiligingsmedewerker] , veroorzaakte alarm had geregistreerd en dat er verder geen meldingen in het systeem te zien waren. Echter met deze constatering was de oorzaak van de lijnfout niet gevonden of verklaard, zodat die constatering ongenoegzaam was om af te zien van een inspectie(ronde) in het pand.

Hierbij komt dat [geïntimeerde] heeft gesteld (inleidende dagvaarding nr. 16.) dat het lopen van een binnenronde na een lijnfout gebruikelijk is. [appellante] heeft dit niet (voldoende) betwist, zodat dit vaststaat. [appellante] heeft namelijk slechts aangevoerd dat er geen aanleiding was om de alarmkabels na te lopen (conclusie van antwoord nr. 14.). Bovendien heeft [middelijk bestuurder] als getuige ten overstaan van de kantonrechter verklaard dat hij met [beveiligingsmedewerker] gesproken heeft kort na het voorval en dat vooral de vraag was waarom hij geen binnenronde had gelopen. Hieruit maakt het hof de gevolgtrekking dat ook [appellante] vond dat die binnenronde gelopen had moeten worden. Het enkele feit dat, zoals [appellante] stelt, een lijnfout met betrekking tot het tuincentrum vaker is voorgekomen, doet aan haar voormelde zorgplicht niets af.

Geen volledige informatieverstrekking door [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] .

3.11.

[beveiligingsmedewerker] heeft verder verklaard dat hij heeft gebeld naar de heer [directeur van tuincentrum] en dat hij hem de situatie heeft uitgelegd. Uit zijn verklaring blijkt echter niet dat [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] heeft verteld dat hij geen binnenronde had gemaakt. [appellante] heeft ook niet gesteld dat [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] heeft medegedeeld dat [beveiligingsmedewerker] had afgezien van een inspectie in het pand. [appellante] heeft slechts gesteld dat [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] heeft medegedeeld dat de alarminstallatie wel functioneerde maar dat er geen doormelding naar de meldkamer plaatsvond (conclusie van dupliek nr. 3. tweede alinea). Op grond van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] heeft medegedeeld dat hij het tuincentrum niet binnen had geïnspecteerd. [directeur van tuincentrum] is dus niet volledig geïnformeerd door [beveiligingsmedewerker] toen hij, [directeur van tuincentrum] , volgens de verklaring van [beveiligingsmedewerker] , opdracht aan [beveiligingsmedewerker] gaf extra aandacht te geven aan het pand en niet te zeggen dat hij, [beveiligingsmedewerker] , ter plaatse moest blijven. Bovendien merkt het hof op dat –anders dan waarvan [appellante] uitgaat- uit de getuigenverklaring van [beveiligingsmedewerker] niet blijkt dat [directeur van tuincentrum] aan [beveiligingsmedewerker] heeft medegedeeld dat hij zijn dienst kon vervolgen. Het hof begrijpt de verklaring aldus, dat het een conclusie van [beveiligingsmedewerker] was dat hij zijn dienst kon vervolgen.

De stelling van [appellante] (memorie van grieven nr. 47.), dat [directeur van tuincentrum] wist wat het gevolg was van zijn opdracht aan [beveiligingsmedewerker] dat hij zijn dienst kon vervolgen en dat [directeur van tuincentrum] welbewust toestemming heeft gegeven om het pand te verlaten en af te zien van permanente bewaking, wordt op voormelde grond verworpen.

Niet doorvragen van [beveiligingsmedewerker] naar bedoeling [directeur van tuincentrum] .

3.12.

[beveiligingsmedewerker] heeft als getuige ook nog verklaard dat [directeur van tuincentrum] tegen hem heeft gezegd dat hij extra aandacht aan het pand moest geven, dat volgens hem, [beveiligingsmedewerker] , onder extra aandacht moet worden verstaan dat men dan meer aanwezig moet zijn maar dat men dat op veel manieren kan opvatten. Uit de verklaring van [beveiligingsmedewerker] blijkt niet dat hij heeft doorgevraagd om te achterhalen wat [directeur van tuincentrum] precies bedoelde met “extra aandacht.” Hiertoe was [beveiligingsmedewerker] , die van mening was dat de opdracht om extra aandacht te geven aan het pand op veel manieren kon worden opgevat, die wist van de nog steeds bestaande lijnfout waarvan voor hem de oorzaak niet duidelijk was en die had afgezien van een binnenronde, als redelijk handelend beveiliger wel gehouden. Het oordeel van de kantonrechter in het vonnis van 25 juni 2014 onder 4., dat [beveiligingsmedewerker] aan [directeur van tuincentrum] had moeten vragen wat hij precies bedoelde met de woorden “extra aandacht geven” is derhalve terecht.

Geen toereikende maatregelen.

3.13.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 22 januari 2014 in 3.5. overwogen dat uit de aard van de beveiligingsovereenkomst voortvloeit dat in geval van een lijnfout toereikende extra maatregelen worden getroffen. Dit oordeel is door [appellante] - terecht - niet bestreden. Door zijn vertrek heeft [beveiligingsmedewerker] het tuincentrum feitelijk onbeveiligd achtergelaten. Immers, [beveiligingsmedewerker] wist dat de lijnfout niet hersteld was, hij wist niet wat de oorzaak van de lijnfout was en hij wist dat hij geen binnenronde had uitgevoerd. Na het vertrek van [beveiligingsmedewerker] beschikte het pand voor haar beveiliging alleen nog over geluid- en lichtsignalen, welke bij inwerkingtreding door een derde zouden moeten worden opgemerkt. Over de kans dat, gezien de ligging van het tuincentrum in het buitengebied, geluid- en lichtsignalen in geval van een incident tijdig zouden worden opgemerkt heeft [appellante] niets gesteld, zodat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat het geluid- en lichtalarm effectieve bescherming gaf tegen inbraak. Een zorgvuldig beveiliger had onder voormelde omstandigheden het pand alleen dan kunnen verlaten dan na uitdrukkelijke toestemming van de opdrachtgever die volledig geïnformeerd was over de veiligheidssituatie en het daaruit voortvloeiende risico van inbraak. [appellante] heeft niet gesteld dat hieraan was voldaan.

Geen eigen schuld [geïntimeerde] .

3.14.

[appellante] heeft nog aangevoerd (memorie van grieven nr. 7., 9. en 17.) dat [beveiligingsmedewerker] geen eerder alarm heeft geconstateerd op het systeem, hetgeen betekent dat de inbrekers kennelijk in staat zijn geweest om zonder het alarmsysteem te activeren, het systeem hebben gesaboteerd, althans dat de zone-indeling van het systeem niet klopte waardoor er geen juiste detectie plaatsvond. [appellante] benoemt dit als een fout van het installatiebedrijf en niet van haar en dat [geïntimeerde] hiervoor verantwoordelijk is.

Het voorgaande neemt echter in het geheel niet weg dat [beveiligingsmedewerker] , wetende van de lijnfout en niet wetende wat daarvan de oorzaak was, onvoldoende reden had om af te zien van een binnenronde, zoals hiervoor overwogen.

Bewijsaanbod.

3.15.

Het door [appellante] gedane bewijsaanbod is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Grovelijke schending zorgplicht.

3.16.

Gelet op al het voorgaande heeft [appellante] haar zorgplicht geschonden en heeft zij niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend beveiliger betaamt. Het handelen van [appellante] ’s werknemer [beveiligingsmedewerker] wordt als zodanig laakbaar beoordeeld, dat geconcludeerd wordt dat er sprake was van aan opzet grenzende schuld. Dit levert grove schuld in de zin van de algemene voorwaarden van [appellante] op, zodat [appellante] aansprakelijk kan worden gehouden voor de directe schade. Niet is betwist dat de door de verzekering niet vergoede inbraakschade als directe schade moet worden beschouwd. De subsidiaire grond voor haar vordering is door [geïntimeerde] derhalve terecht voorgedragen. Bij dit oordeel gaat het hof veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de stelling van [appellante] , dat de actielijst geen onderdeel uitmaakt van hetgeen tussen partijen is overeengekomen.

Nu op de subsidiaire grondslag de vordering van [geïntimeerde] wordt toegewezen, behoeft op de primaire grond niet te worden beslist.

Voldoende substantiëring.

3.17.

[appellante] heeft nog naar voren gebracht dat [geïntimeerde] haar substantiëringsplicht heeft geschonden en zij verzoekt hiermee rekening te houden bij de beoordeling van de proceskostenvergoeding en de vaststelling van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit standpunt wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] haar vordering bij inleidende dagvaarding voldoende onderbouwd en het verweer van [appellante] voldoende weergegeven door de verweren van [appellante] kort aan te halen en door te verwijzen naar door de advocaat van [appellante] aan de raadsman van [geïntimeerde] geschreven brieven en door die brieven in het geding te brengen.

Slotsom.

3.18.

De grieven van [appellante] kunnen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot vernietiging leiden. De bestreden vonnissen zullen dan ook worden bekrachtigd. Daarbij tekent het hof aan dat de kantonrechter met “vermeerderd met de wettelijke rente” in het dictum van het vonnis van 25 juni 2014 kennelijk bedoeld heeft de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe te wijzen. Op een vordering tot schadevergoeding behoort immers niet de (door [appellante] gevorderde) handelsrente te worden toegewezen (HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70). Het hof zal het dictum dienovereenkomstig aanvullen.

Proceskosten hoger beroep.

3.19.

Het hof zal [appellante] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 704,- griffierecht en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (memorie van antwoord: 1 punt x tarief I: € 632,-) € 632,-. Het hof zal de nakosten begroten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden. De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, met dien verstande dat “vermeerderd met de wettelijke rente” in het dictum van het vonnis van 25 juni 2014 dient te worden gelezen als “vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 704,- aan griffierecht en op € 632,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.W. van Rijkom en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 februari 2016.

griffier rolraadsheer