Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:614

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
Wr 235-11-2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijzing naar ander hof afgewezen. Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Registratienummer: HD 200.170.322/02

Datum beslissing: 5 februari 2016

Beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

in de zaak met zaaknummer HD 200.170.322/01 (hierna: de hoofdzaak) van

[appellant] ,

gevestigd en kantoorhoudende te Kerkrade,

appellante,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. P.M.J. Graus,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.G.M. Daemen,

strekkende tot wraking van mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.P. de Haan, raadsheren in de afdeling civiel recht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1 Het procesverloop

1.1.

Op 16 oktober 2015 is ter griffie van het hof het door mr. Graus, mede namens verzoekster ingediende wrakingsverzoek ontvangen. Het wrakingsverzoek is gericht tegen de betrokken rolraadsheer en de betrokken zittingraadsheren. Uit ambtshalve onderzoek is de wrakingskamer gebleken dat de meervoudige kamer die op 16 oktober 2015 zitting zou houden in de hoofdzaak bestaat uit mr. Venhuizen (de betrokken rolraadsheer), mr. Stienissen en mr. De Haan, zodat de wrakingskamer begrijpt dat de wraking zich tegen deze drie raadsheren richt.

1.2.

Mrs. Venhuizen, Stienissen en De Haan hebben niet in de wraking berust. Mrs. Venhuizen en De Haan hebben ieder een schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reacties zijn op voorhand aan mr. Graus en aan mr. Daemen toegezonden.

1.3.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer gepland op woensdag 13 januari 2016, rekening houdend met de beschikbaarheid van mr. Graus. Mr. Graus had aan de wrakingskamer als verhinderdata ‘onder voorbehoud’ opgegeven:

- november 2015: volledig,

- december 2015: 01, 02, 03, 04, 07, 08, 10, 11, 14, 15, 16, 17, 18, 21 t/m 24, 28 t/m 31,

- januari 2016: 01, 04 t/m 08, 15, 22, 25.

1.4.

Op 5 januari 2016 heeft mr. Graus de wrakingskamer een e-mail gezonden met onder meer de navolgende inhoud:

“(…) Op woensdag 13 januari 2016 om 13.30 uur staan in drie verschillende zaken wrakingzittingen gepland. (…) Mr Graus wordt geconfronteerd met een medische ingreep en opname, waardoor hij minimaal de eerste helft van januari 2016 niet meer werkzaam kan zijn. (…) Mr Graus is de vaste advocaat van deze cliënten. Zij houden vast aan de vrije raadsmankeuze. (…) Bij voorbaat merken wij namens mr Graus op, dat hij (…) ook geen externe zaakwaarnemer bereid kan vinden, zouden de betreffende cliënten daar al toe bereid zijn geweest. Wilt u (…) aan ons de bereidheid tot medewerking aan verplaatsing van deze zittingen bevestigen?”

1.5.

Na desverzocht door mr. Graus in het bezit te zijn gesteld van een medische verklaring d.d. 31 december 2015 omtrent de aard en de duur van de ziekte van mr. Graus, inhoudende dat mr. Graus in verband met lichamelijke ziekte ‘voorlopig’ niet in staat is om te werken, heeft de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek verplaatst naar vrijdag 29 januari 2016 om 13:30 uur. Van deze verplaatsing zijn mr. Graus en mr. Daemen op 14 januari 2016 schriftelijk in kennis gesteld.

1.6.

Op 15 januari 2016 heeft de wrakingskamer een e-mail van mr. Graus ontvangen met onder meer de navolgende inhoud:

“Op advies en gezien de onderzoeken en ingreep die nog moeten volgen, zal mr Graus pas weer vanaf februari 2016 zijn zittingen kunnen hervatten.”

1.7.

Naar aanleiding van dit bericht heeft de wrakingskamer mr. Graus bij e-mail d.d. 19 januari 2016 het volgende laten weten:

“Naar aanleiding van onderstaand bericht wil de voorzitter van de wrakingskamer u verschillende opties geven voor de behandeling van de wrakingsverzoeken. Graag hoor ik of u beschikbaar bent op één van onderstaande data:

  • -

    Vrijdag 29 januari in de ochtend

  • -

    Maandag 1 februari

  • -

    Dinsdag 2 februari

  • -

    Donderdag 4 februari

  • -

    Vrijdag 5 februari

Wanneer u op geen van deze data beschikbaar bent, dan worden de wrakingsverzoeken behandeld op het eerder genoemde moment, namelijk vrijdag 29 januari om 13.30 uur.”

1.8.

Hierop heeft mr. Graus bij e-mail d.d. 19 januari 2016 de wrakingskamer onder meer het volgende laten weten:

“Pas als de artsen meer zicht hebben, kan duidelijkheid gegeven worden. Wij kunnen dus nu niet reageren op uw e-mail.”

1.9.

Vervolgens is van mr. Graus geen nieuwe datum voor de behandeling van het wrakingsverzoek ontvangen. Op 26 januari 2016 heeft de wrakingskamer mr. Graus dan ook bericht dat het wrakingsverzoek behandeld zal worden op vrijdag 29 januari 2016 om 13:30 uur, zoals reeds aangekondigd in de e-mail van de wrakingskamer van 19 januari 2016, laatste alinea.

1.10.

Bij e-mail d.d. 29 januari 2016, 07:43 uur heeft mr. Graus de wrakingskamer onder meer het volgende bericht:

“(…) Vanmiddag om 13.30 uur gaan kennelijk toch gewoon zaken door. (…) Ik ga niet eens meer over tot wraking van alle betrokken rechters, (…). Ik heb geen advocaat bereid kunnen vinden de behandeling van deze zaken over te nemen, noch is dit wat ik en mijn cliënten willen. (…) Ik en mijn cliënten zullen vanwege de genoegzaam kenbaar gemaakte feiten en omstandigheden niet aanwezig of vertegenwoordigd zijn vandaag. (…)”

1.11.

Na opening van het openbare onderzoek ter terechtzitting van de wrakingskamer op vrijdag 29 januari 2016 om 13:30 uur zijn verzoekster en geïntimeerde, noch hun advocaten verschenen. Mrs. Venhuizen, Stienissen en De Haan, die de wrakingskamer voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek hebben laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord, zijn evenmin verschenen. Niet gebleken is van een voorstel van mr. Graus voor de behandeling op een andere, concreet genoemde dag, zodat er geen vooruitzicht bestaat op een behandeling binnen afzienbare tijd. Daarop heeft de voorzitter van de wrakingskamer bepaald dat de wrakingskamer op 5 februari 2016 in het openbaar uitspraak zal doen en heeft de voorzitter het onderzoek gesloten.

2 Het verzoek tot wraking

2.1.

De wrakingskamer stelt allereerst vast dat uit de roladministratie van de civiele griffie van het hof het volgende is af te leiden (voor zover thans van belang):

Datum

Omschrijving procedurestap/aanvulling

Termijn

Uitkomst procedurestap/opmerking

26-05-2015

Introductie (Dagv)

1

Geïntroduceerd

26-05-2015

Procesvertegenwoordiger gesteld

1

Procesvertegenwoordiger gesteld/mr. J.G.M. Daemen stelt zich voor geint.

07-07-2015

Memorie van grieven/(…)

1

Memorie van grieven niet genomen/(…)

07-07-2015

Appellant opent incident

1

Appellant opent incident/(… houdende preliminair/primair rekest verwijzing ex art. 46 B WRO

21-07-2015

Incident antwoordconclusie geïntimeerde/(…)

1

Incident antwoordconclusie geïntimeerde genomen/

30-07-2015

Arrest in incident

1

geannuleerd/App. heeft pleidooi gevraagd in het incident

18-08-2015

Opgave verhinderdata partijen/door appellant (…)

1

Partijen data overgelegd/(…)

01-09-2015

Opgave verhinderdata partijen/nieuwe data dec 2015 t/m maart 2016

1

Partijen data overgelegd/

15-09-2015

Dagbepaling pleidooi/(in het incident)

1

Datum pleidooi bepaald/

16-10-2015

Pleidooi/te 10.30u

1

/ (…)

Opmerking bij zaak:

18-09-2015: uitstelverzoek ontv. v mr Graus (…) Verzoek afgewezen, geen klemmende reden aangevoerd (…)

De wrakingskamer is er ambtshalve mee bekend dat mr. Graus van deze beslissing bij brief van 22 september 2015 op de hoogte is gesteld.

Het pleidooi van 16 oktober 2016 is niet doorgegaan vanwege de wraking.

2.2.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de weigering van het hof om de behandeling van de hoofdzaak ter zitting d.d. 16 oktober 2015 aan te houden een grond voor wraking oplevert. Verzoekster heeft in dit verband aangevoerd – samengevat – :

- dat aan de vaststelling van de zitting een nogal ongebruikelijk en ongepast rolverloop is voorafgegaan;

- dat het hof door het verzoek van verzoekster om verplaatsing van de zitting af te wijzen verzoekster doelbewust heeft gefrustreerd in haar recht om ter zitting vertegenwoordigd door de raadsman van haar keuze aanwezig te kunnen zijn, zodat het hof kennelijk uit is op een zitting zonder verzoekster;

- dat het voor het hof niet uitmaakt wat verzoekster op die zitting nog te melden zou hebben, zodat het hof kennelijk uit is op het afwijzen en/of frustreren van het verwijzingsverzoek van verzoekster dat ter zitting behandeld zou worden waarbij het hof zelf voorwerp van beoordeling is;

- dat het hof zich aldus vooringenomen heeft getoond, althans de schijn daarvan heeft gewekt.

De wrakingskamer begrijpt de stellingen van verzoekster althans mr. Graus aldus dat zij/hij van mening is dat de vooringenomenheid van mr. Venhuizen die als rolraadsheer het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen tevens de vooringenomenheid van de behandelende meervoudige kamer, waarvan mr. Venhuizen deel uitmaakt, jegens verzoekster en/of mr. Graus meebrengt.

3 Het standpunt van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht

Mr. De Haan heeft in zijn schriftelijke reactie van 18 december 2015, samengevat, aangegeven dat hij niet betrokken is geweest bij de gewraakte beslissing.

Mr. Venhuizen heeft in zijn schriftelijke reactie van 26 januari 2016, samengevat, aangegeven dat hij als rolraadsheer het aanhoudingsverzoek van mr. Graus heeft afgewezen omdat er geen klemmende redenen voor aanhouding bestonden, dat de eisen van een goede procesorde ook een rol hebben gespeeld, dat het een rechterlijke beslissing betreft die desgewenst door de Hoge Raad op (on)juistheid kan worden getoest en dat bij het nemen van deze beslissing door mr. Venhuizen dezelfde criteria zijn toegepast als bij alle andere soortgelijke verzoeken.

4 De beoordeling

4.1.

Alvorens tot de inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek over te gaan, dient de wrakingskamer eerst te oordelen over het verzoek dat mr. Graus namens verzoekster heeft gedaan om de behandeling van het wrakingsverzoek te verwijzen naar een ander hof.

4.2.

Ingevolge artikel 62b WRO kan het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is. Het enkele feit dat het reglement van (bijvoorbeeld) het hof Den Haag ingeval van wraking (kennelijk) voorziet in verwijzing naar een ander hof, is daarvoor onvoldoende.

4.3.

Het verwijzingsverzoek van verzoekster/mr. Graus wordt dan ook afgewezen. De wrakingskamer is van oordeel dat er geen sprake is van enige betrokkenheid van de leden van de wrakingskamer bij de problemen die mr. Graus meent te ondervinden bij de vaststelling van een dag voor behandeling van zaken, die kan meebrengen dat behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek door een ander gerechtshof gewenst is. Het hof is integendeel van oordeel dat een verwijzing naar een ander hof niet is aangewezen, wat immers een grote vertraging met zich zal brengen nu de hoofdzaak al op 26 mei 2015 op de rol is geïntroduceerd zodat behandeling geen verder uitstel kan lijden. Daarmee komt de wrakingskamer toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek van verzoekster/mr. Graus.

4.4.

Op grond van artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.5.

Het wrakingsverzoek is ingegeven door de afwijzing door het hof, in casu de rolraadsheer, mr. Venhuizen, van het door verzoekster/mr. Graus gedane verzoek om uitstel van de op 16 oktober 2015 bepaalde zitting in de hoofdzaak. Die beslissing is bij brief d.d. 22 september 2015 aan mr. Graus bevestigd. De grond voor de wraking was derhalve reeds op of daags na laatstgenoemde datum bij (de advocaat van) verzoekster bekend.

Het wrakingsverzoek is evenwel eerst op 16 oktober 2015 schriftelijk ingediend, derhalve bijna vier weken later. Mr. Graus heeft er geen verklaring voor gegeven dat hij zo lang met de indiening van het wrakingsverzoek heeft gewacht.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet aan de eis van artikel 37 lid 1 Rv voldaan en is het verzoek om wraking te laat ingediend.

4.6.

Gezien het voorgaande zal verzoekster niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot wraking.

4.7.

De wrakingskamer constateert dat mr. Graus reeds eerder, bij beslissing van 29 november 2013, niet-ontvankelijk is verklaard in een verzoek tot wraking (registratienummer 202-24-2013). Ook dat verzoek was gestoeld op de weigering door het hof de zitting in de hoofdzaak aan te houden (een rechterlijke beslissing) en ook daar was met de indiening van het wrakingsverzoek gewacht tot de dag waarop de zitting in de hoofdzaak zou plaatsvinden, zulks kennelijk met het doel de zitting ondanks het geweigerde aanhoudingsverzoek geen doorgang te laten vinden. Tezamen met het feit dat de hoofdzaak, die reeds op 26 mei 2015 op de rol is geïntroduceerd, niet verder behandeld kan worden zolang niet is beslist op het door mr. Graus opgeworpen incident, leidt dit de wrakingskamer tot de conclusie dat verzoekster misbruik maakt van het wrakingsmiddel. Mr. Graus gebruikt ook hier het wrakingsmiddel voor een ander doel dan waarvoor het gegeven is, namelijk om aanhouding te verkrijgen. Derhalve zal op de voet van artikel 39 lid 4 Rv worden bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. Om dezelfde redenen zal in de wrakingszaak met registratienummer HD 200.171.430/02 heden een gelijkluidende beslissing worden gegeven.

5. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst af het verzoek tot verwijzing naar een ander hof;

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling wordt genomen;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, de advocaat van geïntimeerde in de hoofdzaak en de raadsheren mrs. Venhuizen, Stienissen en De Haan.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.M. Brandenburg, W.H.B. den Hartog Jager en J.C.A.M. Claassens en in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes als griffier in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2016.