Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5983

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
200.165.536_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4051
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 juli 2016

Zaaknummer: F 200.165.536/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/281587/ FA RK 14-3919

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats ] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Kalle,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats ] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. V.J.C. Pieters, thans mr. C. Hokken.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende in deze zaak is aangemerkt:

- Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de GI).

5 De tussenbeschikking van 8 oktober 2015

Het hof verwijst naar de beschikking van dit hof van 15 oktober 2015. Bij deze beschikking heeft het hof een ouderschapsonderzoek gelast en de verdere behandeling van de zaak in afwachting daarvan pro forma aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juni 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Kalle;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. C. Hokken;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

6.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het deskundigenrapport, ingekomen ter griffie op 23 februari 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 2 juni 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 2 juni 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 7 juni 2016.

6.3.

De moeder heeft haar verzoek in incidenteel appel omtrent de verdeling van de zorgregeling in de voorjaarsvakanties ingetrokken, zodat dit verzoek geen bespreking meer behoeft. Het geschil in onderhavige zaak ziet thans nog op de verdeling van de zorgregeling van de kinderen tijdens de zomervakanties en op het wisselmoment tijdens de feestdagen. Met betrekking tot de weergave van de standpunten van partijen, zal het hof zich in onderhavige beschikking beperken tot de processtukken en de voortgezette mondelinge behandeling.

6.4.

Uit het deskundigenrapport van mr. dr. B.E.S. Chin-A-Fat en mr. M.A. de Voort van 22 februari 2016 is gebleken dat het ouderschapsonderzoek heeft bestaan uit twee gesprekken met de ouders, die op zichzelf positief zijn verlopen. De moeder heeft op enig moment medegedeeld dat zij de lopende omgangsregeling niet langer wilde uitvoeren en vanaf dat moment heeft het onderzoek verder geen doorgang kunnen vinden en zijn de onderzoeksvragen als door het hof geformuleerd derhalve slechts marginaal beantwoord. Uit de rapportage blijkt dat de vader open staat voor contact met de moeder, doch dat dit andersom niet zal gelden zolang de moeder de vader blijft beschuldigen van mishandeling van de kinderen. De blijvend slechte verhouding tussen de ouders maakt de onderlinge communicatie en het uitvoering geven aan een omgangsregeling lastig. De deskundige stelt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouder, bij wie de kinderen woonachtig zijn, in staat moet zijn een goede uitvoering te geven aan de omgangsregeling van de kinderen met de andere ouder. Dit laatste lukt de moeder op dit moment niet.

6.5.

De vader voert in het beroepschrift, kort samengevat, het volgende aan. De vader stelt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden betreffende de bepaling dat het wisselmoment van de feestdagen, indien deze in het contactweekend dan wel aansluitend aan een contactweekend van de vader zou vallen, op maandagochtend zal zijn. Daarbij zijn partijen de maandagavond als wisselmoment overeengekomen in het kader van de procedure over de vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder met haar nieuwe partner naar [woonplaats van de moeder] . Dit geldt volgens de vader eveneens voor de voorjaarsvakantie; dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] carnaval willen vieren vindt de vader onvoldoende reden om de regeling te doorbreken. Daarbij stelt de vader dat hij ook met de kinderen naar carnaval gaat.

Verder stelt de vader dat het voor hem lastig is om in de vakanties vrij te nemen, zodat hij de door hem voorgestelde regeling in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] acht.

Ter zitting heeft de advocaat van de vader verklaard dat er sprake is van een patstelling. De kinderen zitten vast in de strijd tussen de ouders. De vader krijgt nagenoeg geen informatie over de kinderen. De vader wenst een wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen, nu hij dit ziet als enige oplossing voor de voortdurende impasse.

De grenzen van de rechtsstrijd in deze procedure zijn, zo realiseert de vader zich, helder en het hof heeft thans slechts te beslissen over een klein onderdeel van het probleem tussen partijen. Dat is voor de vader moeilijk te aanvaarden omdat er zoveel meer speelt dan twee kleine geschilpunten omtrent omgang.

6.6.

De moeder voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. De moeder kan zich vinden in het verzoek van de vader waarbij het wisselmoment na de feestdagen op maandagavond is indien deze dagen vallen in of aansluiten op het reguliere omgangsweekend van de vader. Wel vindt de moeder het in het belang van de kinderen dat zij om 17.00 uur weer thuis zijn.

Wat betreft de zomervakantie stelt de moeder dat zij graag ruim van tevoren haar zomervakantie plant en derhalve graag een duidelijke regeling wenst. Een regeling van twee weken vindt de moeder te kort, omdat zij vaak twee weken op vakantie gaat en de kinderen dan direct van het vakantieadres naar de andere ouder toe moeten. Daarbij is het voor de moeder financieel gezien niet haalbaar om meerdere wisselingen te hebben in de zomervakantie en vindt zij die wisselingen niet in het belang van de kinderen, omdat er nog steeds strijd voelbaar is tussen partijen. De moeder wil graag dat de kinderen vier weken aaneengesloten bij haar verblijven tijdens de zomervakantie en twee weken bij de vader, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] de afgelopen zomervakantie niet goed verzorgd zijn en de kinderen de vader nauwelijks hebben gezien, omdat hij aan het werk was.

De moeder stelt voorts dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] graag carnaval willen vieren in hun omgeving, zodat de moeder graag wil dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de voorjaarsvakantie dan wel de eerste helft van de voorjaarsvakantie bij haar verblijven. De moeder stelt dat zij dit ten tijde van de onderhandelingen in het kader van de verhuizing naar [woonplaats van de moeder] niet had kunnen overzien en dus dat de destijds overeengekomen regeling dient te worden gewijzigd.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat de moeder het gevoel heeft overal de schuld van te krijgen. De moeder heeft vanwege zorgen over de kinderen de omgang stopgezet en er zijn nog steeds zorgen omtrent mogelijke mishandeling van de kinderen. Zodra de moeder actie onderneemt en naar aanleiding van gekregen advies hieromtrent met de kinderen naar een professionele arts gaat, krijgt zij het verwijt dat dit te belastend is voor de kinderen. De moeder voelt zich met de rug tegen de muur gezet. De kinderen willen absoluut niet naar de vader, maar de moeder werkt nu wel mee en zij laat de kinderen tevens bellen naar de vader op woensdag.

De moeder geeft aan de zomervakantie 2016 reeds geboekt te hebben voor de laatste drie weken.

6.7.

De GI heeft ter zitting en bij brief aan het hof, kort samengevat, het volgende verklaard. De jarenlange strijd tussen de ouders duurt helaas voort en de kinderen worden hiermee steeds meer belast. De GI zou wensen dat het hof een fundamenteel en duurzaam besluit neemt voor de kinderen. De GI is van mening dat de vader meer in staat is om de moeder een positieve positie in het leven van de kinderen te geven dan andersom.

De kinderen zitten knel tussen de ouderstrijd. De moeder legt het verklaarbare gedrag dat de kinderen laten zien tijdens afscheidsmomenten anders uit en heeft zorgen over de kinderen die de GI niet deelt.

6.8.

De raad heeft ter zitting het volgende verklaard. Het gedrag dat de kinderen vertonen bij de overdracht is logisch gedrag binnen een complexe omgangssituatie als deze.

Er is sprake van een toename van de zorg over de kinderen. De strijd tussen de ouders die voortduurt is zeer belastend voor de kinderen. Een verbetering van de onderlinge communicatie is op dit moment geen optie. De raad acht het in het belang van de kinderen dat zij wonen bij de ouder die hen het beste kan ondersteunen.

7 De beoordeling

7.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande en een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

7.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] dient te worden vastgesteld ten aanzien van de zomervakanties en het wisselmoment tijdens na de feestdagen.

7.3.

De beslispunten voor het hof in onderhavige procedure zijn beperkt tot het wisselmoment na de feestdagen die vallen in of aansluitend aan het reguliere omgangsweekend met de vader en de verdeling van de zorgregeling gedurende de zomervakanties. Nu de ouders het thans met elkaar eens zijn dart het wisselmoment op maandagavond na de feestdagen in plaats van het in de bestreden beschikking vastgelegde wisselmoment op maandagochtend, zal het hof overeenkomstig beslissen. Het hof ziet in hertgeen de moeder naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding om het wisselmoment reeds in de middag op 17.00 uur te bepalen en zal het wisselmoment vaststellen op 18.00 uur.

De verdeling van de zorgregeling ten aanzien van de zomervakanties houdt partijen nog verdeeld. Het hof zal bepalen dat de vader de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie van 2016 bij zich heeft en de moeder de laatste drie weken, nu zij reeds de laatste drie weken van de zomervakantie heeft geboekt en de vader heeft verklaard dit in het belang van de kinderen te accepteren ondanks dat met hem hierover geen overleg heeft plaatsgevonden en het uiterst onhandig is met zijn werk. Na 2016 beslist het hof overeenkomstig het (gewijzigde) verzoek van de vader en zullen de kinderen de eerste twee weken van de zomervakantie bij de moeder verblijven, de daaropvolgende twee weken bij de vader en dan een week bij de moeder en tenslotte een week bij de vader. De vader werkt gedurende de zomervakantie en het is voor hem lastig om drie weken aansluitend vakantie te krijgen, temeer nu de communicatie van partijen niet zodanig is dat ruim van te voren en in goed overleg een gedegen planning gemaakt kan worden. Het hof benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders beter gaan communiceren en de strijdbijl begraven, nu ter zitting alsook uit de stukken wederom gebleken is dat de kinderen ernstig klem zijn geraakt tussen de voortdurende ouderstrijd en de zorgen over de kinderen toenemen. Het is zaak dat ouders in samenspraak en in samenwerking met de GI stappen gaan zetten teneinde de kinderen op onbelaste wijze omgang met de andere ouder te laten hebben.

7.4.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen , voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover het betreft het wisselmoment van de kinderen bij omgang tijdens feestdagen die in of aansluitend aan het reguliere omgangsweekend van de vader vallen en de verdeling van de zomervakanties en het verzoek van de vader toewijzen.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 december 2014 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover de rechtbank heeft beslist over het wisselmoment van de kinderen bij omgang gedurende de feestdagen in of aansluitend aan het reguliere omgangsweekend van de vader en de verdeling van de zorgregeling gedurende de zomervakanties;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010, gedurende de zomervakantie van 2016 de eerste drie weken bij de vader verblijven en de laatste drie weken bij de moeder:

bepaalt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] na 2016 de eerste twee weken van de zomervakantie bij de moeder verblijven, de daaropvolgende twee weken bij de vader, daarna een week bij de moeder en tot slot een week bij de vader;

bepaalt dat het omgangswisselmoment van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandagavond om 18.00 uur zal zijn, na de feestdagen die vallen in of aansluitend aan het reguliere omgangsweekend van de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.