Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5930

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-08-2016
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-002687-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:825, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling levensgezel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002687-14

Uitspraak : 8 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 8 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-001280-14 tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1966,

thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein te Nieuwegein.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het door de verdachte ingestelde hoger beroep is voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

De verdachte, die thans uit anderen hoofde is gedetineerd, heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht op de terechtzitting aanwezig te zijn.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouwe van de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en - in zoverre opnieuw rechtdoende - de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 2 januari 2014 te Tilburg ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan zijn (zwangere) vriendin genaamd
[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
- (in de slaapkamer) met kracht meermalen, in elk geval eenmaal, op/tegen haar lichaam heeft geslagen/gestompt en/of (vervolgens) met kracht aan haar haren heeft getrokken en/of (vervolgens nadat die [slachtoffer] zich naar de woonkamer had begeven)
- die [slachtoffer] in de bank heeft geduwd en/of (vervolgens) met kracht zijn (rechter)knie in haar buik en/of bovenbeen geduwd/gedrukt en/of (vervolgens) in haar gezicht heeft geslagen en/of (vervolgens, meermalen) op/tegen haar kont/rug heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 januari 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend zijn zwangere vriendin, te weten [slachtoffer] ,
- (in de slaapkamer) met kracht meermalen, in elk geval eenmaal, op/tegen haar lichaam heeft geslagen/gestompt en/of (vervolgens) met kracht aan haar haren heeft getrokken en/of (vervolgens nadat die [slachtoffer] zich naar de woonkamer had begeven)
- die [slachtoffer] in de bank heeft geduwd en/of (vervolgens) met kracht zijn (rechter)knie in haar buik en/of bovenbeen geduwd/gedrukt en/of (vervolgens) in haar gezicht heeft geslagen en/of (vervolgens, meermalen) op/tegen haar kont/rug heeft geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit

Het hof is met de politierechter, de advocaat-generaal en de raadsvrouwe van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de redengevende feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 januari 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend zijn zwangere vriendin, te weten [slachtoffer] , met kracht aan haar haren heeft getrokken en in de bank heeft geduwd en in haar gezicht heeft geslagen en meermalen tegen haar kont/rug heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1.

Op 2 januari 2014 deed [slachtoffer] in het Tweesteden Ziekenhuis te Tilburg aangifte van mishandeling. Zij verklaarde bij die gelegenheid als volgt:

“Ik heb een relatie met [verdachte] […]. Ik heb ongeveer 3 jaar een relatie met hem. Ik woon ongeveer 1 jaar met hem samen aan de [adres 1] te Tilburg. Ik ben nu 7 maanden zwanger van [verdachte] . Het gaat […] niet goed in onze relatie.

Op dinsdag 31 december 2013 heb ik mijn woning verlaten. Ik ben naar de woning van mijn ouders gegaan. Ik wilde de relatie beëindigen.
Vandaag, 2 januari 2014, omstreeks 18:00 uur, ging ik terug naar mijn woning aan de [adres 1] te Tilburg om kleding op te halen. Mijn moeder en mijn zus gingen met mij mee.

Ik had nog een huissleutel en ging samen met mijn moeder en zus naar binnen.

Ik zag daarop dat [verdachte] ook thuis was. Ik liep meteen naar de slaapkamer […]. Ik stopte mijn kleding in een koffer en zag dat [verdachte] erbij kwam staan. […] Ik hoorde hem schreeuwen: “Jij gaat niet weg”. […] Ik hoorde dat hij mij een “hoer” noemde. […] [verdachte] [pakte] mij bij mijn haar vast en trok hier met kracht aan. Ik denk dat hij ongeveer 5 seconden hard aan mijn haar trok voordat mijn moeder en zus tussenbeide kwamen en [verdachte] losliet.

Ik liep daarop naar de woonkamer. [verdachte] duwde mij daar op de bank. […] Hij sloeg me […] met de vlakke hand op mijn lichaam. […] Op een gegeven moment kon ik opstaan en schopte [verdachte] mij […]. Ik voelde […] pijn. […] Ik riep […] dat […] de politie moest [worden gebeld]. […] Daarop kwam de politie.” 2

2.

De politieagenten die ter plaatse zijn gekomen, de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hebben het volgende gerelateerd:

“Op donderdag 2 januari 2014, omstreeks 18:25 uur, […] kregen wij de opdracht […] om te gaan naar de [adres 1] (het hof: [adres 1] ) te Tilburg. […] Ter plaatse troffen wij, buiten op straat, een man genaamd [verdachte] aan. Bij hem stond een vrouw welke zich identificeerde als zijnde [betrokkene 1] . […]

Ik, [verbalisant 2] , hoorde [betrokkene 1] zeggen dat zij de zus was van [slachtoffer] . [verdachte] zou een relatie hebben met [slachtoffer] . Ook zou zij in verwachting zijn van [verdachte] . Vandaag zou [slachtoffer] mishandeld zijn door [verdachte] .
Ik ben toen vervolgens met [betrokkene 1] naar de woning gelopen van [slachtoffer] . Ik zag dat bij de voordeur van de woning een oudere vrouw stond. Deze legitimeerde zich als zijnde [betrokkene 2] . Dit was de moeder van [slachtoffer] . Ik ben toen vervolgens met de moeder en de zus de woning in gelopen. Ik zag dat er in de woonkamer een vrouw lag te huilen. Dit betrof [slachtoffer] . Ik zag dat de vrouw zichtbaar zwanger was. Ik zag dat er meerdere goederen in de woning op de grond lagen. Ik zag dat verschillende meubels omver waren gegooid. […] Ik vroeg aan [slachtoffer] wat er gebeurd was. Ik hoorde haar zeggen dat zij was mishandeld door haar vriend [verdachte] . […] Zij [wilde] haar koffers pakken, met de intentie om haar vriend te verlaten. […] Haar vriend, [verdachte] , […] gaf aan dat zij niet weg mocht gaan. Hierop begon [verdachte] haar te slaan en te schoppen. Ook werd zij aan haar haren getrokken. Ik zag dat [slachtoffer] meerdere krassen op haar beide armen had staan. Zij vertelde dat ze op haar hele lichaam werd geschopt door [verdachte] , terwijl ze op de grond lag. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bevestigden dit verhaal en gaven aan getuigen te zijn van dit voorval. 3

3.

[betrokkene 1] heeft op 3 januari 2014 telefonisch tegenover de politie de volgende getuigenverklaring afgelegd:

“Op donderdag 2 januari 2014 ben ik met mijn zus en moeder […] naar Tilburg gereden om de kleren van mijn zus op te halen […]. We zagen hem zitten en waren daardoor verrast. […]

Ik ben met mijn moeder in de woonkamer gaan zitten en mijn zus ging haar kleren halen. Ik hoorde [verdachte] met mijn zus praten over wat er misgegaan is de afgelopen maanden. Dat ging met verheven stem. Ik hoorde dat er gescholden werd en er werd geschreeuwd. Toen zei hij iets van dat iemand een hoer was en toen werd mijn zus erg kwaad. Ik zag dat [verdachte] begon met het trekken aan de haren van mijn zus. Ik zat in de woonkamer. Mijn zus stond bij de bank. Hierna begon hij mijn zus te slaan. Hij duwde haar op de bank. […] Ik hoorde mijn zus roepen dat ik de politie moest bellen.

Ik heb ook gezien dat [verdachte] mijn zus in het gezicht heeft geslagen. Dat deed hij met zijn vuist. Dat deed hij een keer en ging verder met schoppen. Ik zag dat hij haar van de bank had getrokken en haar begon te schoppen. Mijn zus lag toen op de grond. [verdachte] schopte met zijn rechterbeen. Mijn zus werd geraakt tegen haar rug en haar kont. […] Daarna ben ik naar buiten gegaan om de politie te bellen.” 4

4.

De verdachte heeft op 3 januari 2014 tegenover de politie als volgt verklaard over de aard van zijn relatie met de aangeefster:

Ik woon een jaar, anderhalf jaar samen met [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) in de [adres 1] te Tilburg. Op 24 augustus ben ik met haar getrouwd, niet volgens de Nederlandse wet maar voor de Turks/Marokkaanse traditie via de kerk. [slachtoffer] is nu zeven maanden zwanger. 5

5.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 8 september 2014 het volgende verklaard:

“Ik heb haar […] tegen de bank gedrukt.” 6

6.

De behandelend arts van aangeefster heeft een geneeskundige verklaring opgesteld. Deze

verklaring houdt het volgende in:

“Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer] […]

A. Uitwendig waargenomen letsel:
- blauwe plek, links op heupbot
- rechtsachter op hoofd pijnlijke plek […]

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:
2 januari 2013 (het hof begrijpt: 2 januari 2014).

E. Overige van belang zijnde informatie […]:
Patiënte is zwanger.” 7

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 1] van het bewijs moet worden uitgesloten nu het hof het op de terechtzitting door de verdediging gedane verzoek tot het opnieuw horen van deze getuige heeft afgewezen. De verklaring van de getuige is echter van doorslaggevend belang voor de bewezenverklaring en de verdediging is door het hof niet in de gelegenheid gesteld om de getuige te confronteren met de schriftelijke mededeling van de voormalige raadsman van de verdachte van 26 februari 2014, die inhoudt dat de getuige tegen hem heeft gezegd niets van het voorval te hebben gezien. Het tot bewijs gebruiken van de verklaring van deze getuige is dan in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM.

Het hof overweegt als volgt.

De schriftelijke mededeling van de voormalig raadsman van de verdachte bevond zich in het dossier en heeft de basis heeft gevormd voor het oproepen van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg. Op die terechtzitting heeft de verdediging de getuige op een effectieve manier kunnen ondervragen over wat ze wel en niet heeft waargenomen. Dat de verdediging bij haar ondervraging de brief van 26 februari 2014 niet heeft betrokken doet daaraan niet af, reeds omdat deze brief zich in het dossier bevond zodat de verdediging daarvan kennis had kunnen nemen.

Het opnieuw horen van de getuige acht het hof niet noodzakelijk omdat de verdediging geen nieuwe (relevante) vraagpunten heeft opgegeven waarover de getuige redelijkerwijze niet eerder kon worden bevraagd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van de getuige zou moeten worden getwijfeld. Het hof heeft daarom de verklaring die de getuige tegenover de politie heeft afgelegd voor het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 3). Deze verklaring is immers kort na het incident afgelegd, gaat uit van wat zij zittend in de woonkamer heeft gezien en is zeer gedetailleerd, terwijl deze verklaring blijkens bewijsmiddel 2 ook overeenkomt met wat zij en haar moeder kort daarvoor tegenover de politie hadden bevestigd. Wat de getuige blijkens haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg niet zelf heeft waargenomen, maar van haar moeder en zus heeft vernomen (het trekken vanuit de bank en tegen de buik), heeft het hof niet tot bewijs gebezigd.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

De politierechter heeft het bewezen verklaarde feit ten onrechte gekwalificeerd als “mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot”. Immers, aangeefster en verdachte waren formeel niet gehuwd.

Het bewezen verklaarde feit wordt daarom als volgt gekwalificeerd:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het hof overweegt daarbij dat de steller van de tenlastelegging – blijkens de verwijzing onder de tenlastelegging naar art. 304 aanhef en sub 1 Sr - het oog heeft gehad op de in artikel 304, aanhef en onder 1, Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheden en met het onderdeel “zijn zwangere vriendin” kennelijk heeft willen verwijzen naar de kwalificatie “levensgezel” in die strafbepaling. Het hof is van oordeel dat aangeefster - de destijds zwangere vriendin van de verdachte - als levensgezel van de verdachte kan worden aangemerkt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bewezen verklaard is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn zwangere vriendin.

De politierechter heeft het rechterlijk pardon (artikel 9a Sr) toegepast, maar heeft - in afwijking van art. 359 lid 4 Sv - verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die tot deze beslissing hebben geleid.

Anders dan de raadsvrouwe is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat geen gegronde reden is voor een rechterlijk pardon. De ernst van het bewezen verklaarde feit is allerminst gering maar juist ernstig van aard, terwijl ook de persoonlijkheid van de dader, de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, voor het hof geen aanleiding geven om het rechterlijk pardon toe te passen.

Ook al zou aangeefster een aandeel hebben gehad in de ruzie en als eerste fysiek contact hebben gezocht met verdachte door aan verdachtes kleding te trekken, zoals getuige [betrokkene 1] verklaarde ter terechtzitting in eerste aanleg, rechtvaardigt dat op geen enkele manier het geweld dat verdachte vervolgens heeft gebruikt jegens aangeefster. Ook het feit dat de relatie tussen de verdachte en aangeefster is hersteld, maakt niet dat geen straf of maatregel hoeft te worden opgelegd. Gelet op die laatste omstandigheid ziet het hof wel aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Met de oplegging van de voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Bij de bepaling van de modaliteit van deze voorwaardelijke straf neemt hof met name de ernst van de bewezen verklaarde mishandeling en het feit dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, in aanmerking.

Het hof is tot de slotsom gekomen dat in dit geval een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de dag die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 8 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal of andere schriftelijke bescheiden, opgenomen in het politiedossier van de Regiopolitie Midden en West Brabant, dossiernummer
PL204F-2014001576, sluitingsdatum 8 januari 2014.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2014, pagina 5 en 6.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2014, pagina 3 en 4.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 januari 2013, pagina 7.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 januari 2014, pagina 22.

6 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2014, zoals die is weergegeven op pagina 3 van het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal.

7 Schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 3 januari 2014, pagina 10.