Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5927

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-000276-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:512, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepteelt en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000276-15

Uitspraak : 18 mei 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-821071-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1966,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

postadres: [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal veroordelen terzake het telen en het aanwezig hebben van hennep tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de politierechter.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 april tot en met 18 mei 2013 te Oijen, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid (van ongeveer 2.497 gram), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of een (grote) hoeveelheid (van ongeveer 175) hennepplanten/stekken en/of delen daarvan in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 6 april tot en met 18 mei 2013 te Oijen opzettelijk heeft geteeld 175 hennepplanten,

en

hij op 18 mei 2013 te Oijen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.497 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het in dit geval gaat om het telen van een aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten in een hennepkwekerij die was gevestigd in een woning, hetgeen overlast voor omwonenden kan opleveren;

  • -

    de hoeveelheid hennep die verdachte aanwezig had;

  • -

    het gegeven dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte in relatie staat met de handel in softdrugs, welke handel (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt; daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiƫle Documentatie d.d. 11 maart 2016.

Daaruit volgt dat verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraffen. De veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw een vergelijkbaar strafbaar feit te begaan.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Op grond daarvan acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf alleszins passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven hennepkwekerij wordt door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen, met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang, op grond waarvan het hof deze gezamenlijkheid van voorwerpen aan het verkeer onttrokken zal verklaren.

De overige in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn een middel als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. Op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet zullen deze voorwerpen daarom aan het verkeer worden onttrokken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    twee zakken hennep (goednr. 535163);

  • -

    twee zakken hennep (goednr. 535164);

  • -

    een hennepkwekerij (goednr. 535165);

  • -

    zes zakken hennep (goednr. 635166).

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 18 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.