Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:587

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
01-04-2016
Zaaknummer
200.182.871/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw.

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling nu verzoekster ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 februari 2016

Zaaknummer : 200.182.871/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/14/528 R en C/03/14/529 R

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante]

advocaat: mr. D.M. Gijzen te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 22 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 december 2015, hebben [appellant] en [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, voor zover rechtens vereist opnieuw rechtdoende, met verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet, indien nodig onder de bepaling dat de schuldsaneringsregeling wordt verlengd voor een door het hof vast te stellen duur.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Gijzen.

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , bewindvoerder.

Voorts is ter zitting in hoger beroep verschenen mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder van [appellant] en [appellante] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 december 2015;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 4 januari 2016;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 18 januari 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 28 januari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] en [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 22 juli 2014 is ten aanzien van [appellant] en [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 22 september 2015 tussentijds beëindigd. De rechtbank overweegt dat [appellant] en [appellante] niet aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling hebben voldaan en dat het heeft ontbroken van de van hun te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, waardoor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling is belemmerd dan wel gefrustreerd. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van beide appellanten door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan elk voor zich in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellant] en [appellante] is niet duidelijk in welk opzicht zij hun spontane inlichtingenplicht zouden hebben verzaakt. Dat [appellant] en [appellante] de onderhandse verkoop van hun woning hebben gefrustreerd is niet aan hen te verwijten, maar zeker ook aan de makelaar die om onbekende redenen opeens niet meer overleg pleegde aangaande het plannen van de bezichtigingen. Met betrekking tot de sollicitatie- en arbeidsplicht voeren [appellant] en [appellante] aan dat in de zomer wegens verhuisperikelen even sprake is geweest van verminderde sollicitatie-activiteit, maar dat dat thans weer is hersteld. [appellant] en [appellante] merken daarbij op dat zij in het kader van de Participatiewet nog meer sollicitatie-activiteiten verrichten dan thans zichtbaar is en welke activiteiten meer kans geven op het daadwerkelijk vinden van betaalde arbeid dan het simpelweg solliciteren volgens de spelregels van de schuldsaneringsregeling. Ten aanzien van de boedelachterstand stellen [appellant] en [appellante] zich op het standpunt dat het ontstaan van de boedelachterstand niet noodzakelijk was geweest als de beschermingsbewindvoerder tijdig bijzondere bijstand voor haar eigen kosten zou hebben aangevraagd. [appellant] en [appellante] merken tot slot op dat, nu er immers weer geruime tijd volop wordt gesolliciteerd van een actuele belemmering of frustratie geen sprake is en zodra de boedelachterstand op korte termijn na adequate berichtgeving van de beschermingsbewindvoerder weggewerkt kan worden, of desnoods na verlenging van de schuldsaneringsregeling, er ook in dat opzicht geen sprake meer is van een belemmering of frustratie.

3.5.

De bewindvoerder heeft in haar brief medegedeeld dat een reactie op het beroepschrift moeilijk is, omdat zij niet kan beoordelen hoe de correspondentie tussen de beschermingsbewindvoerder en [appellant] en [appellante] heeft verlopen en welke afspraken onderling zijn gemaakt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] gehandhaafd. De bewindvoerder heeft bij die gelegenheid verklaard geen heil te zien in een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling, omdat [appellant] en [appellante] gedurende de verstreken termijn van de schuldsaneringsregeling blijk hebben gegeven niet over een saneringsgezinde houding te beschikken.

3.6.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling op zijn plaats is om in ieder geval de boedelachterstand in te lopen, met dien verstande dat alsdan bij [appellant] en [appellante] sprake zal moeten zijn van een gedragsverandering.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] en [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling, alsmede of sprake is van het doen of laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

3.7.2.

Uit zowel de inhoud van de processtukken als uit hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door alle verschenen belanghebbenden naar voren is gebracht is het hof gebleken dat zowel [appellant] als [appellante] zich niet althans onvoldoende hebben gehouden aan de aan hen opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inlichtingenplicht en inspanningsplicht en dat zij daarnaast een boedelachterstand hebben doen laten ontstaan. Van deze handelwijze kan [appellant] en [appellante] een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, zoals verzocht door de bewindvoerder, op zijn plaats is. Het vorenstaande geldt temeer, nu [appellant] en [appellante] op 15 juni 2015 een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris hebben ontvangen, waarin zij uitdrukkelijk zijn gewezen op het feit dat zij zich niet hebben gehouden aan de aan hen opgelegde inlichtingenplicht en zij daarnaast een boedelachterstand hebben doen laten ontstaan van € 1.277,89, terwijl [appellante] expliciet is gewezen op het feit dat zij niet voldoet aan de aan haar opgelegde sollicitatie- en arbeidsplicht. Uit de brieven van de bewindvoerder aan de rechtbank van respectievelijk 12 augustus 2015 en 14 september 2015 valt op te maken dat in de gedragingen van [appellant] en [appellante] geen verbetering is opgetreden, reden waarom de rechter-commissaris bij voordracht van 22 september 2015 de rechtbank heeft verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] tussentijds te beëindigen. Zowel de rechter-commissaris als de bewindvoerder heeft zich op het standpunt gesteld geen perspectief te zien in de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.7.3.

Het hof stelt vast dat zowel vóór de datum van het vonnis van de rechtbank waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] tussentijds is beëindigd als daarna er geen althans onvoldoende verbetering is opgetreden in de gedragingen van [appellant] en [appellante] . [appellant] en [appellante] hebben in hoger beroep weliswaar gesteld dat zij nog meer sollicitatie-activiteiten hebben verricht dan thans zichtbaar is en welke activiteiten meer kans op het daadwerkelijk vinden van betaalde arbeid geven dan het solliciteren volgens de spelregels van de schuldsaneringsregeling, doch van deze stelling ontbreekt ieder verificatoir bewijs. Het hof overweegt in dat verband dat de bewindvoerder zowel ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangevoerd dat zij alleen vacatures heeft ontvangen, waarvan [appellant] en [appellante] uitsluitend stellen dat zij op deze vacatures hebben gesolliciteerd, doch bij gebreke van bijvoorbeeld afwijzingsbrieven, is het voor de bewindvoerder niet mogelijk te verifiëren of daadwerkelijk op de door [appellant] en [appellante] overgelegde vacatures is gesolliciteerd. Voorts hebben [appellant] en [appellante] verklaard dat zij de gemeente hebben verzocht om een medische keuring - zowel [appellant] als [appellante] stellen chronisch ziek te zijn en niet in staat te zijn fulltime arbeid te verrichten (zie verslag bewindvoerder d.d. 7 december 2015). De bewindvoerder heeft ter zitting evenwel verklaard door [appellant] en [appellante] niet op de hoogte te zijn gesteld van het verzoek tot een medische keuring noch van de mededeling van [appellante] ter zitting dat zij als gevolg van haar medische beperkingen door de gemeente in het kader van de Participatiewet zou zijn vrijgesteld van haar sollicitatieplicht.

3.7.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt, heeft geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van zowel [appellant] als [appellante] tussentijds moet worden beëindigd.

Het verzoek van [appellant] en [appellante] tot verlenging van de termijn van hun beider schuldsaneringsregelingen om in ieder geval de boedelachterstand in te lopen wijst het hof af. Het hof overweegt in de eerste plaats dat, zoals hiervoor al werd overwogen, niet is gebleken dan wel op andere wijze aannemelijk is geworden dat bij [appellant] en [appellante] thans wel sprake is van een zodanige gedragsverandering in positieve zin dat zij zich zullen houden aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, indien de termijn daarvan zou worden verlengd. Daar komt nog bij dat [appellant] en [appellante] hebben nagelaten een concreet plan van aanpak te overleggen op welke wijze zij voornemens zijn de ontstane boedelachterstand van € 1.499,78 in te lopen indien de termijn van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd. De enkele mededeling van de beschermingsbewindvoerder ter zitting in hoger beroep dat met ingang van 1 februari 2016 de boedelachterstand met een bedrag van € 40,-- per maand kan worden ingelopen acht het hof, mede gelet op de e-mail van de beschermingsbewindvoerder aan de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 31 december 2015 (productie 5 zijdens bij de brief d.d. 4 januari 2016 van de advocaat van [appellant] en [appellante] ) onvoldoende deugdelijk onderbouwd.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. Goedegebuur, L.Th.L.G. Pellis en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.