Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5687

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
20-000272-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is tweemaal diefstal in vereniging ten laste gelegd. Verdachte wordt van één feit vrijgesproken, nu de door de verbalisanten gedane herkenningen het hof in onvoldoende mate hebben overtuigd als betrouwbaar.

Verdachte wordt wegens het andere feit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, bij eventuele tenuitvoerlegging met aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2004-08-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000272-16

Uitspraak : 30 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 januari 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-271510-14 en 02-100071-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1994,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij Kruidvat heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 303,96. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, is diens vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 02-271510-14 ten laste gelegde en heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-271510-14:

zij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Goes tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 20 pakjes scheermesjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Kruidvat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s);

Zaak met parketnummer 02-100071-15 (gevoegd):

zij op of omstreeks 22 mei 2015 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid winkelgoederen, te weten Max Factor, Gillette (scheermesjes), L’Oréal en Biodermal (met een totale waarde van iets meer dan 500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Kruidvat (gevestigd aan [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededaders;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 22 mei 2015 te Vlissingen ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid winkelgoederen, te weten Max Factor, Gillette (scheermesjes), L’Oréal en/of Biodermal, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf Kruidvat (gevestigd aan [adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of haar mededaders, door die producten klaar te zetten in een winkelmandje dat geplaatst stond achter een display en vervolgens die goederen op te halen en in een lege papieren tas (geprepareerd) over te doen en vervolgens met die volle papieren tas de winkel uit te lopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging veelvuldig voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-271510-14 ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-271510-14 ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Op 9 oktober 2014 zijn bij Kruidvat te Goes pakjes scheermesjes gestolen door twee personen, te weten een man en een vrouw. Van deze winkeldiefstal in vereniging zijn camerabeelden beschikbaar. Twee verbalisanten, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die verdachte op 18 oktober 2014 hebben gecontroleerd als vermoedelijk betrokkene bij een andere (poging tot) winkeldiefstal, hebben vervolgens verdachte herkend aan de hand van deze camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 3] , die zowel de beelden van 9 oktober 2014 als die van 18 oktober 2014 heeft bekeken, stelt met zekerheid te kunnen zeggen dat de vrouw op beide beelden dezelfde is.

Verdachte ontkent dat zij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Bij de politie heeft zij verklaard dat zij zich weliswaar herkent op de foto die op 18 oktober 2014 door bovengenoemde verbalisant [verbalisant 1] is genomen, maar dat zij zich niet herkent op twee afdrukken van camerabeelden van de op 9 oktober 2014 gepleegde diefstal.

Het hof stelt vast dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, uitsluitend is gebaseerd op de door de verbalisanten gerelateerde herkenningen van verdachte. Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij een ten laste gelegd feit heeft kunnen aantonen. Er bestaat bij het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de oprechtheid van de verbalisanten, die hebben verklaard verdachte te herkennen op de camerabeelden. Bij de beoordeling van het bewijs is echter van doorslaggevend belang of deze herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden of afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn.

Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de (af)beeld(ing)en evenals de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die (af)beeld(ing)en. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien.

De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep, op welke terechtzitting de camerabeelden van Kruidvat van 9 oktober 2014 zijn bekeken, is dat de persoon die zichtbaar is op de beelden enige gelijkenissen vertoont met het uiterlijk van verdachte zoals te zien is op diens ID-foto en de foto die op 18 oktober 2014 door verbalisant [verbalisant 1] is genomen. Bij gebrek aan op de beelden herkenbare, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken is echter niet met zekerheid vast te stellen dat het ook daadwerkelijk verdachte betreft. Het voorgaande maakt dat de door de verbalisanten gedane herkenningen het hof in onvoldoende mate overtuigen als betrouwbaar, temeer nu geen van de verbalisanten heeft gerelateerd waaraan verdachte herkend zou zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-100071-15 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 02-100071-15 (gevoegd):

zij op 22 mei 2015 te Vlissingen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid winkelgoederen, te weten Max Factor, Gillette (scheermesjes), L’Oréal en Biodermal (met een totale waarde van iets meer dan 500 euro), toebehorende aan het winkelbedrijf Kruidvat (gevestigd aan [adres] ).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar de bijlagen van het eindproces-verbaal van politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, registratienummer PL2000-2015129541, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] (hoofdagent van politie), bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, gesloten op 9 juni 2015, doorgenummerde dossierpagina’s 1-40.

De voor het bewijs gebezigde inhoud van de hieronder genoemde processen-verbaal is telkens zakelijk weergegeven.

1. Het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4]1, voor zover inhoudende:

Op 22 mei 2015, omstreeks 13:45 uur, waren wij aanwezig in het filiaal van het Kruidvat, [adres] te Vlissingen in verband met een melding van een winkeldiefstal.

De bedrijfsleider, [aangever] , liet ons beelden zien die zojuist opgenomen waren door bewakingscamera’s in genoemd filiaal.

OMSCHRIJVING PERSONEN

(persoon 1)

Wij zagen een vrouw met een Oost-Europees uiterlijk, lang zwart haar en donkere kleding. Wij zagen dat de vrouw onder haar donkere bovenkleding een wit kledingstuk droeg.

(persoon 2)

Wij zagen een vrouw, wat langer dan de eerste vrouw, met een slank postuur. Zij droeg een oranje of roze sjaal om haar hoofd. Zij droeg een blauwe broek en donkere damesschoenen.

(persoon 3)

Wij zagen een manspersoon met boven op zijn hoofd stekels van ongeveer 2 centimeter lang. Verder zagen wij dat de man aan de zijkanten en de achterzijde van zijn hoofd zijn haar kort geschoren had. Wij zagen dat de man eveneens een Oost-Europees uiterlijk had. Hij droeg een zwarte jas en een donkere spijkerbroek. Hij droeg sneakers met een opvallende oranje kleur en opvallende blauwe veters.

(persoon 4)

Wij zagen een manspersoon met een Oost-Europees uiterlijk en kort donker haar. Hij droeg een blauw/grijs vest. Linksvoor op zijn vest stond een afdruk/beeltenis van de letter A. Onder zijn vest droeg hij een lichtgrijze polo. Hij droeg een donkere broek en donkere schoenen.

BESCHRIJVING GEDRAG

Wij zagen dat persoon 2 grote, afwijkende hoeveelheden cosmeticaproducten in een winkelmandje stopte en het winkelmandje achter een display op de grond zette. Wij zagen persoon 3 hetzelfde doen.

Wij zagen dat persoon 3 een lege, dichtgevouwen papieren tas bij zich droeg. Wij zagen persoon 2 en persoon 3 bukken, waardoor zij even niet volledig in beeld zijn. Als zij weer volledig in beeld zijn is te zien dat de papieren tas gevuld is met goederen. Het kan niet anders dan dat de goederen die plotseling in de papieren tas zitten afkomstig zijn uit de twee mandjes met goederen die op grond gezet waren door persoon 2 en persoon 3.

Wij zien dat persoon 2 gehaast met de inmiddels volle papieren tas de winkel uitloopt. Persoon 3 verlaat ook de winkel.

Wij zagen vervolgens dat persoon 1 ook grote, opvallende hoeveelheden cosmeticaproducten in een winkelmandje doet en dit mandje wederom op de grond zet op dezelfde plaats achter een display. Persoon 4 komt vlakbij persoon 1 staan en hij doet een grijze tas open. Wij zagen dat persoon 4 een zwarte sweater of zoiets dergelijks van de bovenkant van de papieren tas afhaalt en deze tas open aanreikt aan persoon 1. Wij zagen dat persoon 1 verschillende grote hoeveelheden cosmeticaproducten uit de schappen pakt en direct in de papieren tas doet welke persoon 4 openhoudt. Wij zagen dat persoon 4 de sweater weer direct boven op de papieren tas legt. Wij zagen dat persoon 1 bukt bij het mandje dat zij zojuist op de grond heeft gezet, vol met cosmeticaproducten. Persoon 4 staat nu wederom met de tas klaar.

Vervolgens zagen we dat beide personen aangesproken worden door de bedrijfsleider.

2. De verklaring van aangever [aangever] , namens Kruidvat Vlissingen2, voor zover inhoudende:

Ik doe namens mijn werkgever aangifte van diefstal. Ik werk bij de winkel Kruidvat als bedrijfsleider en ben gemachtigd om aangifte te doen.

Vandaag, 22 mei 2015, was ik werkzaam bij de Kruidvat in [adres] te Vlissingen. Ik zag in de winkel twee lege mandjes staan achter een display, op een vreemde plaats. Ik dacht aan winkeldiefstal en heb in het kantoor de camerabeelden bekeken om te zien hoe die mandjes daar terecht gekomen zijn. Ik zag dat een man en een vrouw de mandjes daar geplaatst hadden. Ik zag dat zij apart van elkaar goederen in de mandjes deden. Ik zag dat de man een lege papieren tas tevoorschijn haalde. Ik zag dat ze bukten. Ik zag vervolgens dat de papieren tas vol was en dat ze de winkel uit liepen. Ik weet niet precies wat er is weggenomen, maar het betreft twee goed gevulde winkelmandjes met verzorgingsproducten.

Er is geen alarm afgegaan in de winkel.

Ik zag toen ook op de camerabeelden dat er een vrouw door de winkel liep en opvallend veel dezelfde producten in haar mandje deed. Het gaat onder andere om producten van L’Oréal en Gillette. Ik zag dat er een man de winkel binnenkwam die dezelfde papieren tas bij zich had als de man die samen met die andere vrouw eerder goederen had weggenomen. Ik zag dat de vrouw het volle winkelmandje op dezelfde plek achter de display neerzette. Ik zag dat de man de papieren tas ook achter de display op de grond zette.

Ik heb de mensen aangesproken. Ik vroeg of ik hen kon helpen. Ze gaven aan dat ik hen niet kon helpen. Ik zag dat ze naar de uitgang liepen en ben met ze meegelopen. Ik wilde de politie bellen. Ik zei dat ze moesten blijven staan. De man overhandigde mij de papieren tas en ze liepen de winkel uit. Ik ben achter ze aan gelopen via de Walstraat naar de Scherminkelstraat. Ik kon de vrouw aanhouden. De man rende weg. De papieren tas welke de man mij overhandigde was geprepareerd voor winkeldiefstal. Tussen twee tassen was folie aangebracht waarmee de beveiligingspoortjes worden omzeild.

Terug in de winkel heb ik het winkelmandje dat de vrouw had gevuld bekeken. Ik zag dat er diverse producten in zaten van de merken Max Factor, Gillette, L’Oréal en Biodermal met een totale waarde van iets meer dan 500 euro. Ook heb ik de camerabeelden nogmaals bekeken en zag ik dat de vrouw ook een aantal producten direct uit het schap pakte en in de papieren tas deponeerde.

3. De verklaring van verdachte3, voor zover inhoudende:

Ik ben met de trein naar Vlissingen gekomen.

Ik was samen met een jongen. We hadden afgesproken dat ik eerst de winkel in zou gaan en dat de jongen iets later met de tas zou komen.

Ik wilde de tas gebruiken om iets te stelen.

Ik pakte een mandje in de winkel. Ik vulde het mandje met een aantal soorten crème, lippenstift en gezichtspoeder. Daarna kwam de jongen met de tas de winkel in. Toen de winkelmedewerker kwam, heb ik het mandje met de spullen achter gelaten in de winkel. Ik ben de winkel uitgelopen. De winkelmedewerker heeft mij vastgepakt.

De tas heb ik zelf meegenomen uit Roemenië. Ik heb de folie in de tas aangebracht. De spullen wilde ik verkopen op straat.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-100071-15 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdediging heeft het hof verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, doch te volstaan met een voorwaardelijke straf.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat feiten als thans bewezen verklaard in het algemeen schade teweeg brengen aan eigenaars van de weggenomen goederen dan wel betrokken verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten worden veroorzaakt aan gedupeerden;

  • -

    de omstandigheid dat het hier gaat om een professioneel uitgevoerde, brutale winkeldiefstal, waarbij de verdachte en haar mededaders grote hoeveelheden drogisterijproducten hebben weggenomen, met gebruikmaking van speciaal daarvoor geprepareerde tassen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2016;

  • -

    haar overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte volgens opgave van haar raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is teruggekeerd naar Roemenië en niet voornemens is om opnieuw naar Nederland te komen.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de politierechter.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken – bij eventuele tenuitvoerlegging met aftrek van voorarrest – passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-271510-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-100071-15 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-100071-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de eventuele tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. E.W.M. Stokman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 30 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.J. van der Kaaden en mr. E.W.M. Stokman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2015, dossierpagina’s 7-8.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 mei 2015, dossierpagina’s 19-21.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 mei 2015, dossierpagina’s 27-32.