Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5686

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
K16.0334
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 12 Sv.

Verzoek tot vervolging van o.a. officier van justitie en leden WOD-team.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K16/0334

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 december 2016 inzake het beklag ex artikelen 12 en 13 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster] ,

wonende te Tilburg,

bijgestaan door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg,

over de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant tot het niet vervolgen van:

1. de officier van justitie mr. [beklaagde 1] ;

2. de tactisch coördinator [beklaagde 2] ;

3. teamleider [beklaagde 3] ;

4. WOD teamleider B.2462;

5 en 6. de politiële informanten A-3871 en A-3872;

hierna te noemen: beklaagden en ieder afzonderlijk: beklaagde.

wegens bedreiging en/of afpersing en/of enig ander strafbaar feit.

De feitelijke gang van zaken.

Op 23 september 2015 heeft klaagster aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd door twee of meer onbekende personen.

Bij brief van 18 mei 2016 is door de rechercheofficier aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er geen sprake is van het plegen van enig strafbaar feit, aangezien de gedragingen en handelingen door de WOD-opsporingsambtenaren zijn verricht binnen de kaders van hun (bijzondere) opsporingsbevoegdheden.

Hierop is namens klaagster een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 21 juni 2016, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 30 augustus 2016 het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

Op 25 oktober 2016 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat.

Bij tussenbeschikking van 26 oktober 2016 heeft het hof besloten beklaagden 5 en 6 op te roepen teneinde in raadkamer te worden gehoord.

Op 6 december 2016 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld. Beklaagden zijn, ieder afzonderlijk, middels een videoverhoor gehoord.

De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klaagster heeft aangifte gedaan van bedreiging, gepleegd door twee of meer onbekende personen. Twee mannen hebben aangebeld bij de gemeenschappelijke toegangsdeur van het flatgebouw, waarin klaagsters woning gelegen is. Zij zeiden dat zij een pakketje hadden. Klaagster heeft daarop vanuit haar woning de gemeenschappelijke toegangsdeur geopend. Toen de mannen echter voor de deur van haar woning waren gekomen, zag klaagster dat zij geen pakketje in hun handen hadden. Toen zij vroeg wie zij waren, antwoordden zij dat ze voor [betrokkene] , haar ex-man, kwamen. Ze zeiden dat ze wisten dat klaagster wist dat ze contact hadden met [betrokkene] en dat ze geld van [betrokkene] wilden en dat ze een telefoonnummer bij zich hadden wat klaagster aan [betrokkene] moest geven. [betrokkene] moest dan contact opnemen via dat telefoonnummer. Het briefje hebben de mannen onder de deur door geschoven. Ze zeiden dat ze een filmpje hadden van een Turkse man die dood is; dood zoals vermoord. Als hij, [betrokkene] , geen contact op zou nemen dan zouden ze het filmpje aan de politie laten zien en zijn familie pakken. Klaagster was zo bang die dag dat zij niet naar buiten durfde.

Op 17 september 2015 zat er een brief op de voordeur geplakt. Zij heeft de brief naar de politie gebracht. Klaagster weet niet hoe de mannen aan haar adres zijn gekomen.

De telefoongesprekken tussen klaagster en [betrokkene] van 9 september en 17 september zijn opgenomen en de weerslag daarvan zit in het dossier. Voorts zit de weerslag van het telefoongesprek van 17 september dat [betrokkene] met een van de ‘mannen’ heeft gevoerd in het dossier. De volgens klaagster op de deur geplakte brief ontbreekt echter.

[betrokkene] heeft eveneens aangifte gedaan van bedreiging. Daarin bevestigt hij grotendeels de verklaring van klaagster.

Uit het relaas proces-verbaal onderzoek Draaischijf 15.132 N blijkt het volgende.

Bij voorbesprekingen was onderwerp de eventuele inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden door een of meer opsporingsambtenaren, in het onderzoek Draaischijf tegen verdachte [betrokkene] . Uit de door het tactisch team aangeleverde informatie is gebleken dat tegen [betrokkene] de verdenking bestaat dat deze zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 289 Sr.

Aan het dossier is ook het volgende te ontlenen:

Opdracht

De opdracht van de officier van justitie was:

om opsporingsambtenaren van de afdeling Werken onder Dekmantel, zonder dat deze zich kenbaar maken als politieambtenaren, te laten gaan naar het adres [adres] te [plaats] en te spreken met [klaagster] . Probeer met haar in gesprek te raken en vertel haar dat ze tegen haar man [betrokkene] moet vertellen dat er problemen zijn die te maken hebben met een doodgeschoten Turk in Valkenswaard. Vertel dat die Turk nog 50.000 aan mensen schuldig is en dat [betrokkene] dat op moet lossen en dat hij het opgegeven 06-nummer moet bellen. Wanneer er gebeld wordt door [betrokkene] dient het bericht met de volgende strekking te worden gegeven:

Dat er in Valkenswaard een Turkse man was doodgeschoten en dat deze man nog veel geld verschuldigd was, een bedrag van 50.000,-- hetgeen hij moest regelen of iemand laten regelen. Dat hij eventueel die persoon uit Utrecht maar moest vragen.

Doelstelling:

Het doel was middels het uitvoeren van de opdracht, verwarring te veroorzaken bij personen uit de directe omgeving van de verdachte. Hierdoor zou het voor het tactisch team mogelijk zijn om informatie mee te krijgen over de mogelijke betrokkenheid van deze verdachte en/of anderen bij voornoemde misdrijven.

Ingezette opsporingsambtenaren:

Door het team WOD werden gedurende dit onderzoek de opsporingsambtenaren A-3871 en A-3872 ingezet.

Uitvoering: Tussen 8 september 2015 en 17 september 2015.

Naar aanleiding van de klachtzaak zijn beklaagden 5 en 6, te weten de politiële informanten A-3871 en A-3872, door het hof gehoord.

Beide beklaagden hebben verklaard dat zij degenen waren die in september 2015 bij klaagster aan de deur zijn geweest. Zij hebben beiden verklaard dat zij strikt de woorden zoals weergegeven in de opdracht hebben gebezigd. Beiden ontkennen stellig dat zij bedreigende bewoordingen hebben gebruikt.

Beide beklaagden hebben betwist dat zij iets te maken hebben met het op de voordeur van klaagster plakken van een brief.

Het hof overweegt als volgt:

Naar het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk dat het aan haar voordeur verschijnen van twee haar onbekende mannen die bewoordingen uitten zoals uit het dossier blijkt, door klaagster onder de gegeven omstandigheden (haar ex-vriend, de vader van haar zoontje, was gedetineerd ) als zeer bedreigend werd ervaren, ofschoon niet alle onderdelen (in het bijzonder doelt het hof daarbij op het ter sprake gebracht zijn van een filmpje en het al dan niet overhandigen daarvan aan de politie en het pakken van de familie van haar ex-vriend), waarover klaagster (op zichzelf op geloofwaardige wijze) heeft verklaard, bevestiging vinden in de verklaringen van de gehoorde beklaagden of ook overigens in het dossier.

Naar het oordeel van het hof ligt de door het team WOD gevolgde werkwijze op het grensvlak van wat al dan niet als strafbaar handelen, in casu bedreiging c.q. afpersing, kan worden aangemerkt. Voor zover sprake zou zijn geweest van bedreiging c.q. afpersing, biedt de wet voor deze werkwijze geen grondslag. Het hof is echter van oordeel dat bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat de politiële informanten A-3871 en A-3872 voor wat betreft de door hen uitgesproken bewoordingen buiten de grenzen van de opdracht zijn getreden, gelet op de gebezigde bewoordingen, niet is voldaan aan de delictsomschrijving van de artikelen 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Niet kan worden vastgesteld dat er gedreigd is in de zin van de in eerstgenoemd artikel genoemde misdrijven.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag tegen de onder 2 tot en met 6 genoemde beklaagden te worden afgewezen.

Ten aanzien van de onder 1 genoemde beklaagde overweegt het hof het volgende.

De onder 1 genoemde beklaagde is een rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft desondanks geen aanleiding gezien om een verzoekschrift in te dienen als daar bedoeld. Het hof dient het gedane beklag daarom in zoverre op te vatten als een beklag tegen het niet indienen van zodanig verzoekschrift (artikel 13 van het Wetboek van Strafvordering). Gelet op het ten aanzien van de beklaagden 2 tot en met 6 overwogene dient echter ook dit beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag tegen de onder 1 tot en met 6 genoemde personen af.

Aldus gegeven door

mr. J.P.F. Rijken, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

op 30 december 2016.

Mr. J.M. Reijntjes is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.