Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
20-002537-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Valkenburgse zedenzaak. Veroordeling jeugdhulpverlener voor ontucht plegen met minderjarige prostituee (art. 248b Sr). Gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren.

Geen afwezigheid van alle schuld (AVAS). Verdachte heeft zich onvoldoende vergewist van de ware leeftijd van de bezochte prostituee. Hij heeft niet getwijfeld aan de in de seksadvertentie opgegeven leeftijd van 18 jaar en op haar meerderjarigheid vertrouwd. Verdachte heeft mitsdien niet alle zorg betracht die van hem kon worden gevergd en aldus een ongeoorloofd risico genomen.

Taakstrafverbod (art. 22b Sr). Naar het oordeel van het hof behoort de combinatie van een minimale (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf uitdrukkelijk wel tot het palet van mogelijke straffen.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een seksafspraak met een minderjarige prostituee. Haar ware leeftijd van 16 jaar is pas achteraf gebleken. Evenmin is sprake geweest van enige door verdachte uitgeoefende dwang.

Het hof rekent het de verdachte met name aan dat hij, terwijl hij werkervaring heeft op het gebied van slachtoffers van loverboys, ondanks de aanwezigheid van de hem beroepshalve bekende jongen (als iemand met een crimineel verleden; de inmiddels onherroepelijk veroordeelde ‘loverboy’) zich niet heeft vergewist van de legaliteit van de door hem gemaakte seksafspraak en desalniettemin seksuele handelingen met/bij de jeugdige prostituee heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002537-15

Uitspraak : 28 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

23 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-866080-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de verdachte ter zake van het plegen van ontucht met een zestienjarige die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan

3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige in die vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Aangezien de verdachte voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep ter zake van de vordering tot schadevergoeding een schikking heeft getroffen met de benadeelde partij, heeft de benadeelde partij haar vordering niet gehandhaafd en is die vordering niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en heeft te dien aangezien gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan

4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten waarbij hij in aanraking komt met minderjarige vrouwen met een leeftijd tussen de 12 en 18 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De verdediging heeft zich primair voor wat betreft een bewezenverklaring van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van afwezigheid van alle schuld. Subsidiair is door de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, ontucht heeft gepleegd met
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het aanraken en/of betasten en/of voelen van de borsten en/of de vagina van [slachtoffer] en/of

- het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina en/of de anus van [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van [slachtoffer] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 29 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het voelen van de borsten en de vagina van [slachtoffer] en

- het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, volstaat het hof conform het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht het feit bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d.
6 december 20162;

  • -

    het proces-verbaal informatief gesprek mensenhandel, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt en op 15 oktober 2014 ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina 37;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 11 maart 2015, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt en op 16 maart 2015 ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina’s 58-72.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Betoogd is – kort gezegd – dat verdachte niet strafbaar is ter zake van de bewezen verklaarde ontucht met een jeugdige prostituee, omdat verdachte niet kan worden verweten dat hij niet wist dat zij zestien jaar oud was. Van verdachte mocht onder de gegeven omstandigheden niet méér worden verlangd dan hetgeen hij ter verificatie van de (volwassen) leeftijd heeft ondernomen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Leeftijd geobjectiveerd

In art. 248b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) staat de bescherming van minderjarigen voorop en is om die reden de leeftijd van de minderjarige geobjectiveerd. Dit betekent dat ten aanzien van dit bestanddeel geen opzet of schuld van de verdachte behoeft te worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is voldoende dat objectief komt vast te staan dat het slachtoffer ten tijde van het ten laste gelegde 16 of 17 jaar oud was.

Dit neemt echter niet weg dat de verdachte niet strafbaar is wanneer hem geen enkel strafrechtelijk relevant verwijt is te maken over zijn onwetendheid van de ware (minderjarige) leeftijd van de jeugdige prostituee. Een beroep op AVAS, zoals in het onderhavige geval is gedaan, is derhalve wel mogelijk.

Beoordeling AVAS-verweer

Naar het oordeel van het hof heeft een beroep op dwaling ten aanzien van de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen kans van slagen. De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. In dat kader is van belang dat art. 248b Sr minderjarigen een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming beoogt te bieden, ook tegen prostitutiewerkzaamheden die (mede) van henzelf zijn uitgegaan.

In Nederland zijn bepaalde, gereguleerde vormen van prostitutie toegestaan als het gaat om niet-gedwongen seksuele handelingen door en met een meerderjarige prostituee (18 jaar of ouder). Het hof is van oordeel dat het Nederlandse prostitutiebeleid met zich brengt dat van iedere prostituant kan en mag worden verlangd dat deze alvorens enige seksuele handeling met de prostituee te verrichten

a. a) zich ervan vergewist of het een legale seksafspraak betreft en

b) alert is op aanwijzingen voor onvrijwilligheid.

In het kader van de vergewisplicht moet worden gedacht aan zaken als de leeftijd van de prostituee, de locatie van de seksafspraak en de aanwezigheid van een eventueel benodigde vergunning. Ter zake van de verwachte alertheid kan worden gewezen op de fysieke/mentale gesteldheid van de prostituee en de (onverwachte) aanwezigheid van (een) derde(n). Een en ander geldt temeer in gevallen waarin de prostituant in aanraking komt met een jeugdige prostituee. Dan is extra behoedzaamheid geboden.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich in het onderhavige geval onvoldoende vergewist van de ware leeftijd van de bezochte prostituee. Het hof komt reeds tot dat oordeel nu verdachte blijkens zijn verklaring geenszins twijfelde aan de in de seksadvertentie opgegeven leeftijd van 18 jaar en op haar meerderjarigheid heeft vertrouwd.

Het hof is van oordeel dat verdachte mitsdien niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij aldus een ongeoorloofd risico heeft genomen, zodat niet kan worden gesproken van het ontbreken van alle schuld. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de bewezen verklaarde ontucht met een minderjarige.

Het bovenstaande neemt niet weg dat de aan het AVAS-verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden wel een rol kunnen spelen bij de straftoemeting.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft – uitvoerig onderbouwd – gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten waarbij hij in aanraking komt met minderjarige vrouwen met een leeftijd tussen de 12 en 18 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voor de inhoud van hetgeen hiertoe is aangevoerd verwijst het hof naar het ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegde requisitoir. Het hof heeft voorts in ogenschouw genomen hetgeen de advocaat-generaal in aanvulling daarop en/of in afwijking daarvan ter zitting mondeling naar voren heeft gebracht.

De verdediging heeft – eveneens uitvoerig onderbouwd – het hof primair in overweging gegeven aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een geldboete. Subsidiair heeft de verdediging bepleit een strafoplegging zoals door de rechtbank is geschied. Voor de inhoud van hetgeen hiertoe is aangevoerd verwijst het hof naar de ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman overgelegde pleitnota. Het hof heeft voorts in ogenschouw genomen hetgeen de raadsman in aanvulling daarop en/of in afwijking daarvan ter zitting mondeling naar voren heeft gebracht.

Bij het bepalen van de op te leggen straf ziet het hof zich gesteld voor de navolgende vraagpunten:

1. de betekenis van art. 22b Sr;

2. de na te streven strafdoeleinden in deze serie zedenzaken;

3. de strafbepalende omstandigheden die in zijn algemeenheid ten voordele dan wel ten nadele dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de gedragingen van de prostituanten;

4. de strafbepalende omstandigheden die in de onderhavige zaak van toepassing zijn en dientengevolge bepalend zijn voor de in dit geval op te leggen straf.

Sub 1. De betekenis van art. 22b Sr

De advocaat-generaal heeft nadrukkelijk en gemotiveerd het standpunt ingenomen dat de in vele zaken door de rechtbank opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van één dag gecombineerd met een taakstraf, in strijd is met het bepaalde in art. 22b Sr. In geval van bewezenverklaring zou volgens de advocaat-generaal gelet op de wetsgeschiedenis (ten minste) een substantiële gevangenisstraf moeten worden opgelegd.

De opvatting van de advocaat-generaal dwingt het hof ertoe uitgebreid stil te staan bij de vraag naar de reikwijdte van art. 22b Sr in het kader van de rechterlijke straftoemetingsvrijheid. Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat bij de interpretatie van de wet zoveel als mogelijk rekening moet worden gehouden met de wil van de wetgever. In dat kader is het volgende van belang.

In het oorspronkelijke in oktober 2009 gepubliceerde wetsvoorstel3 had art. 22b Sr de volgende inhoud:

“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. (…)

b. een der misdrijven omschreven in de artikelen (…), 248b.

Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1e(…)

2e (…)

3. Van het eerste en het tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een al dan niet voorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”

In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel4 is opgenomen:

“Voor de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven kan niet worden volstaan met het opleggen van een <kale> taakstraf. Een dergelijke bestraffing voldoet niet aan de eisen die, gelet op de ernst van het delict, met het oog op vergelding en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten in de toekomst, moeten worden gesteld.

Het onderhavige wetsvoorstel voorziet er daarom in dat in geval van veroordeling voor een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf alleen een taakstraf kan worden opgelegd tezamen met een al dan niet (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.”

Ook in de memorie van toelichting5 is ingegaan op de vermelding van artikel 248b Sr in de nieuwe strafbepaling:

“In het eerste lid, onderdeel b, wordt een drietal misdrijven aangewezen waarvoor het opleggen van een taakstraf in beginsel is uitgesloten, (…). Bij veroordeling voor deze misdrijven kan derhalve geen <kale> taakstraf worden opgelegd, ongeacht of de misdrijven een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge hebben gehad.”

In de in april 2010 gepubliceerde nota naar aanleiding van het verslag6 stelt de minister onder meer:

“Dat brengt mee dat aan de ene kant de wetgever in algemene zin duidelijkheid moet bieden voor welke misdrijven de taakstraf een passende straf is en aan de andere kant de wetgever voldoende ruimte moet laten aan de rechter om in het concrete geval een passende straf te bepalen, gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de dader, en rekening houdend met de mogelijk verschillende strafdoelen (vergelding en de speciale en generale preventie).

De regering wil met dit wetsvoorstel de rechter niet voorschrijven welke straf hij moet opleggen, maar beoogt wel vast te leggen dat bij de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven de rechter niet kan volstaan met het opleggen van enkel een taakstraf. Voor de regering staat daarbij voorop dat de regeling in het wetsvoorstel er niet toe mag leiden dat de rechter niet langer in staat is een straf op te leggen die recht doet aan de omstandigheden van het concrete geval.”

In de in november 2010 gepubliceerde tweede nota van wijziging7 wordt het wetsvoorstel in die zin gewijzigd, dat het derde lid vervalt.

Ter toelichting meldt het (hof: ‘nieuwe’) kabinet onder meer het volgende:

“De taakstraf is in de visie van het kabinet een geschikte straf voor naar verhouding lichte strafbare feiten. Het opleggen van een taakstraf vormt geen toereikende bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. (…)

Het kabinet acht het niet passen bij het karakter van de taakstraf dat deze toch zou kunnen worden opgelegd in geval van een veroordeling wegens een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf, zoals bedoeld in het onderhavige wetsvoorstel. Voorgesteld wordt daarom het derde lid van het nieuwe artikel 22b te schrappen.”

In het in maart 2011 gepubliceerde amendement van het lid Van Toorenburg8 wordt voorgesteld dat aan het nieuwe art. 22b een derde lid wordt toegevoegd, luidende:

“3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”

Ter toelichting is hierbij onder meer opgenomen:

“Door de combinatie van taakstraf en onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan bij de straftoemeting meer rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de sanctie en de wijze van ten uitvoer leggen kunnen worden toegesneden op de aard van het delict en de persoon van de dader en waarbij uiteraard ook de belangen van het slachtoffer en de samenleving moeten worden meegewogen.”

In het in maart 2011 gepubliceerde verslag van de beraadslagingen in de Tweede Kamer9 is onder meer het volgende vermeld:

“Staatssecretaris Teeven:

Ik kom op het amendement van mevrouw Van Toorenburg. In dit amendement wordt het mogelijk gemaakt dat bij een veroordeling voor een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf toch een taakstraf wordt opgelegd, maar dan wel gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ik kan de kamer zeggen dat ik dat amendement steun. De combinatie van een taakstraf met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf verzekert een adequate en passende bestraffing van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven naar ons oordeel wel, ook in het geval van recidive.

(…)

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Als de rechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt van enkele dagen?

Staatssecretaris Teeven:

Artikel 9, lid 4, biedt die mogelijkheid, maximaal 6 maanden.”

In de in juli 2011 gepubliceerde memorie van antwoord aan de Eerste Kamer10 is onder meer opgenomen:

“De rechterlijke straftoemetingsvrijheid is nodig om daarbij de rechter in staat te stellen een straf of maatregel op te leggen die recht doet aan de omstandigheden van het geval. Het is de rechter die moet beslissen welke straf in welk concreet geval passend en geboden is. Dit laat onverlet dat de wet de kaders aangeeft waarbinnen de rechterlijke straftoemetingsvrijheid functioneert.”

In het in november 2011 gepubliceerde verslag van de beraadslagingen in de Eerste Kamer11 is onder meer het volgende vermeld:

“Staatssecretaris Teeven:

(…)

De kamer aan de overkant heeft er voor gekozen om de combinatie met de onvoorwaardelijke straf wel mogelijk te maken. Dat heeft mij, van de zijde van de regering, tot het inzicht gebracht dat wij dan bij de korte onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wel het maximale moeten doen om de gedragsbeïnvloeding - die vinden wij belangrijk, (…) - tot stand te brengen.”

Conclusies naar aanleiding van de parlementaire geschiedenis

Naar het oordeel van het hof kan uit het bovenstaande het volgende worden afgeleid:

a. de wetgever heeft de rechter beperkt in de mogelijkheden tot het opleggen van een taakstraf. Een ‘kale’ taakstraf kan niet meer worden opgelegd. De in het algemeen veel gehanteerde combinatie van hoofdstraffen, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf met een taakstraf, was in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog wel een optie, maar die optie is in de loop van het wetgevingstraject gesneuveld: in geval van overtreding van artikel 248b Sr kan daarom niet worden volstaan met de combinatie van een voorwaardelijke vrijheidsstraf en een taakstraf;

b. binnen de wettelijke kaders kan de rechter wel een taakstraf opleggen, maar dan gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze gevangenisstraf wordt in dat geval beperkt door het wettelijk minimum (art. 10, tweede lid Sr: ten minste een dag) en het wettelijk maximum (art. 9, vierde lid Sr: ten hoogste zes maanden);

c. anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, vindt het hof in de wetsgeschiedenis geen aanwijzingen dat de gevangenisstraf in geval van overtreding van artikel 248b Sr (altijd) ten minste ‘substantieel’ moet zijn, wat dat ook moge betekenen.

De door de rechtbank opgelegde combinatie van hoofdstraffen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag en een taakstraf, welke combinatie door de advocaat-generaal wordt beoordeeld als nadrukkelijk in strijd met het bepaalde in artikel 22b Sr, behoort naar het oordeel van het hof bij veroordeling ter zake overtreding van artikel 248b Sr nadrukkelijk wel tot het palet van mogelijke straffen.

Sub 2. Na te streven strafdoeleinden

Met het bestraffen van strafbare feiten worden verschillende strafdoeleinden nagestreefd. De meest in het oog springende doeleinden zijn generale afschrikking, speciale afschrikking, vergelding en resocialisatie. De advocaat-generaal heeft bij het formuleren van zijn strafeis als vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf genomen. Hij is daartoe gekomen op grond van de met ingang van 1 juni 2015 geldende, door het OM opgestelde “Richtlijn voor strafvordering art. 248b Sr” én op grond van zijn interpretatie van het in art. 22b Sr neergelegde taakstrafverbod. De advocaat-generaal heeft daarbij beklemtoond dat omwille van de generale afschrikking substantiële (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn aangewezen. Het hof acht een dergelijk vooral op generale afschrikking gericht strafvorderingsbeleid op zichzelf voorstelbaar ten aanzien van prostituanten die gericht hebben gezocht naar en bewust gebruik hebben gemaakt van de diensten van een minderjarige prostituee.

Wanneer echter aannemelijk is geworden dat het, zoals in casu, gaat om prostituanten die gebruik hebben gemaakt van de diensten van een prostituee van wie de prostituant eerst achteraf heeft ontdekt dat deze minderjarig was, ligt zulks minder in de rede.

De onderhavige serie strafzaken hebben laten zien dat de door de advocaat-generaal beoogde generale afschrikking in dit soort gevallen ook kan worden bereikt met het daadwerkelijk opsporen, vervolgen en berechten van de betreffende prostituanten. Daarmee wordt naar het oordeel van het hof ook de speciale afschrikking en de vergelding gediend. Los van dit alles moet het hof juist bij deze categorie prostituanten ook oog hebben voor het belang van resocialisatie.

Sub 3. Algemene voor de straftoemeting relevante omstandigheden in relatie tot art. 248b Sr

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de strafrechter zich wat betreft de straftoemeting enkel en alleen kan uitlaten over de straf die in de aan hem voorgelegde zaak moet worden opgelegd. Dat is inherent aan het in de artikelen 348 en 350 Sv neergelegde rechterlijk beslissingsschema. Daarmee is evenwel niet gezegd dat het de strafrechter niet zou zijn toegestaan meer algemene kaders te formuleren die als oriëntatiepunten kunnen dienen ten behoeve van een evenwichtige straftoemeting bij soortgelijke zaken.

Voor alle in hoger beroep aan de orde zijnde Valkenburgse zedenzaken waarin het hof tot een veroordeling komt – zoals in de onderhavige zaak – geldt het volgende.

Het gaat om een verdachte prostituant. Het contact voor het maken van een seksafspraak kwam tot stand nadat verdachte de openbare site(s) ‘Sexjobs.nl’ en/of ‘Kinky.nl’ had geraadpleegd waarop stond vermeld dat de betreffende prostituee 18 jaar oud was. De inhoud van de concrete advertentie behoefde bij de verdachte op zichzelf geen argwaan te wekken over de werkelijke leeftijd van de prostituee. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte bewust op zoek is geweest naar een seksafspraak met een minderjarige prostituee. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou het hof tot een andere, aanmerkelijk zwaardere, strafoplegging zijn gekomen. In het onderhavige geval is de verdachte op zoek geweest naar een meerderjarige prostituee van wie de ware leeftijd van 16 jaar pas achteraf is gebleken.

Bovendien is gesteld noch gebleken dat ter zake van de bewezen verklaarde seksuele handelingen sprake is geweest van enige door verdachte uitgeoefende dwang in de richting van de jeugdige prostituee, hetgeen een strafverzwarend gevolg zou hebben gehad.

Voorts stelt het hof voorop dat het, anders dan de advocaat-generaal, geen strafverzwarende betekenis toekent aan de omstandigheid dat in sommige zaken sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen de prostituant en de prostituee. Nu de huidige wetgeving immers geen verbod kent op prostitutie door meerderjarige prostituees, is juridisch slechts relevant of een prostituee in kwestie minimaal de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Gelet op die realiteit is het niet aan de strafrechter een moreel oordeel uit te spreken over de voorkeur van een prostituant voor een relatief jonge of oude(re) prostituee.

Het hof heeft in alle Valkenburgse zedenzaken waarbij het tot een veroordeling is gekomen acht geslagen op de volgende categorieën vraagpunten:

1. Met betrekking tot de seksuele gedragingen:

a. is wel of geen sprake geweest van het oraal/vaginaal binnendringen van het lichaam van de prostituee? Indien geen sprake is geweest van oraal/vaginaal binnendringen neemt het hof wat betreft het aantal uren taakstraf als uitgangspunt 120 uren.

b. zo ja, is bij het binnendringen wel of geen gebruik gemaakt van een condoom? Indien bij het binnendringen geen gebruik is gemaakt van een condoom neemt het hof wat betreft het aantal uren taakstraf als uitgangspunt 200 uren, indien daarbij wel een condoom is gebruikt, is het uitgangspunt 180 uren.

2. Met betrekking tot de omstandigheden van het geval:

a. had het eerste feitelijke contact met de jeugdige prostituee aanleiding moeten geven tot argwaan bij verdachte dat het geen legale seksafspraak betrof? Hierbij denkt het hof in het bijzonder aan de locatie waar de afspraak plaatshad, de (onverwachte) aanwezigheid van de jongeman (de inmiddels onherroepelijk veroordeelde ‘loverboy’), diens presentatie naar verdachte en/of de prostituee toe en de wijze van betaling;

b. in hoeverre heeft verdachte zich vergewist van de ware leeftijd van de jeugdige prostituee? Heeft hij naar haar leeftijd gevraagd en/of inzage verlangd van haar identiteitskaart of paspoort?

c. heeft verdachte meer seksafspraken met de prostituee gehad?

d. heeft verdachte zich uit eigen beweging bij de politie gemeld naar aanleiding van de berichtgeving in de media?

e. mocht van verdachte – gelet op diens maatschappelijke activiteiten – een grotere verantwoordelijkheid worden verwacht bij het controleren van de juiste leeftijd van de jeugdige en de inschatting van eventuele misstanden?

f. is de verdachte tot zijn persoon herleidbare media-aandacht ten deel gevallen?

g. heeft verdachte ter zitting of anderszins spijt betuigd?

h. heeft de verdachte het slachtoffer schadeloos gesteld in de vorm van het treffen van een schikking?

Aan een bevestigend antwoord op vraagpunt 2a en 2c kent het hof strafverhogende betekenis toe. Aan een bevestigend antwoord op een van de vraagpunten onder 2b en 2d tot en met 2h kent het hof strafverminderende betekenis toe.

3. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden:

a. welk gewicht moet worden toegekend aan hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken ter zake van verdachtes persoonlijke omstandigheden? Hierbij denkt het hof in het bijzonder aan de gevolgen die de zaak reeds voor de verdachte heeft gehad en de inhoud van de rapportage(s) van de reclassering (onder meer de recidivekans);

b. is de inhoud van verdachtes strafblad van invloed op de strafoplegging (algemene of speciale recidive, artikel 63 Sr)?

Sub 4: De straftoemeting in concreto

Uit de bewezenverklaring van het hof volgt dat sprake is geweest van oraal en vaginaal seksueel binnendringen van het lichaam van de jeugdige prostituee. Hierbij is kennelijk slechts bij de geslachtsgemeenschap gebruik gemaakt van een condoom.

Verdachte was toentertijd werkzaam als jeugdhulpverlener voor de Stichting Jeugdzorg. Hij heeft voor die stichting sinds maart 2006 in diverse uitvoerende functies gewerkt, waaronder als groepsleider bij een justitiële jeugdzorginstelling. Zo kende hij de hoofdverdachte in deze zaak (de inmiddels onherroepelijk veroordeelde ‘loverboy’). Ook heeft hij als professional te maken gehad met meisjes die in het loverboycircuit zaten. In januari 2015 is er een einde gekomen aan verdachtes dienstverband, nadat hij zijn leidinggevende heeft geïnformeerd over zijn betrokkenheid bij de onderhavige zaak.

Het hof stelt vast dat verdachte heeft gereageerd op een advertentie op een legale website waarin stond vermeld dat de prostituee 18 jaar oud was. Verdachte heeft bij de politie eerst tweemaal een verklaring afgelegd waarin hij weliswaar toegaf bij de jeugdige prostituee te zijn geweest, doch ontkende seksueel contact met haar te hebben gehad. Pas in zijn derde verklaring bij de politie – die verdachte op eigen initiatief heeft afgelegd – heeft hij ook de seksuele handelingen bekend. Hij heeft toen ook verklaard dat hij vooraf niet heeft gevraagd hoe oud ze was, maar dat hij haar wel jong vond. Hij schatte haar 18 of 19 jaar oud. Verdachte heeft haar ware leeftijd geenszins geverifieerd.

Op grond van de specifieke inhoud van de verklaring van de minderjarige prostituee aangaande de seksafspraak met de ‘jeugdhulpverlener’ stelt het hof verder vast dat verdachte voorafgaand aan de seksuele handelingen de ‘loverboy’ aldaar heeft gezien en met hem heeft gesproken omdat zij elkaar kenden uit het verleden.

Gelet op het vorenstaande rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij, terwijl hij werkervaring heeft op het gebied van slachtoffers van loverboys, ondanks het zien en spreken van de jonge man – die hij nota bene beroepshalve kende als een jongen met een crimineel verleden – zich niet heeft vergewist van de legaliteit van de door hem gemaakte seksafspraak en desalniettemin seksuele handelingen met/bij de jeugdige prostituee heeft verricht.

Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij ter zitting in hoger beroep spijt heeft betuigd. In verband met dit laatste houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat er een schadeloosstelling van de jeugdige prostituee heeft plaatsgevonden middels een schikking en verdachte aldus zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Verder volgt uit de reclasseringsadviezen van 30 juni 2015 en 1 december 2016 dat de onderhavige zaak reeds een behoorlijke psychische impact op verdachte heeft gehad, alsook op zijn sociaal en werkend leven. De reclassering schat de recidivekans als laag in.

Met de raadsman, is het hof van oordeel dat bij de straftoemeting voorts rekening dient te worden gehouden met de kennelijk tot verdachtes persoon herleidbare publiciteit waarmee de Valkenburgse zedenzaak is omgeven, nu kan worden aangenomen dat de naam of de persoon van verdachte hierdoor concrete schade heeft opgelopen.

Alles overziende leidt dit ertoe dat, hoewel het hof de oplegging van uitsluitend een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf als passende strafcombinatie ziet, het hof zich gelet op het bepaalde in artikel 22b, derde lid, Sr gehouden acht daarnaast nog een minimale onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Mitsdien acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, geboden.

Met de oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, komt het hof niet tot de oplegging van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten waarbij hij in aanraking komt met minderjarige vrouwen met een leeftijd tussen de 12 en 18 jaren. Gelet op voormelde inhoud van het reclasseringsrapport en de indruk die het hof van de verdachte ter terechtzitting heeft gekregen acht het hof een dergelijke voorwaarde niet aangewezen. Bovendien zou een dergelijke voorwaarde in de weg staan aan de mogelijkheden voor verdachte om zijn huidige werkzaamheden te verrichten, hetgeen het hof ongewenst acht. Het hof acht voorts een proeftijd van twee jaren afdoende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b en 248b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 178 (honderdachtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten en J.E. van Dijk, griffiers,

en op 28 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna niet anders is vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van de politie Eenheid Limburg, parketnummer 03/866080-15, proces-verbaalnummer 2014119064, doorgenummerd t/m pagina 383.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 december 2016.

3 Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 2.

4 Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 4.

5 Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 10.

6 Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 7, p. 8.

7 Kamerstukken II 2010/11, 32 169, nr. 9.

8 Kamerstukken II 2010/11, 32 169, nr. 12.

9 Handelingen II 2010/11, nr. 65, p. 65-10-48.

10 Kamerstukken I 2010/11, 32 169, C, p. 6.

11 Handelingen I 2010/11, nr. 6, p. 6-5-47.