Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5636

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
20-002911-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt de verdachte ter zake van het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002911-14

Uitspraak : 22 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-993218-12 tegen:

[voornamen] [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres]

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat de verdachte van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, dan wel dat zij partieel daarvan zal worden vrijgesproken, te weten: voor zover het telkens betreft de periodes van 1 januari 2012 tot en met augustus 2012 en van 1 januari 2013 tot en met 4 juni 2013;

  • -

    subsidiair – voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring zou komen – bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en dat het hof zal bepalen dat het geld waarop beslag is gelegd aan verdachte zal worden teruggegeven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 4 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerp(en) en/of vervoermiddel(len) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met een of meer van verdachtes mededader(s) en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen (uit Polen) en/of overgebracht en/of laten overbrengen naar en/of opgeslagen en/of laten opslaan op een of meer plaatsen in Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren en/of betaald en/of laten betalen om de chemicaliën te zuiveren en stickers van de zending af te halen, teneinde de herkomst en bestemming van de chemicaliën te verhullen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met (een) chauffeur(s) en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en/of documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- een of meer geldbedrag(en) bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan, althans chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en/of

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en/of

* in ontvangst genomen en/of laten) nemen door [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en/of een of meerdere (andere) verdachte(n) en/of perso(o)n(en) en/of

- betaald en/of laten betalen van een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 4 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletter(s)] [medeverdachte 1] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 2] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 3] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 4] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 5] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 6] en/of [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de

Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen door:

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders

- met een of meer van verdachtes mededaders en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- grote hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen uit Polen en overgebracht of laten overbrengen naar Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren om stickers van de zending af te halen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met chauffeurs en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- geldbedragen bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en

* in ontvangst genomen en/of laten nemen door andere verdachten en/of

- een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen betaald en/of laten betalen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletter(s)] [medeverdachte 1] en [voorletter(s)] [medeverdachte 2] en [voorletter(s)] [medeverdachte 3] en [voorletter(s)] [medeverdachte 4] en [voorletter(s)] [medeverdachte 5] en [voorletter(s)] [medeverdachte 6] en [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om telkens een feit als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 1. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

a.

In de eerste plaats is daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de verdachte niet wist dat zij bezig was met voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs, immers:

  • -

    bestelde zij de onderhavige chemicaliën bij een legaal Pools bedrijf en zijn die stoffen in Polen niet verboden, waarvan de verdachte ook op de hoogte was;

  • -

    kunnen de onderhavige middelen ook worden gebruikt voor legale doeleinden en mag uit de combinatie van de bestelde middelen niet zonder meer worden afgeleid dat deze waren bestemd waren voor de productie van drugs;

  • -

    kan uit de getapte telefoongesprekken niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van versluierd taalgebruik en blijkt uit geen enkel tapgesprek van enige bewustheid bij de verdachte van betrokkenheid bij strafbare feiten,

zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de chemicaliën die, met name door verdachte, bij [bedrijf 2] in Polen werden besteld, waren bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals BMK, amfetamine en MDMA.

Met betrekking tot de vraag of de verdachte wist dat zij zich bezighield met handelingen die betrekking hadden op de voorbereiding van de productie van (precursoren van) harddrugs, zijn de volgende omstandigheden van belang, zoals die naar voor komen uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Uit de inhoud van de opgenomen telecommunicatie blijkt dat door verschillende verdachten, onder wie de verdachte zelf, in versluierd taalgebruik met elkaar werd gesproken. Het hof wijst in het bijzonder op het gebruik van de woorden ‘keuken(s)’ en afleidingen daarvan, ‘appartement(en)’, de letter ‘F’ “For’, ‘44’, ‘keukenzout’ en ‘zout’. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en samenhang, is aannemelijk dat:

  • -

    met ‘keuken’ en ‘appartement’ een chemische stof, zoals apaan, wordt bedoeld;

  • -

    met ’44’, apaan wordt bedoeld;

  • -

    met ‘keukenzout’ of ‘zout’, ‘zoutzuur’ wordt bedoeld.

  • -

    met de letter ‘F’ en ‘For” wordt gedoeld op formamide.

Het versluierd taalgebruik blijkt onder meer uit de navolgende gesprekken waarbij de verdachte betrokken was:

In het tapgesprek van 23 augustus 2012 te 17:54 uur tussen verdachte [medeverdachte 3] en verdachte [verdachte] , zegt [verdachte] onder meer dat zij op 3 augustus 2012 van de [bijnaam 1] ’ naar Polen moest komen, omdat hij de ‘keuken’ wilde bekijken.

In het tapgesprek van 8 oktober 2012 te 20:25 uur zegt de verdachte [verdachte] tegen [naam 1] [betrokkene] – zakelijk weergegeven – onder meer dat:

  • -

    ‘zij’ (het hof begrijpt: medeverdachten [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] ) niet via de telefoon willen praten, omdat de telefoon afgeluisterd kan worden;

  • -

    ‘zij’ tegen haar hebben gezegd dat zij ‘meubels’ moet bestellen, waarop [betrokkene] lacht en zegt: “Meubels?”;

  • -

    [verdachte] daarop zegt: “Ja ‘keukenmeubels’ meestal, of ‘keukenzout’. En zo praat hij met mij via de telefoon, want in Nederland kan hij het niet direct zeggen”.

In het tapgesprek van 10 oktober 2012 (10.22 uur) tussen verdachte [verdachte] en [voorletter(s)] [betrokkene] zegt [verdachte] onder meer: “Dus ik heb hem geschreven, dat ik alleen voor de ‘keukenmeubels’ heb gekregen, maar hoe zat het dan met het ‘appartement’.” Verder wordt er gesproken dat “die 23% er nog bijkomt” en “dat die product, je weet welke, ‘vier vier’ daarvan moet je überhaupt de prijs verhogen” en over de leverancier van ‘zout van 38%’, dat nodig is in combinatie met ‘het product 4.4.’.

In het tapgesprek van 28 januari 2013 (20.24 uur) tussen [verdachte] en [betrokkene] zegt [betrokkene] tegen [verdachte] : “ [naam 2] zei tegen haar: Het is goed dat u er bent, mevrouw, want wij willen 4000 van 44 bestellen, is dit mogelijk?”; en verder: “(…) ik heb de leverancier gevraagd en hij begon te vertellen dat het vanaf 2013 op een lijst van drugsprecursoren zal komen. Daarop zegt [verdachte] tegen [betrokkene] : “Ja dat zei ik tegen jou (…)”.

Verder heeft verdachte in haar verhoor van d.d. 27 juni 2013 (9e verhoor) verklaard – zakelijk weergegeven – dat op een gegeven moment [naam 3] (hof: verdachte [voorletter(s)] [medeverdachte 6] ), [naam 7] (hof: verdachte [voorletter(s)] [medeverdachte 1] ) en [naam 4] (hof: verdachte [voorletter(s)] [medeverdachte 5] ) naar haar toe zijn gekomen en tegen haar zeiden dat zij tegen [naam 1] (hof: M. [betrokkene] ) moest zeggen dat zoutzuur voortaan ‘(keuken)zout’ moest heten, dat zij over ‘zout’ moesten spreken en voorts dat ‘appartement’ voor ‘44’ stond.

De verdachte heeft in haar verhoor van 5 juni 2013 te 13:40 uur (4e verhoor) in verband met een partij apaan en zoutzuur die op bestelling van medeverdachte [voorletter(s)] [medeverdachte 1] op naam van de verdachte vanuit Polen naar Oss is gezonden (zie de bijlage met de bewijsmiddelen onder het traject ‘Raben’) verklaard – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    zij met ‘ [bijnaam 2] ’ (hof: verdachte [voorletter(s)] [medeverdachte 1] ) heeft gebeld dat de producten bij Raben staan en dat hij ze op moest gaan halen;

  • -

    zij heeft besloten dit niet zelf te doen, omdat zij geen risico wilde lopen en daarom heeft gevraagd de bestelling terug te sturen;

  • -

    ‘het’ in Polen misschien is toegestaan, maar in Nederland niet.

In het tapgesprek van 16 januari 2013 te 13:49 uur tussen verdachte [verdachte] en [betrokkene]1 zegt [verdachte] tegen [betrokkene] dat ‘haar’ jerrycans door de politie worden gezocht en dat 57 jerrycans zijn ‘uitgesmeten’ omdat het percentage van het zoutzuur onder de 30% bleek te zijn, dat de politie nu op zoek is naar de dader die jerrycans met zoutzuur weggegooid heeft en dat [verdachte] tegen hem zei: “Waarom heb je dit weggegooid?”. [verdachte] zegt verder tegen [betrokkene] dat ‘ [bijnaam 2] ’ het verkocht heeft aan iemand anders en dat die gezegd heeft dat het percentage niet goed was en dat ‘ [bijnaam 2] ’ heeft gezegd dat andere personen ‘het’ weggedaan hebben. Ten slotte vertelt [verdachte] dat ‘ [bijnaam 2] ’ tegen haar heeft gezegd dat zij niet de politie moet bellen om het percentage van het zoutzuur op te vragen, omdat ze dan opgepakt zal worden.

In het tapgesprek van 11 december 2012 (16:38 uur, nummer GHA 99) tussen [verdachte] en [betrokkene] wordt er gesproken over 44. Gelet op de context spreekt [verdachte] in dit telefoongesprek over [naam 5] : “en hij zei dat je absoluut niets aan [bijnaam 3] mag afgeven, voor firma [bedrijf 1] of iets anders”2. Er is veel geld verdiend door iemand anders op de 44. Er wordt gesproken over een prijs van 115 euro. P: “Ik ga [bijnaam 2] vragen voor hoeveel je het hier kan kopen. Want er wordt iets uitgehaald (..) De olie die niet te bestellen is. (…) Die bij ons op de lijst staat, als voorbehouden (…) Daar wordt het van uitgetrokken (…) en is het zo waardevol.”

In haar achtste verhoor d.d. 26 juni 2013 houdt verbalisant verdachte dit tapgesprek voor. Wat bedoel je hier met olie, vraagt verbalisant. Verdachte denkt dat het om BMK gaat. Dat staat op de lijst met verboden producten, aldus verdachte.

Ten slotte heeft verdachte in de ten laste gelegde periode regelmatig (waaronder in ieder geval eenmaal in gezelschap van medeverdachte [medeverdachte 1] ) de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in het Huis van Bewaring/de P.I. bezocht, waar deze waren gedetineerd in verband met een eerdere veroordeling voor/verdenking van het plegen van harddrugsdelicten en heeft daar ook overleg met hen gehad over bestellingen chemicaliën bij [bedrijf 2] in Polen.

De hierboven weergegeven omstandigheden laten naar het oordeel van het hof geen andere gevolgtrekking toe dan dat verdachte, door te handelen zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, wist dat zij, tezamen en in vereniging met haar mededaders, het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, zou voorbereiden of bevorderen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

II.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – betoogd dat de verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is –

zakelijk weergegeven – primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat in casu sprake is geweest van een zodanige structuur dat kan worden gesproken van een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet, subsidiair dat de verdachte, gelet op haar beperkte rol die hoofdzakelijk bestond uit het verrichten van tolkwerkzaamheden en het feit dat zij voor de organisatie niet onmisbaar was, geen onderdeel van de veronderstelde criminele organisatie heeft uitgemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Onder een organisatie in de zin van art. 11a (oud) van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet noodzakelijk dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten. Evenmin is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en dat de samenstelling van het samenwerkingsverband van de organisatie steeds dezelfde is.

Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Dat oogmerk moet zijn gericht op een pluraliteit van misdrijven. Het gaat hier niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van meerdere misdrijven. Voor het bewijs van dat oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt het opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet noodzakelijk is opzet op de door de organisatie beoogde of mogelijk reeds gepleegde, concrete misdrijven. Voor deelnemen is voorts nodig dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat komt vast te staan dat de betrokkene heeft deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk is gericht. Evenmin is vereist, zoals de verdediging kennelijk veronderstelt, dat de deelnemer onmisbaar is voor het functioneren van de organisatie.

Het hof stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen vast dat in de ten laste gelegde periode op grote schaal chemicaliën

– onder andere zoutzuur, mierenzuur, formamide en apaan – zijn aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] te Polen en naar Nederland zijn getransporteerd. Deze chemicaliën waren bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aan de top, met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [verdachte] als de personen die door deze twee personen werden aangestuurd en met verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] als afnemers, maar ook als personen die tezelfdertijd bestellingen plaatsten en zeggenschap hadden over transporten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking – hoewel bij de onderscheidenlijke trajecten niet telkens tussen alle verdachten onderling – niet incidenteel is geweest. Integendeel, deze samenwerking had ontegenzeggelijk een duurzaam karakter en stond, zoals alle deelnemers wisten, ten dienste van de invoer van chemicaliën die waren bestemd voor de vervaardiging van (precursoren van) synthetische drugs. Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte binnen de bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet, gericht op het opzettelijk verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de productie van (precursoren van) synthetische drugs.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

III.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 1. en 2. ten laste gelegde partieel, te weten: voor zover het telkens betreft de periodes van 1 januari 2012 tot en met augustus 2012 en van 1 januari 2013 tot en met 4 juni 2013, dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de getuige [naam 1] [betrokkene] op 4 juni 2013 heeft verklaard dat zij werkzaam is bij [bedrijf 2] als bedrijfsmanager en dat zij Mariola [verdachte] sinds de herfst van 2011 als medewerker van het bedrijf [bedrijf 1] kent. Daarnaast heeft het hof tot het bewijs gebezigd een groot aantal facturen betreffende bestellingen van chemicaliën bij [bedrijf 2] te Polen op naam van het bedrijf [bedrijf 1] , welke facturen zowel in de administratie van [bedrijf 2] als bij verdachte thuis heeft aangetroffen. Deze facturen hebben betrekking op de periode van 24 januari 2012 tot en met 13 maart 2013.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ten behoeve van de onderhavige criminele organisatie was betrokken bij bestellingen van chemicaliën bij het bedrijf [bedrijf 2] tot en met 6 maart 2013 (te weten: tot en met het traject ‘6 maart 2013’).

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten zich hebben afgespeeld in de ten laste gelegde periode.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

IV.

Uit de inhoud van de in de bijlage bij dit arrest vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, blijkt dat verdachte zich in de bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan tal van voorbereidingshandelingen zoals onder 1 zijn omschreven en deel uitmaakte van een criminele organisatie die gericht was op het ten name van [bedrijf 1] van de firma [bedrijf 2] in Polen betrekken en invoeren van grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs als amfetamine (speed) en MDA/MDMA (XTC), waarbij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] elkaar tijdens hun gevangenschap hadden gevonden in de leiding en coördinatie van een en ander en daarbij gebruik maakten van de diensten van [naam 3] [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , alsmede van [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , de echtgenote van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 6] stond daarbij in rangorde boven [verdachte] en [medeverdachte 2] , terwijl de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] gebruik maakten van dit criminele samenwerkingsverband om via de aldus verkregen leveranties een bestaande schuld (aan de vader van [medeverdachte 1] ) te verrekenen.

V.

De strafbare voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd en bewezen verklaard onder 1. maken deel uit van het handelen van de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte zoals bewezen onder 2. Voor zover verdachte feitelijk niet betrokken is geweest bij onderdelen van de bewezenverklaring zoals bewezenverklaard onder 1., zijn deze toch in het aan bij dit arrest behorende bewijsmiddelenoverzicht opgenomen, nu deze feiten onderdeel uitmaken van het handelen van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte.

VI.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich met anderen, in een georganiseerd crimineel verband, heeft schuldig gemaakt aan het gedurende langere tijd vanuit Polen naar Nederland invoeren van grote partijen chemicaliën die waren bestemd voor de productie van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MD(M)A;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde in verband staat met de (zeer) grootschalige productie van harddrugs, die eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

  • -

    de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

  • -

    de omstandigheid dat de internationale rechtsorde en de openbare orde door het bewezen verklaarde is geschonden;

  • -

    de relatief ondergeschikte, uitvoerende en faciliterende rol van de verdachte binnen de onderhavige criminele organisatie had zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 juli 2016, waaruit blijkt dat zij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het haar betreffend voorlichtingsrapport van Robur Advies, d.d. 12 augustus 2013, opgemaakt door dhr. [naam 6] , forensisch maatschappelijk werker;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat zij momenteel werkloos is en een uitkering ontvangt, zij kampt met psychologische problematiek waarvoor zij in therapie is, zij onlangs is gescheiden van haar Poolse echtgenoot en haar 15-jarige zoon momenteel verblijft bij haar moeder in Polen en in Polen wordt onderzocht of hij daar kan blijven in verband met deze strafzaak.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf een passende en geboden reactie.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 2.830,00 zal worden teruggegeven aan de verdachte onder wie genoemd geldbedrag in beslag genomen is, nu niet is komen vast te staan dat dit bedrag krachtens een van de daarvoor geldende gronden voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.830,00 (tweeduizend achthonderddertig euro).

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 22 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Ordner 21, bijlage 3, p. 569 t/m 572

2 Order 15 2-2, p. 635