Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5635

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
20-002910-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt de verdachte ter zake van het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002910-14

Uitspraak : 22 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-993219-12 tegen:

[voornaam verdachte] [achternaam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen zal onttrekken aan het verkeer.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat de bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde feit zich niet verder kan uitstrekken dan de periode van 20 augustus 2012 tot 12 januari 2013;

  • -

    bepleit dat de verdachte van de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken;

- subsidiair – voor het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring zou komen – bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerp(en) en/of vervoermiddel(len) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met een of meer van verdachtes mededader(s) en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen (uit Polen) en/of overgebracht en/of laten overbrengen naar en/of opgeslagen en/of laten opslaan op een of meer plaatsen in Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren en/of betaald en/of laten betalen om de chemicaliën te zuiveren en stickers van de zending af te halen, teneinde de herkomst en bestemming van de chemicaliën te verhullen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met (een) chauffeur(s) en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en/of documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- een of meer geldbedrag(en) bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan, althans chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en/of

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletters] [medeverdachte 7] en/of

* in ontvangst genomen en/of laten) nemen door [voorletters] [medeverdachte 7] en/of een of meerdere (andere) verdachte(n) en/of perso(o)n(en) en/of

- betaald en/of laten betalen van een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletters] [medeverdachte 1] en/of [voorletters] . [medeverdachte 2] en/of [voorletters] [medeverdachte 3] en/of [voorletters] [medeverdachte 4] , en/of [voorletters] [medeverdachte 5] en/of [voorletters] [medeverdachte 6] en/of [voorletters] [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

3.

hij op of omstreeks 4 juni 2013, althans in de maand juni 2013, in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,6 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde gevorderd.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde onder meer het volgende.

De politie heeft op 4 juni 2013 een doorzoeking te verricht in het bedrijfspand van [bedrijf 1] aan de [adres 2] . De in eerste aanleg ter zake van dit feit veroordeelde medeverdachte [medeverdachte 8] was destijds directeur-grootaandeelhouder van dit bedrijf en tevens de partner van de grootmoeder van de verdachte. [medeverdachte 8] was op de ten laste gelegde datum ook woonachtig op dat adres.

Bij gelegenheid van die doorzoeking werden onder meer twee sporttassen aangetroffen met als inhoud 18 in plastic ‘gesealde’ pakketten. Deze sporttassen lagen in een diepvrieskist onder ingevroren etenswaren. De vriezer bevond zich in de kantoorruimte van het bedrijf op de bovenverdieping. De verdachte was in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde datum werkzaam als administratief medewerker in het bedrijf van [medeverdachte 8] en verrichtte zijn werkzaamheden in voormelde kantoorruimte.

Uit onderzoek door het NFI bleek dat alle 18 pakketten (natte) amfetamine bevatten, met een totaal gewicht van bruto 18,32 kilogram.

Op één van de hengsels van één van de sporttassen waarin de amfetamine werd aangetroffen, is een DNA-spoor veiliggesteld waarvan is vastgesteld dat het daaruit verkregen DNA-profiel overeenkomt met dat van de medeverdachte [medeverdachte 5] , een vriend van de verdachte met wie hij een intensief contact onderhield, onder meer vanwege de samenwerking in na te melden criminele organisatie die bezighield met de invoer van chemicaliën bestemd voor de vervaardiging van (precursoren van) synthetische drugs – zoals amfetamine – vanuit Polen.

Hoewel voormelde omstandigheden, mede in relatie tot de hieronder bewezenverklaarde feiten 1 en 2, sterk wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij het feit, is het hof van oordeel dat het wettig bewijs ontbreekt om tot bewezenverklaring van het feit te komen.

Bijgevolg zal de verdachte van het onder 3. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen door:

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders

- met een of meer van verdachtes mededaders en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- grote hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen uit Polen en overgebracht of laten overbrengen naar Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren om stickers van de zending af te halen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met chauffeurs en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- geldbedragen bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletters] [medeverdachte 7] en

* in ontvangst genomen en/of laten nemen door andere verdachten en/of

- een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen betaald en/of laten betalen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletters] [medeverdachte 1] en [voorletters] . [medeverdachte 2] en [voorletters] [medeverdachte 3] en [voorletters] [medeverdachte 4] en [voorletters] [medeverdachte 5] en [voorletters] [medeverdachte 6] en [voorletters] [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om telkens een feit als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde betoogd dat de bewezenverklaring daarvan zich niet verder kan uitstrekken dan tot een eenmalige betrokkenheid van de verdachte bij de levering van een partij apaan vanuit Polen in de periode van 20 augustus 2012 tot 12 januari 2013.

Het hof is van oordeel dat het verweer geen bespreking behoeft omdat het wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

II.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – betoogd dat de verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie, omdat geen sprake was van een gezamenlijk oogmerk van de betrokkenen of van één duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband en voorts dat de verdachte geen onderdeel van de gestelde organisatie was, maar slechts een klant van het bedrijf [bedrijf 2] .

Het hof overweegt als volgt.

Onder een organisatie in de zin van art. 11a (oud) van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet noodzakelijk dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten. Evenmin is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en dat de samenstelling van het samenwerkingsverband van de organisatie steeds dezelfde is.

Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Dat oogmerk moet zijn gericht op een pluraliteit van misdrijven. Het gaat hier niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van meerdere misdrijven. Voor het bewijs van dat oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet noodzakelijk is opzet op de door de organisatie beoogde of mogelijk reeds gepleegde, concrete misdrijven. Voor deelnemen is voorts nodig dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat komt vast te staan dat de betrokkene heeft deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk is gericht.

Het hof stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen vast dat in de ten laste gelegde periode op grote schaal chemicaliën

– onder andere zoutzuur, mierenzuur, formamide en apaan – zijn aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] te Polen en naar Nederland zijn getransporteerd. Deze chemicaliën waren bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aan de top, met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als de personen die door deze twee personen werden aangestuurd en met verdachten [achternaam verdachte] en [medeverdachte 5] als afnemers, maar ook als personen die tezelfdertijd bestellingen plaatsten en zeggenschap hadden over transporten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking – hoewel bij de onderscheidenlijke trajecten niet telkens tussen alle verdachten onderling – niet incidenteel is geweest. Integendeel, deze samenwerking had ontegenzeggelijk een duurzaam karakter en stond, zoals alle deelnemers wisten, ten dienste van de invoer van chemicaliën die waren bestemd voor de vervaardiging van (precursoren van) synthetische drugs. Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte binnen de bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet, gericht op het opzettelijk verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de productie van (precursoren van) synthetische drugs.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

III.

Uit de inhoud van de in de bijlage bij dit arrest vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, blijkt dat verdachte zich in de bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan tal van voorbereidingshandelingen zoals onder 1 zijn omschreven en deel uitmaakte van een criminele organisatie die gericht was op het ten name van [bedrijf 3] van de firma [bedrijf 2] in Polen betrekken en invoeren van grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs als amfetamine (speed) en MDA/MDMA (XTC), waarbij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] elkaar tijdens hun gevangenschap hadden gevonden in de leiding en coördinatie van een en ander en daarbij gebruik maakten van de diensten van [naam 1] [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , alsmede van [voorletters] [medeverdachte 7] , de echtgenote van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 6] stond daarbij in rangorde boven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , terwijl de verdachten [achternaam verdachte] en [medeverdachte 5] gebruik maakten van dit criminele samenwerkingsverband om via de aldus verkregen leveranties een bestaande schuld (aan de vader van [achternaam verdachte] ) te verrekenen.

IV.

De strafbare voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd en bewezen verklaard onder 1. maken deel uit van het handelen van de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte zoals bewezen onder 2. Voor zover verdachte feitelijk niet betrokken is geweest bij onderdelen van de bewezenverklaring zoals bewezenverklaard onder 1., zijn deze toch in het aan bij dit arrest behorende bewijsmiddelenoverzicht opgenomen, nu deze feiten onderdeel uitmaken van het handelen van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte.

V.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich met anderen, in een georganiseerd crimineel verband, heeft schuldig gemaakt aan het gedurende langere tijd vanuit Polen naar Nederland invoeren van grote partijen chemicaliën die waren bestemd voor de productie van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MD(M)A;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde in verband staat met de (zeer) grootschalige productie van harddrugs, die eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

  • -

    de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

  • -

    de omstandigheid dat de internationale rechtsorde en de openbare orde door het bewezen verklaarde is geschonden;

  • -

    de belangrijke rol van de verdachte binnen de onderhavige criminele organisatie zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 juli 2016, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde enkele keren eerder, maar niet ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van GGZ ERW Novadic-Kentron Eindhoven, d.d. 30 januari 2014, opgemaakt door mevr. [naam 2] , reclasseringswerker;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van GGZ ERW Novadic-Kentron Eindhoven, d.d. 11 februari 2014, opgemaakt door mevr. [naam 2] , reclasseringswerker;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat hij woonachtig is bij zijn moeder, een vaste baan heeft bij het bedrijf van zijn moeder en een vriendin heeft met wie hij van plan is te gaan samenwonen.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Vanwege het feit dat verdachte, anders dan in eerste aanleg wordt vrijgesproken van feit 3, zal het hof verdachte een kortere gevangenisstraf opleggen dan de eerste rechter, namelijk een gevangenisstraf van drie jaren onvoorwaardelijk.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen stroomstootwapen is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit aan de verdachte toebehorende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De onder verdachte in beslag genomen hoeveelheden pillen, ampullen en poeder zijn middelen als bedoeld in lijst I behorende bij de Opiumwet en zullen op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet daarom aan het verkeer worden onttrokken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10a, 11a en 13a van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten van hoeveelheden pillen, ampullen, poeder en een stroomstootwapen.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 22 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.