Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5630

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
20-002934-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt de verdachte ter zake van het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002934-14

Uitspraak : 22 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-993233-12 tegen:

[naam 1] [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

verblijvende op het adres [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat de verdachte van het onder 1. ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dan wel dat hij van een aantal van de onderhavige ‘trajecten’ zal worden vrijgesproken;

  • -

    bepleit dat de verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken

  • -

    subsidiair – voor het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring zou komen – bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

  • -

    bepleit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerp(en) en/of vervoermiddel(len) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met een of meer van verdachtes mededader(s) en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen (uit Polen) en/of overgebracht en/of laten overbrengen naar en/of opgeslagen en/of laten opslaan op een of meer plaatsen in Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren en/of betaald en/of laten betalen om de chemicaliën te zuiveren en stickers van de zending af te halen, teneinde de herkomst en bestemming van de chemicaliën te verhullen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met (een) chauffeur(s) en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en/of documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- een of meer geldbedrag(en) bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan, althans chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en/of

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en/of

* in ontvangst genomen en/of laten) nemen door [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en/of een of meerdere (andere) verdachte(n) en/of perso(o)n(en) en/of

- betaald en/of laten betalen van een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletter(s)] [medeverdachte 1] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 2] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 3] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 4] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 5] en/of [voorletter(s)] [medeverdachte 6] en/of [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de

Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen door:

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders

- met een of meer van verdachtes mededaders en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- grote hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen uit Polen en overgebracht of laten overbrengen naar Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren om stickers van de zending af te halen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met chauffeurs en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- geldbedragen bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] en

* in ontvangst genomen en/of laten nemen door andere verdachten en/of

- een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen betaald en/of laten betalen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletter(s)] [medeverdachte 1] en [voorletter(s)] [medeverdachte 2] en [voorletter(s)] [medeverdachte 3] en [voorletter(s)] [medeverdachte 4] en [voorletter(s)] [medeverdachte 5] en [voorletter(s)] [medeverdachte 6] en [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om telkens een feit als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 1. ten laste gelegde feit (partieel) moet worden vrijgesproken.

a.

Op de eerste plaats is daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat concreet per traject moet worden bezien wat er uiteindelijk aan chemicaliën is geleverd en wat de betrokkenheid van de verdachte daarbij is geweest, omdat de niet voltooide leveringen van chemicaliën (trajecten) voor de bewezenverklaring van feit 1 niet relevant zijn.

Het hof overweegt als volgt.

Onder 1. zijn diverse – kort gezegd – voorbereidingshandelingen voor het plegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten: het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen) ten laste gelegd. Voor bewezenverklaring van de op grond van artikel 10a van de Opiumwet ten laste gelegde voorbereidingshandelingen is niet vereist dat het gaat om voltooide leveringen (trajecten) van grondstoffen voor (precursoren van) harddrugs. Daarnaast merkt het hof op dat in het proces-verbaal van politie weliswaar diverse zogenoemde ‘trajecten’ worden onderscheiden, maar dat de tenlastelegging zich hier niet toe beperkt. Het dossier bevat in totaal veel meer bewijsmiddelen voor door verdachte gepleegde voorbereidingshandelingen in voormelde zin dan die met betrekking tot de onderscheiden specifieke trajecten zijn opgenomen.

b.

In de tweede plaats heeft de raadsman daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan (een poging tot) leveringen van chemicaliën naar Nederland van onvoldoende gewicht was/waren om de kwalificatie van medeplegen te kunnen rechtvaardigen.

Het hof overweegt als volgt.

Voorop gesteld wordt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte daarbij, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte 4] , ten tijde van de delicten (nagenoeg) de gehele periode gedetineerd is geweest. Directe uitvoeringshandelingen, zoals daadwerkelijk aanwezig zijn bij aankoop, betaling, vervoer of ontvangst van de onderhavige chemicaliën, zijn niet door hem verricht. Het hof acht echter de intellectuele bijdrage van de verdachte aan de feiten, bestaand uit zijn leidinggevende, coördinerende en aansturende rol zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt, van zodanig gewicht dat hij zonder enige twijfel als medepleger van de ten laste gelegde feiten moet worden gezien. Het hof ziet verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] als de leiders van het criminele samenwerkingsverband waarin de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen zich hebben voorgedaan.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.

c.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

II.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – betoogd dat de verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat in casu niet kan worden gesproken van een organisatie in de zin van artikel 11a (oud) van de Opiumwet, in het bijzonder omdat van de daarvoor vereiste structuur geen sprake was.

Het hof overweegt als volgt.

Onder een organisatie in de zin van art. 11a (oud) van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet noodzakelijk dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten. Evenmin is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en dat de samenstelling van het samenwerkingsverband van de organisatie steeds dezelfde is.

Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Dat oogmerk moet zijn gericht op een pluraliteit van misdrijven. Het gaat hier niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van meerdere misdrijven. Voor het bewijs van dat oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet noodzakelijk is opzet op de door de organisatie beoogde of mogelijk reeds gepleegde, concrete misdrijven. Voor deelnemen is voorts nodig dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat komt vast te staan dat de betrokkene heeft deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk is gericht.

Het hof stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen vast dat in de ten laste gelegde periode op grote schaal chemicaliën

– onder andere zoutzuur, mierenzuur, formamide en apaan – zijn aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] te Polen en naar Nederland zijn getransporteerd. Deze chemicaliën waren bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 4] en [naam 1] aan de top, met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als de personen die door deze twee personen werden aangestuurd en met verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] als afnemers, maar ook als personen die tezelfdertijd bestellingen plaatsten en zeggenschap hadden over transporten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking – hoewel bij de onderscheidenlijke trajecten niet telkens tussen alle verdachten onderling – niet incidenteel is geweest. Integendeel, deze samenwerking had ontegenzeggelijk een duurzaam karakter en stond, zoals alle deelnemers wisten, ten dienste van de invoer van chemicaliën die waren bestemd voor de vervaardiging van (precursoren van) synthetische drugs. Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte binnen de bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet, gericht op het opzettelijk verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de productie van (precursoren van) synthetische drugs.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

III.

Uit de inhoud van de in de bijlage bij dit arrest vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, blijkt dat verdachte zich in de bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan tal van voorbereidingshandelingen zoals onder 1 zijn omschreven en deel uitmaakte van een criminele organisatie die gericht was op het ten name van [bedrijf 1] van de firma [bedrijf 2] in Polen betrekken en invoeren van grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs als amfetamine (speed) en MDA/MDMA (XTC), waarbij [medeverdachte 4] en [naam 1] elkaar tijdens hun gevangenschap hadden gevonden in de leiding en coördinatie van een en ander en daarbij gebruik maakten van de diensten van Johan [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , alsmede van [voorletter(s)] . [medeverdachte 7] , de echtgenote van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 6] stond daarbij in rangorde boven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , terwijl de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] gebruik maakten van dit criminele samenwerkingsverband om via de aldus verkregen leveranties een bestaande schuld (aan de vader van [medeverdachte 3] ) te verrekenen.

IV.

De strafbare voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd en bewezen verklaard onder 1. maken deel uit van het handelen van de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte zoals bewezen onder 2. Voor zover verdachte feitelijk niet betrokken is geweest bij onderdelen van de bewezenverklaring zoals bewezenverklaard onder 1, zijn deze toch in het aan bij dit arrest behorende bewijsmiddelenoverzicht opgenomen, nu deze feiten onderdeel uitmaken van het handelen van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte.

V.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

VI.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt voor dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat bij de eventuele strafoplegging rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat in casu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Daartoe is aangevoerd dat:

  • -

    als uitgangspunt voor zaken waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, geldt dat de einduitspraak binnen 16 maanden na aanvang van vorenbedoelde termijn volgt;

  • -

    de regiezitting in hoger beroep pas ruim 9 maanden na het instellen van het hoger beroep heeft plaatsgevonden, te weten: in juli 2015;

  • -

    de inhoudelijke zitting pas in december 2016 heeft plaatsgevonden, terwijl de zaak reeds begin juni 2016 zittingsrijp was.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.

In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 11 juni 2013, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 17 september 2014. Alzo is er sprake van een tijdsverloop van ongeveer 1 jaar en 4 maanden na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg en is de redelijke termijn hier niet geschonden.

De verdachte heeft op 1 oktober 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter.

Het onderzoek in hoger beroep in de onderhavige strafzaak is op 8 december 2016 gesloten. Het hof zal op 22 december 2016, derhalve 2 jaren en 3 maanden na het instellen van het hoger beroep, arrest wijzen. Gelet op het feit dat verdachte zich gedurende de procedure voornamelijk in voorarrest heeft bevonden (de schorsing van de voorlopige hechtenis ging in op 9 september 2016) had dit arrest in beginsel binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep moeten worden gewezen. Er is hier echter sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat ook in deze fase de redelijke termijn niet is geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder de ingewikkeldheid van de zaak, de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Het hof verwijst hiervoor naar het feit dat er ook in hoger beroep op verzoek van de verdediging nog verschillende getuigen zijn gehoord en rechtshulpverzoeken aan Polen zijn gedaan en de verbondenheid van deze zaak aan die van – in hoger beroep nog – vijf medeverdachten. Het afstemmen van de verschillende verhinderdata was de voornaamste reden van het plaatsvinden van de regiezitting negen maanden na het instellen van het hoger beroep, en van de inhoudelijke zitting zes maanden na het “zittingsrijp” zijn van de onderhavige strafzaak.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich met anderen, in een georganiseerd crimineel verband, heeft schuldig gemaakt aan het gedurende langere tijd vanuit Polen naar Nederland invoeren van grote partijen chemicaliën die waren bestemd voor de productie van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MD(M)A;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verband staat met de (zeer) grootschalige productie van harddrugs, kennelijk (mede) bedoeld voor de uitvoer naar Engeland en/of Noorwegen;

  • -

    de omstandigheid dat synthetische harddrugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

  • -

    de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin; uit de inhoud van het procesdossier, in het bijzonder de weergaven van de OVC-gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] , kan worden opgemaakt dat de (mede) door verdachte geleide criminele organisatie een maandelijkse omzet genereerde van ongeveer € 150.000,00;

  • -

    de omstandigheid dat de internationale rechtsorde en de openbare orde door het bewezenverklaarde is geschonden;

  • -

    de leidinggevende en coördinerende rol van de verdachte binnen de onderhavige criminele organisatie zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt;

  • -

    en niet in de laatste plaats: de omstandigheid dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan vanuit de P.I. gedurende de periode dat hij was gedetineerd in verband met een eerdere veroordeling tot een lange gevangenisstraf voor soortgelijke feiten.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 juli 2016, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde vele keren eerder, waaronder tweemaal in verband met soortgelijke feiten is veroordeeld, laatstelijk op 15 december 2011 door de meervoudige kamer in de rechtbank ’s-Hertogenbosch tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van GGZ Bouman Advies Rotterdam, d.d. 19 augustus 2016, opgemaakt door mevr. [naam 2] , reclasseringswerker;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheid dat hij momenteel een baan zou hebben als chauffeur/besteller met vooruitzicht op een vast contract.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn, alsmede in het bijzonder op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf een passende en geboden reactie.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.

Het hof zal het verzoek afwijzen, aangezien – gelet op de duur van de door het hof op te leggen gevangenisstraf – het geval van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet en ook overigens de ernstige bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleend bevel tot gevangenhouding hebben geleid, ook thans nog onverkort aanwezig zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet en de artikel 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 22 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.