Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5619

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
20-002777-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt de verdachte ter zake van het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002777-14

Uitspraak : 22 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-993216-13 tegen:

[naam 1] [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken,

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerp(en) en/of vervoermiddel(len) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met een of meer van verdachtes mededader(s) en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen (uit Polen) en/of overgebracht en/of laten overbrengen naar en/of opgeslagen en/of laten opslaan op een of meer plaatsen in Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren en/of betaald en/of laten betalen om de chemicaliën te zuiveren en stickers van de zending af te halen, teneinde de herkomst en bestemming van de chemicaliën te verhullen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met (een) chauffeur(s) en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en/of documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- een of meer geldbedrag(en) bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan, althans chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en/of

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletters] . [medeverdachte 7] en/of

* in ontvangst genomen en/of laten) nemen door [voorletters] . [medeverdachte 7] en/of een of meerdere (andere) verdachte(n) en/of perso(o)n(en) en/of

- betaald en/of laten betalen van een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletters] [medeverdachte] en/of [voorletters] [medeverdachte 2] en/of [voorletters] [medeverdachte 3] en/of [voorletters] [medeverdachte 4] en/of [voorletters] [medeverdachte 5] en/of [voorletters] [medeverdachte 6] en/of [voorletters] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de

Opiumwet, zulks om (een) feit(en) als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

3.

hij op of omstreeks 4 juni 2013, althans in de maand juni 2013, in de gemeente Oss,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,6 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van het onder 3. ten laste gelegde gevorderd.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde onder meer het volgende.

De politie heeft op 4 juni 2013 een doorzoeking te verricht in het bedrijfspand van [bedrijf 1] aan de [adres 2] . De in eerste aanleg ter zake van dit feit veroordeelde medeverdachte [naam 2] was destijds directeur-grootaandeelhouder van dit bedrijf en tevens de partner van de grootmoeder van de medeverdachte [voorletters] [medeverdachte 3] . [naam 2] was op de ten laste gelegde datum ook woonachtig op dat adres.

Bij gelegenheid van die doorzoeking werden onder meer twee sporttassen aangetroffen met als inhoud 18 in plastic ‘gesealde’ pakketten. Deze sporttassen lagen in een diepvrieskist onder ingevroren etenswaren. De vriezer bevond zich in de kantoorruimte van het bedrijf op de bovenverdieping. Medeverdachte [medeverdachte 3] was in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde datum werkzaam als administratief medewerker in het bedrijf van [naam 2] en verrichtte zijn werkzaamheden in voormelde kantoorruimte.

Uit onderzoek door het NFI bleek dat alle 18 pakketten (natte) amfetamine bevatten, met een totaal gewicht van bruto 18,32 kilogram.

Op één van de hengsels van één van de sporttassen waarin de amfetamine werd aangetroffen, is een DNA-spoor veiliggesteld waarvan is vastgesteld dat het daaruit verkregen DNA-profiel overeenkomt met dat van de verdachte.

Hoewel voormelde omstandigheden, mede in relatie tot de hieronder bewezen verklaarde feiten 1 en 2, sterk wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij het feit, is het hof van oordeel dat voldoende wettig bewijs ontbreekt om tot bewezenverklaring van dit feit te komen.

Bijgevolg zal de verdachte van het onder 3. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen door:

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders

- met een of meer van verdachtes mededaders en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of

- grote hoeveelheden mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/of andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen uit Polen en overgebracht of laten overbrengen naar Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of

- een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren om stickers van de zending af te halen en/of

- het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met chauffeurs en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of

- aantekeningen en documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of

- geldbedragen bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan bestemd voor de productie van synthetische drugs

* geregeld en/of laten regelen en

* weggebracht en/of laten wegbrengen naar [voorletters] . [medeverdachte 7] en

* in ontvangst genomen en/of laten nemen door andere verdachten en/of

- een of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)n(en) in Nederland en/of Polen betaald en/of laten betalen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten.

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013 in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [voorletters] [medeverdachte] en [voorletters] . [medeverdachte 2] en [voorletters] [medeverdachte 3] en [voorletters] [medeverdachte 4] en [voorletters] [medeverdachte 5] en [voorletters] [medeverdachte 6] en [voorletters] . [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om telkens een feit als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – betoogd dat de verdachte van het onder 1. en 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de rol verdachte bij de onder 1 ten laste gelegde gedragingen niet zodanig is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken, aangezien er geen sprake is van een wezenlijke bijdrage van verdachte bij de ten laste gelegde handelingen en er niets blijkt ten aanzien van een intensieve samenwerking met anderen, dan wel van een onderlinge taakverdeling of enige rol van verdachte bij de voorbereiding van de feiten. Bovendien zijn er geen aanknopingspunten dat verdachte een aandeel heeft gehad of ondersteunend is geweest bij de verwezenlijking van een oogmerk van enige (criminele) organisatie als bedoeld in feit 2.

a.

In de eerste plaats is daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden aangenomen dat met de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ zoals die uit tapgesprekken naar voren komt, exclusief de verdachte wordt bedoeld, aangezien deze naam ook voor medeverdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt, hetgeen in het bijzonder blijkt uit een tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte] en [voorletters] [betrokkene] d.d. 9 december 2012.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ in het Pools ‘ [bijnaam verdachte 2] ’ betekent.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij gelegenheid van haar verhoor door de politie op 26 juni 2013 verklaard dat zij met ‘ [bijnaam verdachte 2] ’ ‘ [voornaam verdachte] ’ (hof: de voornaam van verdachte, fonetisch) bedoelt en voorts dat ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ dezelfde persoon zijn, namelijk ‘ [voornaam verdachte] ’. Op 20 juni 2013 heeft [medeverdachte] op een aan haar door de politie getoonde foto de verdachte herkend als degene die door medeverdachte [medeverdachte 3] ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ werd genoemd en die volgens haar ‘ [voornaam verdachte] ’ heet.

De bijnaam ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ komt slechts voor in twee bewijsmiddelen die door het hof zijn gebezigd, te weten: het tapgesprek van 9 december 2012 tussen [medeverdachte] en [betrokkene] en het tapgesprek van 10 januari 2013 tussen [medeverdachte] en ‘ [betrokkene] ’. Het hof heeft, gelet op hiervoor weergegeven verklaring van [medeverdachte] en de context waarin de naam ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ is gebezigd, geen reden om eraan te twijfelen dat zij in deze gesprekken met ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ de verdachte bedoelde, maar zover daarvan geen sprake zou zijn, kan de rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten ook overigens genoegzaam worden afgeleid uit de inhoud van de (vele) bewijsmiddelen waarin wordt gesproken over ‘d(i)e [bijnaam 3 verdachte 1] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] (je)’ en [voornaam verdachte] .

b.

In de tweede plaats heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat het volstrekt onduidelijk is op grond waarvan de verdachte als medegebruiker van het telefoonnummer eindigend op de nummers ‘ [telefoonnummer] ’ en ‘ [telefoonnummer] ’ kan worden aangemerkt, aangezien aangenomen moet worden dat de telefoon met dat nummer mede door medeverdachte [medeverdachte 3] werd gebruikt. Volgens de raadsman is niet duidelijk dat ieder voor de verdachte met de telefoon met dat telefoonnummer gevoerd belastend gesprek, ook daadwerkelijk door hem is gevoerd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de telefoon eindigend op genoemd nummer voornamelijk van belang is in verband met SMS-berichten die zijn verstuurd van en naar de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] . Verbalisanten hebben [medeverdachte] op 16 juli 2013 voorgehouden dat het nummer [telefoonnummer] in haar telefoon staat onder de aanduiding “ [bijnaam medeverdachte 3] ”. Daarop heeft [medeverdachte] verklaard dat ze [voornaam medeverdachte 3] (het hof begrijpt medeverdachte [medeverdachte 3] ) vaak [bijnaam medeverdachte 3] noemt. Voorts heeft zij verklaard dat [voornaam verdachte] (de verdachte) en [voornaam medeverdachte 3] (medeverdachte [medeverdachte 3] ) ‘44’ bij [voornaam betrokkene] ( [betrokkene] ) hebben besteld, dat daar de communicatie van deze telefoon met genoemd nummer over ging en dat het SMS-verkeer met deze telefoon allemaal met [voornaam medeverdachte 3] en [voornaam verdachte] was; zij gebruikten samen deze telefoon. Dit blijkt ook uit de sms-berichten met de nummers 166, 168 en 172, waaruit volgt dat de gebruikers zijn “ [bijnaam medeverdachte 3] ”, zijnde [medeverdachte 3] , en “ [bijnaam 2 verdachte] ’, zijnde verdachte. Bovendien wordt in het naar [medeverdachte] gestuurde sms-bericht nr. 288 gesproken van “ons” en “wij”, waaronder het hof verstaat: [medeverdachte 3] en [verdachte] , mede gelet op de context van de andere bewijsmiddelen.

Daarnaast geldt andermaal dat de omvang van de rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten genoegzaam worden afgeleid uit de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen, onder meer die waarin wordt gesproken over ‘d(i)e [bijnaam 3 verdachte 1] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] (je)’en ‘ [voornaam verdachte] ’.

c.

Voorts heeft de raadsman daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [medeverdachte] om een tweetal redenen van het bewijs moeten worden uitgesloten. In de eerste plaats is daartoe onder verwijzing naar de zgn. Vidgen-jurisprudentie aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, terwijl de verdediging haar niet op een effectieve manier als getuige heeft kunnen ondervragen aangezien zij zich ter zitting als getuige steevast op haar verschoningsrecht heeft beroepen. Ten tweede is – in meer of mindere mate ook in de zaken tegen de andere verdachten – aangevoerd dat haar verklaringen wegens aantoonbare inconsistenties, tegenstrijdigheden en leugens als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

Het hof overweegt als volgt en sluit aan bij de bewoordingen die de rechtbank heeft gebezigd bij de verwerping van ditzelfde verweer in eerste aanleg.

In het onderhavige geval is verdachte [medeverdachte] op verzoek van de raadslieden van haar medeverdachten als getuige in de zaken contra die medeverdachten gehoord, zowel bij de rechter-commissaris, als ter terechtzitting van de rechtbank, als door de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof. Zij heeft zich bij die gelegenheden steevast op haar verschoningsrecht beroepen en geweigerd om antwoord te geven op alle haar gestelde vragen. Het moet bij die stand van zaken aan de verdediging worden toegegeven dat, hoewel zij aan de getuige haar vragen heeft kunnen stellen, het haar niettemin aan een adequate en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft ontbroken teneinde de verklaringen van deze getuige op haar betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te toetsen. Het tot bewijs gebruiken van de door deze getuige bij de politie afgelegde en de verdachte belastende verklaringen zou onder deze omstandigheden in strijd kunnen komen met het bij art. 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces wegens een schending van het ondervragingsrecht en alsdan ongeoorloofd zijn.

Van die ongeoorloofdheid is echter geen sprake indien de bij de politie afgelegde belastende verklaringen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Daarvan is blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage ontegenzeggelijk sprake, zodat de situatie waarop de Vidgen-jurisprudentie ziet, te weten het ongeoorloofde gebruik van belastende politieverklaringen indien er geen ondervragingsgelegenheid is geweest èn zonder dat voldoende steun steunbewijs voorhanden is, zich in deze zaak niet voordoet. In zoverre faalt dus reeds het verweer.

Maar ook voor zover het verweer stoelt op de stelling dat de verklaringen van [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn, kan het verweer niet slagen. De inhoud van haar verklaringen wordt, met name waar het de handelingen en rol van de medeverdachten betreft, op alle wezenlijke onderdelen in ruime mate bevestigd door de inhoud van andere bewijsmiddelen, waaronder de (inhoud van) de verklaringen van [betrokkene] , die van andere medewerkers van [bedrijf 2] , de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken waarbij onder meer [medeverdachte] betrokken was en de zogeheten OVC-gesprekken.

Naast het feit dat haar verklaringen in zodanige mate wordt bevestigd door overig bewijsmateriaal, merkt het hof op dat [medeverdachte] in een elftal verhoren nagenoeg volledige openheid van zaken heeft gegeven waarbij zij ook zichzelf in wezenlijke mate heeft belast. Weliswaar doet zij op sommige momenten voorkomen alsof haar rol minder is geweest dan uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid, maar dat doet niet in een zodanige mate afbreuk aan de kern van haar verklaringen dat zij als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zouden moeten worden aangemerkt.

d.

In de vierde plaats is daartoe aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat uit de verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene] niet meer kan worden afgeleid dan dat de verdachte betrokken is geweest bij de betaling van één levering chemicaliën in Polen en voorts dat de verdachte door geen van de als getuigen gehoorde werknemers van [bedrijf 2] op een aan hen getoonde foto is herkend.

Het hof overweegt als volgt.

Dat de verdachte bij meer voorbereidingshandelingen dan de door verdediging bedoelde levering van chemicaliën betrokken is geweest, volgt genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen. De omstandigheid dat de verdachte door geen van de werknemers van [bedrijf 2] op een aan hen getoonde foto is herkend, doet daaraan niet af.

e.

De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat – zakelijk weergegeven – onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden om de eventuele feitelijke rol van de verdachte bij de onderhavige feiten te kunnen kwalificeren als het medeplegen van die feiten.

De betrokkenheid van een verdachte aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen die verdachte en zijn mededader(s).

Het hof is op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij de uitvoering van de onder 1. bewezen verklaarde handelingen zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders, dat sprake is van medeplegen.

f.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat – zakelijk weergegeven – de rol van de verdachte niet zodanig is dat er sprake is geweest van deelname door hem aan een gestructureerd duurzaam samenwerkingsverband.

Het hof overweegt als volgt.

Onder een organisatie in de zin van art. 11a (oud) van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van zo een structureel samenwerkingsverband is niet noodzakelijk dat binnen de groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten. Evenmin is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie en dat de samenstelling van de organisatie steeds dezelfde is.

Een organisatie in vorenbedoelde zin wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat deze het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Dat oogmerk moet zijn gericht op een pluraliteit van misdrijven. Het gaat hier niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van meerdere misdrijven. Voor het bewijs van dat oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan de misdrijven die al in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Om vast te kunnen stellen of iemand deelnemer is aan de organisatie geldt het volgende. In het deelnemen ligt het opzet besloten. Voor wat betreft het opzet van de deelnemer aan de organisatie geldt dat hij in zijn algemeenheid moet weten – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet noodzakelijk is opzet op de door de organisatie beoogde of mogelijk reeds gepleegde, concrete misdrijven. Voor deelnemen is voorts nodig dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat komt vast te staan dat de betrokkene heeft deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk is gericht.

Het hof stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen vast dat in de ten laste gelegde periode op grote schaal chemicaliën

– onder andere zoutzuur, mierenzuur, formamide en apaan – zijn aangekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] te Polen en naar Nederland zijn getransporteerd. Deze chemicaliën waren zonder enige redelijke twijfel bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA. Een en ander geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] aan de top, met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte] als de personen die door deze twee personen werden aangestuurd en met verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] als afnemers, maar ook als personen die tezelfdertijd bestellingen plaatsten en zeggenschap hadden over transporten. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking – hoewel bij de onderscheidenlijke trajecten niet telkens tussen alle verdachten onderling – niet incidenteel is geweest. Integendeel, deze samenwerking had ontegenzeggelijk een duurzaam karakter en stond – zoals alle deelnemers wisten - ten dienste van de invoer van chemicaliën die waren bestemd voor de vervaardiging van (precursoren van) synthetische drugs. Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte binnen de bewezen verklaarde periode heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) van de Opiumwet gericht op het opzettelijk verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de productie van (precursoren van) synthetische drugs.

g.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

II.

Uit de inhoud van de in de bijlage bij dit arrest vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband beschouwd, blijkt dat verdachte zich in de bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan tal van voorbereidingshandelingen zoals onder 1. zijn omschreven en deel uitmaakte van een criminele organisatie die gericht was op het ten name van [bedrijf 3] van de firma [bedrijf 2] in Polen betrekken en invoeren van grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs als amfetamine (speed) en MDA/MDMA (XTC), waarbij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] elkaar tijdens hun gevangenschap hadden gevonden in de leiding en coördinatie van een en ander en daarbij gebruik maakten van de diensten van [voornaam] [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte] , alsmede van [voorletters] . [medeverdachte 7] , de echtgenote van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 6] stond daarbij in rangorde boven [medeverdachte] en [medeverdachte 5] , terwijl de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] gebruik maakten van dit criminele samenwerkingsverband om via de aldus verkregen leveranties een bestaande schuld (aan de vader van [medeverdachte 3] ) te verrekenen.

III.

De strafbare voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd en bewezen verklaard onder 1. maken deel uit van het handelen van de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte zoals bewezen onder 2. Voor zover verdachte feitelijk niet betrokken is geweest bij onderdelen van de bewezenverklaring zoals bewezenverklaard onder 1., zijn deze toch in het aan bij dit arrest behorende bewijsmiddelenoverzicht opgenomen, nu deze feiten onderdeel uitmaken van het handelen van de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte.

IV.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich met anderen, in een georganiseerd crimineel verband, heeft schuldig gemaakt aan het gedurende langere tijd vanuit Polen naar Nederland invoeren van grote partijen chemicaliën die waren bestemd voor de productie van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde in verband staat met de (zeer) grootschalige productie van harddrugs, die eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

  • -

    de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

  • -

    de omstandigheid dat de internationale rechtsorde en de openbare orde door het bewezen verklaarde is geschonden;

  • -

    de belangrijke rol van de verdachte binnen de onderhavige criminele organisatie zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt;

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 juli 2016, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van [naam 3] , opgemaakt d.d. 22 april 2014, door [voorletters] [naam 3] , forensisch maatschappelijk werker;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat hij woonachtig is bij zijn ouders en werkzaam is als autohandelaar.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Vanwege het feit dat verdachte, anders dan in eerste aanleg wordt vrijgesproken van feit 3, zal het hof verdachte een kortere gevangenisstraf opleggen dan de eerste rechter, namelijk een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren onvoorwaardelijk.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 900,00 zal worden teruggegeven aan de verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 900,00 (negenhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 22 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.