Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5605

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
200.161.959_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6981
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4751
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:860
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstal/fraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.959/01

arrest van 20 december 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H.J. Meuwese te Waalwijk,

tegen

Koninklijke Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 november 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 235522/HA ZA 11-913 gewezen vonnis van 19 oktober 2011 en de door de rechtbank Zeeland-West Brabant locatie Breda onder zaaknummer C/02/255683/HA ZA 12-716 gewezen vonnissen van 26 juni 2013, 21 mei 2014 en 8 oktober 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 november 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 10 februari 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de voortzetting van de enquête van 23 juni 2016;

  • -

    de memorie na enquête van 26 juli 2016 met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van 23 augustus 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof aan FloraHolland opgedragen te bewijzen: dat binnen één of meer van de volgende tijdvakken: 1 april 2011 tijdvak rondom 21:31 – 21:44 uur, 1 april 2011 tijdvak rondom 22:17 – 22:20 uur, 2 april 2011 tijdvak rondom 00:30 – 00:31 uur en 3 april 2011 tijdvak rondom 9:00 uur door of in opdracht van [appellant] Deense karren van de zolder naar box Jupiter zijn gebracht.

6.1.2.

Voor alle duidelijkheid wordt overwogen dat het bij deze bewijsopdracht gaat om de in r.o. 3.1. sub c van het tussenarrest als volgt gedefinieerde begrippen “box Jupiter” en “zolder”:

“Op het terrein van FloraHolland huurde Plants opslagruimte van FloraHolland. Het ging om 1 boxruimte (hierna: boxruimte Jupiter) van een gebouw met aaneengesloten in totaal 4 boxruimtes. Boven die boxruimtes lag een zolder die door FloraHolland werd gebruikt (hierna: de zolder) voor de opslag van zogenaamde Deense karren met legborden.”

In dit arrest worden dezelfde definities gehanteerd.

6.2.

FloraHolland heeft in enquête als getuigen doen horen: [bedrijfsleider] en [chauffeur] . [appellant] heeft afgezien van contra enquête.

FloraHolland heeft daarnaast nog 4 producties overgelegd bij memorie na enquête.

6.3.

Het hof is van oordeel dat FloraHolland niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en overweegt hiertoe het volgende.

6.4.

Getuige [bedrijfsleider] verklaart voor zover relevant het volgende. Hij was in- en verkoper planten in het bedrijf van [appellant] . Over de vermissing van de Deense karren heeft hij naar eigen zeggen alleen maar wetenschap van horen zeggen. Verder heeft iemand van de beveiliging van FloraHolland hem in de periode dat de vermissing van de Deense karren aan de orde was (volgens de getuige tijdens het verhoor op 10 februari 2016: 4 of 5 jaar geleden) een film laten zien. Op de vraag wat er toen is besproken: antwoordt de getuige: “Ze dachten dat [bedrijfsleider] (dhr. [appellant] ) Deense karren had ontvreemd.” Hij verklaart voorts dat hij op de (genoemde) film heeft gezien dat er een heftruck met Deense karren op en neer ging en dat die karren boven stonden, op een soort vide die niet van het bedrijf van [appellant] was. De vide kon van FloraHolland zijn of van het bedrijf naast het bedrijf van [appellant] . Volgens de getuige heeft hij op de film gezien dat de Deense karren van de vide naar beneden zijn gehaald. Ook heeft hij 4 mensen op de film gezien die hij niet kon identificeren. Daarnaast verklaart hij dat er geroezemoes was over de hele veiling. Daarbij heeft hij gehoord dat [appellant] Deense karren zou hebben ontvreemd. De getuige weet niet wie dit heeft aangewakkerd; er zitten verschillende bedrijven en “dat praatte allemaal met elkaar”. Over het rijden met Deense karren in de bewuste tijd verklaart de getuige verder nog dat dit bij het werk hoorde en dat zij destijds bezig waren met de verhuizing van een bepaalde box in FloraHolland naar de nieuwe box in Jupiter. De chauffeurs kwamen op de gekste tijden laden en lossen en dit kan volgens de getuige ook

’s nachts om half 1 zijn geweest.

6.5.

Getuige [chauffeur] verklaart voor zover relevant als volgt. Hij kreeg op 3 april 2011 een telefoontje van [appellant] of hij een aantal Deense karren wilde rijden van de box van [appellant] naar de kwekerij in [vestigingsplaats] . Over die karren is hem verder niets verteld, zo verklaart hij. De karren stonden volgens de getuige beneden op de vloer in de box van [appellant] en hij verklaart dat hij ze niet van de zolder heeft gehaald en dat hij niet eens weet dat ze van de zolder afkomen.

6.6.

Naar het oordeel van het hof legt de getuigenverklaring van [bedrijfsleider] weinig gewicht in de schaal en kan de verklaring van [chauffeur] in het geheel niet bijdragen aan het aan FloraHolland opgedragen bewijs. De enkele verklaring van [bedrijfsleider] dat hij 4 of 5 jaren geleden op een door FloraHolland getoonde film heeft gezien dat er Deense karren naar beneden zijn gehaald van een vide van FloraHolland of van het bedrijf naast [appellant] , is onvoldoende specifiek. Op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat het hier om de in de bewijsopdracht bedoelde verplaatsingen van de zolder naar box Jupiter ging, laat staan dat deze plaatsvonden in de bewuste tijdvakken of in opdracht van [appellant] . Wat getuige [bedrijfsleider] voorts van horen zeggen heeft, draagt niet bij aan het bewijs. Getuige [chauffeur] weet in het geheel niet of de door hem naar [vestigingsplaats] vervoerde Deense karren van de zolder kwamen.

6.6.

FloraHolland heeft als producties 1 en 2 bij memorie na enquête nog screenshots overgelegd van filmbeelden. Uit welke film die shots komen is het hof niet geheel duidelijk. Het betreft andere beelden dan te zien zijn op de DVD die bij de rechtbank als prod. 2 bij conclusie na enquête is overgelegd, en die op verzoek van het hof aan het hof is nagezonden bij brief van 25 september 2015.

Op de bij memorie na enquête overgelegde screenshots is naar het oordeel van het hof niet te zien dat er Deense karren van de zolder naar box Jupiter zijn gebracht. Op de beelden zijn wel bepaalde objecten met rood omcirkeld die zich op verschillende hoogten bevinden maar het hof acht onvoldoende duidelijk dat het hier om de bedoelde verplaatsing van Deense karren van de zolder naar box Jupiter gaat. De als productie 3 bij memorie na enquête overgelegde tekening van de door [appellant] gehuurde box Jupiter brengt hierin geen verandering.

6.7.

Ten slotte draagt ook productie 4 bij memorie na enquête onvoldoende bij aan het opgedragen bewijs. Het hof merkt allereerst op dat dit niet de conclusie is van de Hoofdofficier in de procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering maar het advies van de parketsecretaris aan de Hoofdofficier in genoemde procedure. Dit advies bevat onder meer diverse passages uit het dossier van de strafzaak. Uit die passages en uit de rest van het advies blijkt naar het oordeel van het hof niet dat er sprake is van de bewuste verplaatsingen van Deense karren zoals genoemd in de bewijsopdracht. De geciteerde, in bepaalde processen-verbaal vermelde waarnemingen van filmbeelden (die het hof niet kent) zijn onvoldoende specifiek of overtuigend op dit punt. Dit geldt ook voor de overige aangehaalde verklaringen, die bovendien deels geen eigen waarnemingen betreffen, maar slechts berusten op eigen conclusies van de geciteerde personen.

6.8.

Alles overziend is het hof van oordeel dat de bewijsmiddelen van FloraHolland zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, onvoldoende zijn om te kunnen oordelen dat FloraHolland heeft bewezen dat er sprake is geweest van de in de bewijsopdracht genoemde verplaatsingen van Deense karren van de zolder naar box Jupiter.

6.9.

Het is het hof ambtshalve bekend dat FloraHolland na haar memorie na enquête een verzoek heeft ingediend tot het benoemen van een deskundige en dat dit verzoek betrekking heeft op onderzoek naar de op filmbeelden zichtbare personen. Nu het hof in de vorige rechtsoverweging heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de in de bewijsopdracht aangeduide verplaatsing van Deense karren van de zolder naar box Jupiter heeft plaatsgevonden, is de uitkomst van bedoeld onderzoek door een deskundige alleen al daarom niet relevant voor de onderhavige procedure. Dit kan immers niet alsnog leiden tot het oordeel dat FloraHolland is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om in dit arrest rekening te houden met het feit dat een dergelijk verzoek aanhangig is.

6.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van FloraHolland alsnog dient te worden afgewezen (laatste zin r.o. 3.11. van het tussenarrest van 24 november 2015). Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep tegen de tussenvonnissen van 19 oktober 2011 en 26 juni 2013 (r.o. 3.5. van het tussenarrest van 24 november 2015). Voorts zal het hof het tussenvonnis van 21 mei 2014 en het eindvonnis van de rechtbank van 8 oktober 2014 vernietigen.

6.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal FloraHolland worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden begroot op salaris advocaat € 7.000,-- . Van de rechtbank heeft het hof vernomen dat het oorspronkelijk door [appellant] betaalde griffierecht is gecrediteerd en vervolgens niet meer in rekening is gebracht, zodat [appellant] per saldo geen griffierecht aan de rechtbank heeft betaald. Hiervoor zal het hof dan ook geen vergoeding toekennen.

De kosten voor de procedure in principaal appel aan de zijde van [appellant] zullen worden begroot op:

– explootkosten € 99,80

– griffierecht € 311,00

+ –-----------------------------------------------------

totaal verschotten € 410,80, en voor salaris advocaat € 14.683,50.

De kosten voor de procedure in incidenteel appel aan de zijde van [appellant] zullen worden begroot op € 4.894,-- voor salaris advocaat.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in de vonnissen van de rechtbank Breda van 19 oktober 2011 en van de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, van 26 juni 2013;

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, van 21 mei 2014 en 8 oktober 2014;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van FloraHolland af;

veroordeelt FloraHolland in de proceskosten van de eerste aanleg en het principaal en incidenteel hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op:

  • -

    € 7.000,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg,

  • -

    € 410,80 aan verschotten en € 14.683,50 aan salaris advocaat in principaal appel, en

  • -

    € 4.894,-- aan salaris advocaat voor het incidenteel appel;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 december 2016.

griffier rolraadsheer