Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5603

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
200.155.008_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:2658, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in het tussenarrest bepaalde comparitie heeft plaatsgevonden met als doel om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te bespreken en is blijkens het p-v alleen voor dat doel gebruikt, zodat het was toegestaan om deze comparitie te laten plaatsvinden ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

Hoewel eiser verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert, hebben partijen inhoudelijk gedebatteerd over de schadeposten. Na de comparitie na tussenarrest stelt eiser dat hij, naast de reeds door hem genoemde posten, ook vergoeding van de geleden bedrijfsschade wenst. Het hof acht het niet wenselijk dat het partijdebat thans in hoger beroep wordt heropend om partijen de gelegenheid te bieden zich over het bestaan van deze schade, over het causaal verband met de wanprestatie van gedaagde en over de omvang ervan uit te laten, waarna het hof die schade zou kunnen begroten. Het hof verwijst de zaak voor de begroting van de volledige schade naar de schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.155.008/01

arrest van 20 december 2016

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.C.W. de Haas te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 februari 2014, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 198198/HAZA 09-1907)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [geïntimeerde] is in een internationaal transportbedrijf op het gebied van goederenvervoer en verhuizingen.

b) [appellante] heeft aan [geïntimeerde] opdracht gegeven voor het transport van een aantal machines vanuit een bedrijfspand van [appellante] in [plaats 1] naar een bedrijfspand van [appellante] in [plaats 2] (België).

c) Bij de totstandkoming van de overeenkomst was aan de kant van [geïntimeerde] de heer [medewerker van geïntimeerde] (hierna [geïntimeerde] ) betrokken en aan de kant van [appellante] de heer [medewerker van appellante] (hierna [medewerker van appellante] ).

d) Op 15 december 2008 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] een e-mail verzonden waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven (productie IB bij concl van antw in conv eis in reconv):

“Transport 22, 23 december 2008 [plaats 1] (NL) / [plaats 2] (BE)

[…]

Kosten:

- notk bedrag per uur, per combinatie, op basis van werkelijk gemaakte uren

- 2 vrachtwagens (gesloten) met aanhanger (gesloten)

- waarvan 1 met mobiele kraan

- inclusief gebruik 1 heftruck ca 7t

- inclusief gebruik rijplaten, hef- en rolgereedschap

- inclusief totaal 3 man

- voor reistijd geldt zelfde uurtarief

- reiskosten zijn in reistijd inbegrepen

- verzekering schade bij verplaatsing dmv heftruck 43.000,00 euro per gebeurtenis

- verzekering heffen, transport boven standaard kilo-prijs niet inbegrepen”

e) In haar e-mail van 19 december 2008 aan [geïntimeerde] heeft [appellante] onder meer het volgende geschreven (productie IC bij concl van antw in conv eis in reconv):

“omdat bij het bovengenoemde transport de waarde van de twee machines hoger is dan de door u genoemde dekking van ca 43.000 Euro (…) hierbij de gegevens van de machine:

[draaiautomaat] draaiautomaat: (…)

[draadvonkmachine] draadvonkmachine: (…)”

f) De overeenkomst is uitgevoerd op 22 en 23 december 2008. Op 22 december 2008 zijn de machines tussen 7:30 en 15:00 uur uit het bedrijfspand te [plaats 1] weggehaald en in de vrachtwagens geladen. Het transport naar [plaats 2] heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Dezelfde dag zijn de vrachtwagens na aankomst in [plaats 2] gelost en zijn de machines in het bedrijfspand te [plaats 2] geplaatst. De werkzaamheden in [plaats 2] waren kort na 24:00 uur ’s-nachts afgerond.

g) In verband met de uitvoering van de opdracht heeft [geïntimeerde] twee vrachtwagens en een heftruck met personeel ingehuurd van [de vennootschap 3] . De werkzaamheden zijn uitgevoerd met in totaal 3 vrachtwagencombinaties en 4 man personeel.

h) In verband met het transport van de machines is een CMR-vrachtbrief opgemaakt (prod. 2 inl. dagv.). Daarin staat [appellante] te [plaats 1] als afzender en een adres te [plaats 2] als geadresseerde. De vrachtbrief is voor ontvangst getekend, zonder bemerkingen.

i. i) [geïntimeerde] heeft op 31 december 2008 aan [appellante] een factuur verzonden ad € 6.647,50 excl. btw (€ 7.696,33 incl. btw) (prod. 3 inl. dagv.) in verband met de betaling van de door [geïntimeerde] uitgevoerde opdracht. Aan de factuur was een kopie van de e-mail d.d. 15 december 2008 van [appellante] aan [geïntimeerde] gehecht. [appellante] heeft de factuur niet betaald.

j) Bij e-mail van 17 februari 2009 heeft [appellante] het volgende bericht aan [geïntimeerde] (prod. I D bij concl. van antw.):

“ik wacht nog op een opgave mbt de schade. hoop die deze week binnen te krijgen. zodra dat zo is kom ik met de stukken naar [plaats 3] om eea te bespreken.”

k) Bij e-mail van 2 maart 2009 heeft [appellante] het volgende bericht aan [geïntimeerde] (prod. I E bij concl. van antw.) :

“vanmorgen heb ik navraag gedaan ivm het uitblijven van een offerte inzake de schade. Ik hou u op de hoogte.”

l) Bij e-mail van 2 maart 2009 heeft [geïntimeerde] het volgende bericht aan [appellante] (prod. I H bij concl. van antw.) :

“De transportkosten staan wettelijk gezien geheel buiten de naar U mening gemaakte schade, Als de rekening deze week niet betaald is gaan wij actie ondernemen.”

m) [de vennootschap 4] (hierna: [de vennootschap 4] ) heeft op 27 januari 2010 opdracht verkregen van de verzekeraar van [geïntimeerde] om een onderzoek in te stellen naar schade die volgens [appellante] tijdens de uitvoering van de opdracht was ontstaan aan het bedrijfspand te [plaats 1] en aan het bedrijfspand te [plaats 2] .

Van haar bevindingen heeft [de vennootschap 4] een rapport d.d. 15 april 2010 opgesteld (hierna: het [de vennootschap 4] -rapport, prod. 13 bij akte in conv en in reconv d.d. 15 december 2010). In het rapport zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen:

Verzekerde: [geïntimeerde] (…)

Verzekerd Object : vrachtwagen, merk Scania, kenteken [kenteken] ”.

Voorts zijn de volgende bevindingen opgenomen in het rapport (blad 5 en 6):

“De schade in en om het pand te [plaats 2] (B) is grotendeels ontstaan door gebruik van een heftruck, noodzakelijk voor verplaatsen van de te verhuizen machines, op een ondergrond die niet tegen het gewicht van de heftruck met last bestand was. Een beperkt deel van de schade is veroorzaakt door het berijden van een verharding met het verzekerd object. (…) Ter zake van de schadeomvang hebben wij ons uitsluitend gericht op de – mogelijk – door het verzekerd object veroorzaakte schade, te weten verergering van de door de heftruck veroorzaakte schade aan de asfaltverharding. (…)

Na overleg met tegenpartij ( [appellante] , hof) hebben wij de schade als volgt vastgesteld.

herstel verergering asfaltschade, 30% offertebedrag,

exclusief btw € 886,50

Het offertebedrag waarnaar wordt verwezen betreft een door de firma [firma] te [plaats 4] (België) aan [appellante] uitgebrachte offerte (productie 1Z bij concl. van antw.).

n) Bij brief van 23 april 2010 is van de kant van de verzekeraar het volgende bericht aan [appellante] gezonden (prod. 11 bij akte [appellante] d.d. 29 december 2010):

“Het schadebedrag, conform het expertiserapport, ad € 886,50 is overgemaakt aan [geïntimeerde] . Zij zullen het verder met u afwikkelen.”

[geïntimeerde] heeft deze vergoeding vervolgens ontvangen.

o) [Transport] Transport (hierna: [Transport] ) heeft op 9 maart 2010 opdracht verkregen van de verzekeraar van [geïntimeerde] om een onderzoek in te stellen naar schade die volgens [appellante] tijdens de uitvoering van de opdracht was ontstaan aan de vervoerde machines. In haar rapport d.d. 15 oktober 2010 (hierna: het [Transport] -rapport, productie bij proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 april 2013) zijn onder meer de volgende bevindingen opgenomen:

“verzekerde ( [geïntimeerde] , hof) verklaarde ons hierover het volgende:

‘ [appellante] zegt schade mondeling gemeld te hebben op 9 januari 2009 op kantoor bij [geïntimeerde] Deze melding hebben wij destijds telefonisch doorgegeven aan onze tussenpersoon. “Schade” is dus wel gemeld maar omdat er geen opgave van een schadepost kwam hebben wij toen op dat moment geen stappen ondernomen. […]’

(…)

Op bovenstaande hebben wij de schadehoogte als volgt vastgesteld:

(…)

Totaal: € 8.171,20

(…)

Wel zijn de machines na de verhuizing door [appellante] ongebruikt gebleven.

Op basis van alle informatie en onze eigen ervaringen en bevindingen op de machines zijn wij van mening dat de beschadigingen vermoedelijk ontstaan zijn door:

  • -

    oneffenheden op het buitenterrein

  • -

    door foutieve sjorring tijdens het transport door verzekerde

  • -

    tijdens de lossing van de vrachtwagen door verzekerde

  • -

    tijdens het verdere interne transport door verzekerde (…)”

Na aftrek van een eigen risico van € 750,= heeft [geïntimeerde] vervolgens een uitkering van

€ 7.421,20 ontvangen.

3.2.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank [appellante] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.766,81, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2009 en met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

3.2.2.

Aan haar vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij op grond van een daartoe met [appellante] gesloten overeenkomst machines heeft getransporteerd van [plaats 1] naar [plaats 2] (België) tegen de afgesproken prijs van € 7.696,33 incl. btw. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat partijen voorafgaand aan het transport geen prijs zijn overeengekomen, heeft te gelden dat [appellante] een redelijke prijs is verschuldigd die eveneens kan worden begroot op € 7.696,33 incl. btw. [appellante] heeft de aan haar verzonden factuur niet betaald. In totaal is [appellante] aan hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten het in conventie gevorderde bedrag verschuldigd.

3.2.3.

[appellante] heeft betwist dat voor het transport vooraf een vaste prijs van € 6.647,50 excl. btw tot stand is gekomen. Er is een overeenkomst tot stand gekomen op grond van een door [appellante] op 15 december 2008 aan [geïntimeerde] verzonden e-mail en de daarin genoemde voorwaarden. Die afspraak hield onder meer in dat er op basis van de aan het transport bestede uren zou worden gedeclareerd tegen een nog nader overeen te komen uurtarief. [geïntimeerde] heeft nimmer een specificatie van haar werkzaamheden verzonden, zodat het voor [appellante] niet duidelijk is of de factuur in overeenstemming met de afspraken is opgemaakt. In dat kader is van belang dat [appellante] in haar e-mail opdracht heeft gegeven voor de inzet van 2 vrachtwagen en 3 man, terwijl het transport is uitgevoerd met 3 vrachtwagens en 4 man. De kosten die voortvloeien uit de inzet van een extra vrachtwagen en een man extra personeel, kan niet bij [appellante] in rekening worden gebracht, aldus [appellante] . De vordering tot betaling van de factuur dient om die reden te worden afgewezen.

Subsidiair heeft [appellante] als verweer tegen de vordering aangevoerd dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de opdracht schade heeft toegebracht aan de getransporteerde machines en aan het pand in [plaats 2] . In verband daarmee heeft [appellante] een vordering tot schadevergoeding op [geïntimeerde] . Voor zover [appellante] gehouden is om uit hoofde van het transport een betaling aan [geïntimeerde] te doen, beroept zij zich op haar opschortingsrecht en op verrekening. (cva 39)

3.3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie, na vermeerdering van eis, gevorderd dat de rechtbank:

- voor recht verklaart dat op de overeenkomst van toepassing zijn de voorwaarden zoals omschreven in de e-mailberichten van [appellante] aan [geïntimeerde] d.d. 15 december en 19 december 2008;

- voor recht verklaart dat [geïntimeerde] jegens [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door:

  • -

    de overeenkomst niet uit te voeren op de wijze zoals omschreven in de opdracht en/of

  • -

    de overeenkomst niet zodanig uit te voeren dat schade aan goederen, gebouwen en/of terreinen voorkomen werd;

  • -

    bij de uitvoering van de opdracht goederen, gebouwen en terreinen te beschadigen;

  • -

    voor deze opdracht niet de betreffende verzekeringen te sluiten, althans

  • -

    [appellante] te hinderen bij het verhalen van de onderhavige schade op de betreffende verzekeraar;

- [geïntimeerde] beveelt om binnen twee dagen na het wijzen van het vonnis om aan [appellante] te verstrekken een afschrift van de door [geïntimeerde] ten gunste van [appellante] te sluiten verzekering, met veroordeling tot betaling aan [appellante] van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat [geïntimeerde] niet aan dit bevel voldoet;

- [geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van alle schade die bij [appellante] is ontstaan en/of nog zal ontstaan op grond van de toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad van [geïntimeerde] ;

- de schade te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 22 december 2008, althans 23 december 2008;

- deze schade zoveel mogelijk te begroten aan de hand van de door [appellante] overgelegde rapporten en opgaven van derden, voor het overige op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- met veroordeling van [geïntimeerde] in de daadwerkelijk door [appellante] gemaakte kosten van het geding, welke door haar worden begroot op € 10.210,66 aan kosten advocaat en welke moeten worden vermeerderd met de eigen kosten van [appellante] .

3.3.2.

Aan haar vordering legt [appellante] , samengevat, ten grondslag dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de opdracht schade heeft toegebracht aan de machines van [appellante] en aan de panden in [plaats 1] en [plaats 2] . Ter onderbouwing van die schade heeft zij verwezen naar een opstelling die als productie 1Q bij conclusie van eis in reconventie en naar een opstelling die als productie 2 bij akte van 29 december 2010 in het geding zijn gebracht. De gedragingen waardoor die schade is ontstaan zijn aan [geïntimeerde] toerekenbaar, zodat [geïntimeerde] gehouden is om die schade aan [appellante] te vergoeden. De schade wordt in akte d.d. 29 december 2010 begroot op € 31.227,47 + PM.

3.3.3.

[geïntimeerde] heeft tegen de vorderingen in reconventie verweer gevoerd, welk verweer hierna bij de beoordeling van de grieven aan de orde zal komen.

3.4.

De rechtbank heeft in conventie de vordering van [geïntimeerde] ter zake hoofdsom en rente toegewezen en heeft in reconventie de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat [geïntimeerde] in conventie niet heeft bewezen dat een vaste prijs is overeengekomen, zodat [appellante] een redelijke prijs voor de werkzaamheden was verschuldigd. Die redelijke prijs is begroot op het door [geïntimeerde] gestelde bedrag van € 7.696,33, zodat inclusief rente is toegewezen € 7.998,81vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd. In reconventie heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] niet in het bewijs van de door haar gestelde schade was geslaagd.

Omvang van het appel

3.5.1.

[appellante] heeft tegen het vonnis in conventie en in reconventie van 26 februari 2014 in totaal 28 grieven geformuleerd, waarvan een deel zich eveneens richt tegen het tussenvonnis van 26 oktober 2011.

[appellante] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis d.d. 26 februari 2014 zowel in conventie als in reconventie vernietigt en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellante] alsnog toewijst en die van [geïntimeerde] alsnog afwijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.5.2.

[geïntimeerde] heeft op diverse plaatsen in haar memorie van antwoord als algemeen verweer naar voren gebracht dat [appellante] in de appeldagvaarding slechts appel heeft ingesteld tegen het eindvonnis d.d. 26 februari 2014. Daaruit volgt, aldus [geïntimeerde] , dat door [appellante] geen grieven kunnen worden aangevoerd tegen rechtsoverwegingen uit tussenvonnissen, zoals [appellante] wel heeft gedaan. Dit verweer wordt verworpen. Indien appel wordt ingesteld tegen een eindvonnis, kunnen ook de daarvoor gewezen tussenvonnissen in de memorie van grieven in het appel worden betrokken, ook al staan deze niet in de appeldagvaarding als zodanig genoemd. Die grieven tegen eerdere tussenvonnissen kunnen hierbij ook besloten liggen in de toelichting op de expliciet tegen het eindvonnis gerichte grieven. Het hof zal om die reden ook de tegen de tussenvonnissen geformuleerde grieven in de beoordeling betrekken.

3.5.3.

Het hof acht door de grieven het geschil in volle omvang opnieuw aan zijn oordeel onderworpen en zal de grieven niet alle afzonderlijk bespreken.Het hof zal hieronder allereerst het op het geschil toepasselijke recht vaststellen. Om redenen van doelmatigheid zal het hof vervolgens de reconventionele vorderingen betreffende de vergoeding van de schade aan de opstallen en aan de machines beoordelen en daarna de conventionele vordering tot betaling van de afgesproken prijs. Als laatste zullen de overige in reconventie ingestelde vorderingen worden beoordeeld.

Het toepasselijk recht

3.6.1.

Het transport van de machines vond plaats in het kader van een verplaatsing (“verhuizing”) van de machines van [appellante] vanuit het bedrijfspand te [plaats 1] naar het bedrijfspand te [plaats 2] . Omdat de uitzondering van artikel 1 lid 4 sub c van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR) slechts ziet op de verhuizing van huishoudelijke inboedels (“furniture removal” in de oorspronkelijke Engelse tekst van de CMR), is op grond van artikel 1 lid 1 CMR dit verdrag wel op het transport van toepassing.

De tussen partijen gesloten overeenkomst zag echter niet alleen op het (kale) transport van de machines van [plaats 1] naar [plaats 2] (België). Onderdeel van de aan [geïntimeerde] verstrekte opdracht was ook dat [geïntimeerde] de machines voorafgaand aan het inladen in de vrachtwagens uit het bedrijfspand van [appellante] in [plaats 1] zou weghalen en dat [geïntimeerde] na het uitladen van de machines in [plaats 2] deze zou plaatsen in het bedrijfspand aldaar. Ook dit weghalen van de machines uit het bedrijfspand in [plaats 1] en het plaatsen van de machines in het bedrijfspand te [plaats 2] , maakt - gezien de aard van die werkzaamheden - onderdeel uit van het tussen partijen overeengekomen vervoer, zodat ook hierop de CMR van toepassing is. De vordering tot vergoeding van de schade die volgens [appellante] is toegebracht aan de machines valt derhalve geheel onder het toepassingsbereik van de CMR, ongeacht of die schade is toegebracht tijdens het transport (over de openbare weg) van [plaats 1] naar [plaats 2] dan wel tijdens het weghalen uit en naar binnen brengen in de respectievelijke bedrijfspanden en het transport in en om die panden op het eigen bedrijfsterrein.

3.6.2.

Voor zover [appellante] haar aansprakelijk houdt voor schade waarvan de vergoeding niet valt onder de reikwijdte van de CMR, kan die aansprakelijkheid van [geïntimeerde] gegrond zijn op het toepasselijke nationale recht (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333, NJ 1995/114). Partijen hebben zich er niet expliciet over uitgelaten of op hun overeenkomst Nederlands dan wel Belgisch recht van toepassing is. Uit de stellingen van partijen begrijpt het hof dat zij impliciet hebben gekozen voor de toepassing van Nederlands recht. Ook bij het ontbreken van een rechtskeuze is overigens op grond van artikel 4 lid 1 onder b) Verordening (EG) nr. 593/2008 Nederlands recht van toepassing is. Het hof zal het geschil dan ook naar Nederlands recht beoordelen.

Het geschil betreffende de schade aan zowel de bedrijfspanden als aan de machines

3.7.1.

Volgens [appellante] is er in het bedrijfspand te [plaats 1] schade toegebracht aan de gietvloer.

Uit de stellingen van [appellante] en uit het [de vennootschap 4] -rapport waarnaar [appellante] verwijst (akte d.d. 29 december 2010 onder 2), begrijpt het hof vooralsnog dat er volgens [appellante] aan en rondom het bedrijfspand te [plaats 2] de navolgende beschadigingen zijn ontstaan:

- schade aan het asfalt van één van de opritten, doordat de kraanwagen en de heftruck door het asfalt zijn gezakt;

- schade aan de klinkerbestrating van de andere oprit, door overbelasting van het gewicht van de heftruck;

- breuken in de betonplaten aan de achterzijde van het pand en beschadiging van een put onder de betonverharding door overbelasting van het gewicht van de heftruck;

- scheuren in de betegelde vloer (op beton) in het bedrijfspand en een put in die vloer door overbelasting van het gewicht van de heftruck.

3.7.2.

Het verweer van [geïntimeerde] dat specifiek betrekking heeft op de gestelde schade aan de bedrijfspanden luidt, samengevat, als volgt:

a. a) In [plaats 1] is geen schade toegebracht aan de vloer van het bedrijfspand. Voor zover de door [appellante] gestelde schade wel door [geïntimeerde] is toegebracht zijn de herstelkosten lager dan het door [appellante] gestelde bedrag van € 1.495,00.

b) De opritten bij het bedrijfspand te [plaats 2] waren gebrekkig, althans hadden onvoldoende draagvermogen waardoor ze niet bestand waren tegen het gewicht van de heftruck. Daarvoor is [geïntimeerde] niet aansprakelijk en hij hoefde om die reden tevoren geen onderzoek te doen naar het draagvermogen. Het had op de weg van [appellante] gelegen om haar daaromtrent te informeren.

c) Tussen partijen is niet afgesproken dat [geïntimeerde] geen schade mocht toebrengen aan de opstallen van [appellante] , zodat [geïntimeerde] in dit opzicht ook geen verbintenis jegens [appellante] heeft geschonden.

d) De ondertekening van de vrachtbrief levert het vermoeden op dat de werkzaamheden conform de opdracht zijn verricht. In ieder geval had [appellante] op grond van artikel 30 CMR binnen 7 dagen schriftelijk moeten reclameren.

3.7.3.

Volgens [appellante] zijn de vervoerde machines beschadigd tijdens het laden, lossen, vastsjorren en het naar binnen brengen in het bedrijfspand te [plaats 2] (concl van antw in conv, nr. 19). De gedragingen waardoor de schade is ontstaan, zijn aan [geïntimeerde] toerekenbaar, zodat zij de schade aan [appellante] dient te vergoeden, aldus [appellante] . [appellante] begroot de schade op € 10.660,47 (prod. 2 bij akte in conv en in reconv).

3.7.4.

Het verweer van [geïntimeerde] dat specifiek betrekking heeft op de gestelde schade aan de machines luidt, samengevat als volgt:

e) De machines waren op het moment van inladen niet vrij van schade (concl van antw in rec, nr. 31).

f) De machines zijn tijdens de uitvoering van de opdracht door [geïntimeerde] niet beschadigd (inl. dagv, nr. 17 en concl van antw in rec, nr. 28).

g) Door de ondertekening van de vrachtbrief is de goede staat van de machines bij de aflevering vastgesteld, zodat op grond van art. 30 lid 2 CMR geen tegenbewijs tegen die vaststelling is toegestaan. Nu [appellante] bovendien niet binnen 7 dagen heeft gereclameerd, geldt ook op grond van artikel 30 lid 1 CMR dat [appellante] geacht wordt de machines in goede staat te hebben ontvangen.

3.7.5.

Daarnaast heeft [geïntimeerde] een groot aantal verweren gevoerd die uitdrukkelijk (dan wel naar het hof begrijpt) betrekking hebben op zowel de gestelde schade aan de bedrijfspanden als de schade aan de machines. Dat betreft, samengevat, de volgende verweren:

h) [appellante] heeft niet tijdig geprotesteerd tegen de gestelde onjuiste uitvoering van de overeenkomst, zodat haar recht op vergoeding van schade is komen te vervallen.

i. i) Toen bleek dat er door onvoldoende draagvermogen van de oprit problemen ontstonden met het naar binnen brengen van de machines in [plaats 2] , heeft [appellante] opdracht gegeven om door te gaan met de werkzaamheden. Zij heeft daarbij ingestemd met het ontstaan van schade en heeft hij het risico daarvan voor haar rekening genomen (artikel 17 lid 2 CMR).

j) De door [appellante] gestelde beschadigingen aan het bedrijfspand en aan de machines zijn veroorzaakt met de heftruck van en door de medewerkers van [de vennootschap 3] , terwijl [appellante] onvoldoende heeft gesteld om de gedragingen van de werknemers van [de vennootschap 3] voor rekening van [geïntimeerde] te laten komen.

k) [appellante] heeft de beschadigingen nog niet daadwerkelijk hersteld, zodat er ook (nog) geen schade is geleden.

l) De omvang van de herstelkosten van zowel de bedrijfspanden als de machines wordt door [appellante] op een te hoog bedrag begroot.

m) Indien [geïntimeerde] al aansprakelijk is voor enige schade, dan zal er bij de begroting van het schadebedrag rekening mee moeten worden gehouden dat [appellante] door een vernieuwing van de opritten en door herstel van de machines in een betere positie komt te verkeren (aftrek wegens nieuw voor oud).

n) De schadevergoeding moet in ieder geval worden beperkt tot het bedrag zoals vastgesteld in artikel 25 CMR.

De beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade aan de bedrijfspanden

3.8.1.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de aard van de tussen partijen gesloten overeenkomst dat op [geïntimeerde] de verplichting rustte om bij het weghalen van de machines uit het bedrijfspand in [plaats 1] en het naar binnen brengen van die machines in het bedrijfspand te [plaats 2] , als een goed opdrachtnemer te werk te gaan. Dit brengt in beginsel mee dat dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de werkzaamheden geen beschadigingen behoorde toe te brengen aan de opstallen van [appellante] . De omstandigheid dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet uitdrukkelijk hebben afgesproken dat [geïntimeerde] geen beschadigingen mocht toebrengen, leidt niet tot het oordeel dat daarmee als uitgangspunt geldt dat [appellante] het risico draagt voor het toebrengen van beschadigingen door [geïntimeerde] , zoals [geïntimeerde] heeft betoogd. Daaruit volgt dat, indien en voor zover [geïntimeerde] de door [appellante] gestelde beschadigingen aan de opstallen heeft toegebracht, deze beschadigingen in beginsel een tekortkoming opleveren waarvoor [geïntimeerde] schadeplichtig is, tenzij de tekortkoming niet aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Hiervoor geldt het volgende.

3.8.2.

Omdat [geïntimeerde] de plicht had om als een goed opdrachtnemer voor het vervoeren (waaronder dus ook valt het naar binnen brengen) van de machines te zorgen (en om daarbij dus geen schade toe te brengen aan de opstallen van [appellante] ), lag het daarmee ook op de weg van [geïntimeerde] om voorafgaand aan het naar binnen brengen van de machines in het bedrijfspand te [plaats 2] - nu [geïntimeerde] immers voorafgaand aan het vervoer c.a. ter plaatse is geweest - onderzoek te doen naar het draagvermogen van de opritten rondom en van de vloeren in het pand. Op die wijze kon [geïntimeerde] zich er van vergewissen of deze bestand waren tegen het gewicht van de kraanwagen en de apparatuur die [geïntimeerde] voornemens was te gaan gebruiken om de machines naar binnen te brengen. In het geval dat het draagvermogen onvoldoende zou blijken te zijn of dat dit draagvermogen niet kon worden vastgesteld, was het aan [geïntimeerde] om voorzorgsmaatregelen te nemen om de belasting van de vloeren (door bijvoorbeeld het gebruik van rijplaten of andere hulpmiddelen) te verminderen dan wel om met [appellante] nadere afspraken te maken omtrent het risico van (eventueel) onvoldoende draagvermogen van de vloeren. Het verweer van [geïntimeerde] dat een onderzoek niet van haar kon worden verwacht, wordt derhalve in de gegeven omstandigheden door het hof verworpen. Anders dan [geïntimeerde] heeft gesteld, lag het dus ook niet op de weg van [appellante] om uit eigen beweging [geïntimeerde] te informeren omtrent het draagvermogen en de eigenschappen van de opritten en de vloeren waarvan [geïntimeerde] gebruik zou maken.

3.8.3.

De gestelde beschadigingen zijn daarentegen niet aan [geïntimeerde] toerekenbaar indien en voor zover er beschadigingen zijn ontstaan aan opritten en vloer doordat de belastbaarheid ervan, al dan niet door de aanwezigheid van een gebrek, minder was dan [geïntimeerde] had mogen veronderstellen op grond van bijvoorbeeld eigen onderzoek, mededelingen van de zijde van [appellante] dan wel op grond van overige gerechtvaardigde verwachtingen omtrent de belastbaarheid van de vloer. Op dit punt heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende gesteld om te concluderen dat zij ervan uit mocht gaan dat de opritten en de vloer rondom respectievelijk in het bedrijfspand te [plaats 2] voldoende draagvermogen hadden voor het gewicht van de door [geïntimeerde] op voorhand gekozen en vervolgens gebruikte kraanwagen en heftruck.

Het verweer van [geïntimeerde] dat een geasfalteerde weg over het algemeen voldoende draagkracht heeft om de goederen met een heftruck op zijn plaats te zetten (conclusie na enquête, nr. 40) is niet voldoende om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] ook in dit geval mocht verwachten dat de geasfalteerde oprit voldoende draagvermogen had. Bij dit oordeel is van belang dat het hier niet een openbare weg betrof, maar een oprit op een particulier terrein. [geïntimeerde] heeft niet gesteld waarop zij haar verwachtingen baseerde (zoals bijvoorbeeld wettelijke normen of mededelingen van [appellante] ) dat het draagvermogen van het asfalt van de oprit toereikend was.

De stelling dat de opritten en de vloeren evident gebrekkig waren, is door [geïntimeerde] niet onderbouwd. [geïntimeerde] heeft bijvoorbeeld niet gesteld wat de aard van die gebreken was en in welk opzicht zij hebben bijgedragen aan een verminderde belastbaarheid van de opritten dan wel de vloeren en waarom zij de aanwezigheid van die gebreken niet behoefde te verwachten. Voor zover [geïntimeerde] met haar verwijzing naar de bevinding in het [de vennootschap 4] -rapport, welke inhoudt dat het asfalt maar 3 cm dik was en kennelijk onvoldoende gefundeerd om het gewicht van de voertuigen van [geïntimeerde] te dragen, heeft beoogd te stellen dat daaruit volgt dat de geasfalteerde oprit gebrekkig was, dient dat betoog te worden verworpen. De enkele omstandigheid dat de laag asfalt drie centimeter dik was en een beperkte fundering had (en daarmee een beperkt draagvermogen), is zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet als een gebrek van de geasfalteerde oprit aan te merken.

3.8.4.

Op grond van artikel 6:76 BW is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de gedragingen van de hulppersonen van wie hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik heeft gemaakt. Het verweer, weergegeven in 3.7.5. onder j.) faalt derhalve.

3.8.5.

Volgens [geïntimeerde] kan de schade in en rondom het bedrijfspand te [plaats 2] niet aan haar worden toegerekend, omdat tijdens de werkzaamheden door [appellante] is besloten - nadat was geconstateerd dat de oprit niet bestand was tegen het gewicht van de heftruck - om door te gaan met de werkzaamheden en de schade voor lief te nemen in plaats van te kiezen voor een andere, en duurdere methode, om de machines naar binnen te brengen. Het is aan [geïntimeerde] om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit volgt dat er tijdens de werkzaamheden tussen partijen een uitdrukkelijke partijafspraak is gemaakt op grond waarvan eventuele beschadigingen aan opritten en vloeren rondom en in het bedrijfspand niet aan [geïntimeerde] zouden worden toegerekend.

Alvorens het hof een oordeel geeft omtrent dit onderdeel van het geschil, wenst het hof de gang van zaken rond het naar binnen brengen van de machines in [plaats 2] en de problemen die daarbij ontstonden, met partijen te bespreken tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen.

3.8.6.

Het verweer dat [appellante] niet binnen de bekwame termijn van artikel 6:89 BW heeft geprotesteerd over de schade aan de panden, wordt door het hof verworpen. Volgens [appellante] heeft zij de dag na de werkzaamheden direct telefonisch geklaagd over de toegebrachte schade en is er op 9 januari 2009 (de eerste dag na afloop van de kerstvakantie van [geïntimeerde] ) een bespreking geweest. Weliswaar heeft [geïntimeerde] betwist dat [appellante] direct na de uitvoering van de opdracht heeft gereclameerd omtrent de schade, maar zij heeft niet betwist dat [appellante] op 17 februari en 2 maart 2009 e-mails heeft verzonden aan [geïntimeerde] in verband met de afwikkeling van de schade. Evenmin heeft [geïntimeerde] de weergave van de eigen verklaring van de heer [geïntimeerde] in het [Transport] -rapport betwist (zie hierboven in 3.1. onder o), waaruit volgt dat [geïntimeerde] destijds (het hof begrijpt: begin 2009) naar aanleiding van de melding door [appellante] de schade aan de tussenpersoon van haar verzekeraar heeft gemeld. Als getuige heeft de heer [geïntimeerde] verklaard dat hij ‘een week of wat later’ na het transport was benaderd door [medewerker van appellante] die meldde dat er schade was. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat [appellante] tijdig bij [geïntimeerde] heeft gereclameerd over de schade. Voor zover [geïntimeerde] ten aanzien van dit onderdeel van de vordering als verweer heeft beoogd te voeren dat ook onder de CMR niet tijdig is geklaagd, stuit dat verweer af op het feit dat de CMR op dit onderdeel van de vordering – dat immers slechts ziet op (een deel van) de schade aan de panden - niet van toepassing is.

3.8.7.

[geïntimeerde] heeft betwist dat zij schade heeft toegebracht aan de vloer van het bedrijfspand te [plaats 1] . Ook heeft zij de hoogte van de herstelkosten van de (door [appellante] gestelde) beschadigingen aan de vloer betwist. Op [appellante] ligt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. de bewijslast van het toebrengen van de schade door [geïntimeerde] en van de hoogte van de daarmee gemoeide herstelkosten.

Alvorens het hof een oordeel geeft omtrent dit onderdeel van het geschil, wenst het hof dit met partijen te bespreken tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen.

3.8.8.

[geïntimeerde] heeft niet dan wel onvoldoende betwist dat bij de uitvoering van de opdracht in [plaats 2] schade is toegebracht aan de geasfalteerde oprit, aan de betonplaten en aan de betegelde vloer in het bedrijfsgebouw, zodat het hof dat als vaststaand aanneemt. Wel heeft [geïntimeerde] betwist dat er schade is toegebracht aan de beklinkerde oprit. Dat de schade door [appellante] nog niet is hersteld, rechtvaardigt niet het oordeel dat [appellante] (nog) geen schade heeft geleden, aangezien in gevallen als onderhavige de schade abstract kan worden begroot. Het verweer dat de verplichting tot schadevergoeding is beperkt tot het in artikel 25 CMR bedoelde bedrag, stuit al af op het feit dat de CMR ten aanzien van dit soort schade niet van toepassing is (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333, NJ 1995/114 Cargofoor).

Wel heeft [geïntimeerde] de door [appellante] gestelde hoogte van de schade gemotiveerd betwist en heeft zij er in dat verband ook een beroep op gedaan dat de hoogte van de schadevergoeding moet worden verminderd wegens verbetering van oud naar nieuw. Op [appellante] ligt op grond van artikel 150 Rv. de bewijslast van de stelling dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de opdracht (ook) schade heeft toegebracht aan de beklinkerde oprit alsmede de bewijslast van de hoogte van de schade aan het bedrijfspand c.a. te [plaats 2] .

Alvorens het hof een oordeel geeft omtrent dit onderdeel van het geschil, wenst het hof de hoogte van deze schade met partijen te bespreken tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen.

De beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade aan de machines

3.9.1.

Bij de beoordeling van dit onderdeel van het geschil stelt het hof voorop dat [geïntimeerde] in de conclusie na enquête haar stellingen in zoverre heeft aangevuld dat zij stelt dat er tijdens het transport zelf tot aan het lossen geen schade is ontstaan (concl na enq, nr. 6), maar dat zij erkent dat de machines na het lossen zijn beschadigd, toen deze het bedrijfspand te [plaats 2] werden ingereden (concl na enq, nr. 5). In de memorie van antwoord (nr. 22) heeft [geïntimeerde] nogmaals gesteld dat onbetwist is dat er schade is ontstaan aan de machines. Daarmee staat vast dat tijdens de uitvoering van de overeenkomst de machines zijn beschadigd. Of die beschadigingen mede zijn toegebracht tijdens het transport van [plaats 1] naar [plaats 2] of alleen tijdens het naar binnen brengen van de machines in het bedrijfspand te [plaats 2] , doet niet ter zake, nu al deze werkzaamheden tot het vervoer behoren en daarmee de CMR op al die werkzaamheden van toepassing is.

3.9.2.

Met betrekking tot het beroep van [geïntimeerde] op artikel 30 lid 2 CMR geldt het volgende. De vrachtbrief is pas na volledige uitvoering van de overeenkomst door partijen ondertekend. Op dat moment waren de goederen inmiddels in het bedrijfspand in [plaats 2] geplaatst en tussen partijen staat vast dat er op dat moment (zichtbare) schade aan de machines was toegebracht. Zonder toelichting van [geïntimeerde] , die niet is gegeven, kan niet worden geoordeeld dat [appellante] met de ondertekening van de vrachtbrief (zonder daarop bemerkingen te plaatsen omtrent de zichtbare schade) heeft beoogd om samen met [geïntimeerde] vast te stellen dat de goederen tijdens de uitvoering van de overeenkomst niet beschadigd waren, althans dat [geïntimeerde] daarop in de gegeven omstandigheden - waar deze het daadwerkelijk ontstaan van schade aan de goederen zonder meer erkent - heeft mogen vertrouwen. De consequentie van het niet maken van voorbehouden is slechts, dat het vermoeden bestaat dat de goederen zijn afgeleverd in onbeschadigde staat (c.q. de staat als omschreven in de vrachtbrief). Dat brengt mee dat artikel 30 lid 2 CMR niet van toepassing is. Op grond van artikel 30 lid 1 CMR heeft [appellante] de bevoegdheid om (tegen)bewijs te leveren ten aanzien van de aard van de beschadigingen die tijdens het transport zijn ontstaan alsmede omtrent het daaruit voortvloeiende schadebedrag.

3.9.3.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] voldoende gemotiveerd onderbouwd dat bij de uitvoering van de opdracht de beschadigingen zijn ontstaan zoals deze door [appellante] zijn opgesomd in productie 2 bij haar akte in conventie en in reconventie en zoals benoemd in het [Transport] -rapport. Voor dat oordeel is van belang dat door [geïntimeerde] in de vrachtbrief geen voorbehouden gemaakt ten aanzien van de uiterlijke staat van de machines bij het inladen ervan, zodat op grond van artikel 9 lid 2 CMR wordt vermoed dat zij in uiterlijk goede staat waren op het moment dat zij in [plaats 1] werden ingeladen. [geïntimeerde] heeft haar andersluidende stelling niet onderbouwd door concrete beschadigingen te noemen en heeft op dit punt ook geen bewijs aangeboden. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat de machines op het moment van inladen in goede staat verkeerden.

De in opdracht van de verzekeraar van [geïntimeerde] aangestelde schade-expert heeft in zijn rapport verklaard dat de machines na de verhuizing niet meer zijn gebruikt en dat een groot deel van de beschadigingen gezien hun aard aan de bedrijfsverhuizing kan worden gerelateerd en dat het, gezien de problemen tijdens de verhuizing, ook hoogstwaarschijnlijk is dat de schade tijdens de verhuizing is ontstaan. In die beoordeling heeft de expert mede betrokken een verklaring van één van de chauffeurs als ten behoeve van [geïntimeerde] bij het transport en uitladen betrokken en de omstandigheid dat de feitelijke situatie rondom het bedrijfspand een correcte lossing heeft bemoeilijkt.

Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om, ter onderbouwing van haar verweer dat niet alle door [appellante] gestelde beschadigingen tijdens de uitvoering van de opdracht zijn ontstaan, concreet te stellen welke van de door [appellante] genoemde beschadigingen zijn ontstaan nadat de aflevering van de machines in het bedrijfspand te [plaats 2] had plaatsgevonden en het vervoer dus was beëindigd. Dergelijke feiten heeft [geïntimeerde] niet gesteld. De omstandigheid dat [Transport] de schade pas op 9 maart 2010 (en derhalve 14 maanden na het transport) heeft getaxeerd, is daartoe niet voldoende.

Daar komt bij, zoals hiervoor in rov. 3.8.6. is geoordeeld, dat [appellante] binnen bekwame tijd bij [geïntimeerde] over het toebrengen van de schade heeft geklaagd. Die korte termijn is blijkens de parlementaire geschiedenis mede bedoeld om de procespositie van [geïntimeerde] veilig te stellen. Dat toen niet terstond door dan wel namens [geïntimeerde] in overleg met [appellante] de schade is vastgesteld, dan wel een schade-expert van de verzekeraar van [geïntimeerde] in [plaats 2] is gaan kijken, komt voor rekening van [geïntimeerde] .

Wat betreft de aard en de omvang van de beschadigingen die tijdens de uitvoering van de opdracht zijn ontstaan, gaat het hof dan ook uit van de schadevaststelling op pagina 6 van het [Transport] -rapport.

3.9.4.

Uit hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.8.3. e.v. is overwogen, volgt dat de verweren zoals weergegeven in rov. 3.7.5. onder h, j, k en falen, waarbij het hof aanvullend overweegt dat het verweer zoals weergegeven in rov. 3.7.5. onder j. ten aanzien van de machines faalt op grond van het bepaalde in artikel 3 CMR. Het verweer zoals weergegeven onder 3.7.5. onder i wenst het hof, zoals hiervoor onder rov. 3.8.5. is overwogen, met partijen te bespreken tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen.

3.9.5.

Vooruitlopend op het oordeel omtrent de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade aan de machines, overweegt het hof reeds thans als volgt ten aanzien van de hoogte van de schade.

3.9.6.

Vast staat dat de verzekeraar op grond van het [Transport] -rapport de schade heeft vastgesteld op een bedrag van € 8.171,20 en dat (in ieder geval ten tijde van de appelprocedure) door de verzekeraar uit hoofde van de beschadiging van de machines tijdens de uitvoering van de opdracht, na inhouding van een bedrag van € 750,00 aan eigen risico, een bedrag van € 7.421,20 aan [geïntimeerde] is uitgekeerd (mva, nr. 81). Tussen partijen is in geschil of tussen hen op grond van de e-mail van 15 december 2008 was overeengekomen dat [geïntimeerde] de machines tijdens het transport ten behoeve van [appellante] zou verzekeren (zoals door [appellante] gesteld en door [geïntimeerde] betwist). Wel staat vast dat [appellante] in de betreffende e-mail om het sluiten van een dergelijke verzekering heeft verzocht en dat [geïntimeerde] een verzekeringspremie bij [appellante] in rekening heeft gebracht. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [geïntimeerde] in verband met de uitvoering van de overeenkomst kennelijk een verzekering voor rekening van en ten behoeve van [appellante] heeft gesloten en dat die verzekering dekking bood voorde ontstane schade. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] gehouden is om de uitkering die de verzekeraar ter zake van de schade heeft gedaan en die [geïntimeerde] als vertegenwoordiger van [appellante] (daarbij handelend op eigen naam ten behoeve van [appellante] ) in het kader van de gesloten verzekering heeft ontvangen, aan [appellante] door te betalen. Of het sluiten van een dergelijke verzekering uitdrukkelijk is overeengekomen is voor dit oordeel niet van belang. Evenmin is onder de gegeven omstandigheden van belang of [geïntimeerde] zichzelf aansprakelijk acht nu de verzekeraar evident een uitkering ten behoeve van [appellante] aan [geïntimeerde] heeft gedaan in verband met de schade die hier aan de orde is.

3.9.7.

Volgens [appellante] is de schade hoger dan het schadebedrag dat door de verzekeraar is vastgesteld. Dit verschil wordt veroorzaakt, omdat volgens [appellante] deskundigen met een bijzondere expertise voor de herstelwerkzaamheden moeten worden ingeschakeld, waardoor de schade ten gevolge van hogere loon- en reiskosten van de reparateurs hoger uitvalt dan in het [Transport] -rapport begroot. Het hof wenst dit onderdeel van het geschil tijdens de comparitie te bespreken met partijen.

De door [appellante] aan [geïntimeerde] verschuldigde prijs voor de uitvoering van de opdracht

3.10.1.

Tussen partijen is in geschil wat tussen hen is overeengekomen ten aanzien van de door [appellante] te betalen vergoeding voor de werkzaamheden van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft aan haar vordering in conventie tot betaling van de factuur primair ten grondslag gelegd dat tussen partijen de vaste (gefactureerde) prijs van € 7.696,33 incl. btw was overeengekomen en subsidiair dat dit bedrag een redelijke vergoeding is voor de werkzaamheden. Door [appellante] is als verweer gevoerd dat partijen hebben gecontracteerd op grond van de e-mail d.d. 15 december 2008 en dat daaruit volgt dat [appellante] een vergoeding zou betalen op basis van gewerkte uren tegen een nog nader overeen te komen uurtarief.

3.10.2.

Naar aanleiding van dit verweer heeft [geïntimeerde] haar stellingen in die zin aangevuld dat zij stelt (concl van antw in reconv., nr. 5) dat dhr. [geïntimeerde] en [medewerker van appellante] telefonisch hebben besproken dat [geïntimeerde] het transport van de machines op nacalculatie zou uitvoeren en dat [appellante] aldus op of omstreeks 13 december 2008 mondeling opdracht heeft gegeven om het transport op basis van nacalculatie uit te voeren. Hetgeen in de e-mail van [appellante] d.d. 15 december 2008 is vermeld omtrent de inzet van het aantal vrachtwagens, het aantal personen en van het overige materieel, is niet tussen partijen overeengekomen, omdat de inhoud van die e-mail niet door [geïntimeerde] is aanvaard, aldus [geïntimeerde] .

3.10.3.

Gezien het bovenstaande slaagt naar het oordeel van het hof het verweer van [appellante] dat partijen van tevoren geen vaste prijs zijn overeengekomen, maar dat op basis van het aantal daadwerkelijk aan de uitvoering van de overeenkomst bestede uren door [geïntimeerde] zou worden gefactureerd. Dat brengt mee dat de vordering van [geïntimeerde] niet kan worden toegewezen voor zover zij gegrond is op de (primaire) stelling dat een vaste prijs is afgesproken dan wel op de (subsidiaire) stelling dat, bij het ontbreken van een afspraak over de prijs, een redelijke vergoeding verschuldigd is.

3.10.4.

Volgens [geïntimeerde] is [appellante] ook in het geval de prijs wordt berekend op basis van het aantal uren dat materieel en personeel is ingezet een prijs verschuldigd van € 6.467,50 (concl van antw in reconv onder 16 e.v. en de mem van antw onder 167 e.v.). Ter onderbouwing van die stelling heeft [geïntimeerde] verwezen naar de berekening die als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd. Deze berekening, waarvan [geïntimeerde] in de dagvaarding had gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door haar was opgesteld, bevat volgens [geïntimeerde] een vermelding van het aantal berekende uren. Uit vermenigvuldiging van de aldus berekende uren met het tarief dat voor de inzet van de diverse voertuigen door [geïntimeerde] wordt gehanteerd, volgt dat [appellante] het in rekening gebrachte bedrag verschuldigd is, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daartoe een specificatie opgenomen in haar conclusie van antwoord in reconventie onder nummer 16. [geïntimeerde] specificeert de vordering als volgt:

voertuig eenheden tarief prijs

kraanwagen [kenteken] 23 uur € 85,00 € 1.955,00

[de vennootschap 3] Semi 25 uur € 75,00 € 1.875,00

extra man 25 uur € 35,00 € 875,00

[de vennootschap 3] Tropi 12,5 uur € 65,00 € 812,50

Heftruck [de vennootschap 3] 2 dagen € 250,00 € 500,00

Gereedschap transport 2 dagen € 100,00 € 200,00

Verzekering 1 € 250,00 € 250,00

Totaal € 6.467,50

3.10.5.

[appellante] verzet zich niet tegen het door [geïntimeerde] in haar specificatie gehanteerde tarief van € 85,00 per uur voor de inzet van een voertuig inclusief manuren (mvg 174). Het hof begrijpt uit de stelling van [appellante] dat zij zich daarmee evenmin verzet tegen het gehanteerde tarief van € 75,00 voor de inzet van de [de vennootschap 3] Semi en van € 65,00 voor de inzet van de [de vennootschap 3] Tropi. In ieder geval komen deze tarieven, bij het ontbreken van een betwisting van de zijde van [appellante] , het hof niet onredelijk voor, zodat het hof bij de beoordeling van de door [appellante] verschuldigde prijs van deze tarieven uit zal gaan.

3.10.6.

Volgens [appellante] heeft zij, gezien de inhoud van de e-mail van 15 december 2008, opdracht gegeven voor de inzet van twee vrachtwagencombinaties met drie man personeel, zodat [geïntimeerde] ten onrechte kosten in rekening brengt voor drie combinaties en vier man personeel. De kraanwagen die voor een bedrag van € 1.955,00 in rekening wordt gebracht, was zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] overbodig. Het betreffende bedrag is om die reden ten onrechte in rekening gebracht. De verschuldigdheid van het bedrag van € 875,00 voor een extra man wordt door [appellante] betwist, omdat de manuren in het tarief van de vrachtwagencombinaties zouden zijn inbegrepen. Ook ten aanzien van de gefactureerde bedragen van € 500,00 en € 200,00 voor de inzet van respectievelijk een heftruck en gereedschap geldt volgens [appellante] dat deze zijn inbegrepen in de uurtarieven van de vrachtwagencombinaties en derhalve niet additioneel in rekening kunnen worden gebracht. Volgens [appellante] is zij op grond van de overeenkomst slechts gehouden om de inzet van de twee vrachtwagencombinaties van [de vennootschap 3] (Semi en Tropi) en de verzekeringspremie te voldoen. Ten aanzien van de premie voor de verzekeringsovereenkomst geldt echter dat deze alleen verschuldigd is indien komt vast te staan dat de betreffende verzekering ten behoeve van [appellante] daadwerkelijk door [geïntimeerde] is gesloten, aldus [appellante] . Ten aanzien van de inzet van de twee combinaties van [de vennootschap 3] heeft [appellante] gesteld dat in verband daarmee teveel uren in rekening zijn gebracht. Blijkens de urenspecificatie (prod. 7 concl van antw in reconv) heeft het lossen onevenredig veel uren in beslag genomen (46,5 uren voor het lossen tegenover 16,5 uur voor het laden in [plaats 1] ). De oorzaak daarvan is gelegen in de wanprestatie van [geïntimeerde] ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden bij het lossen, hetgeen voor rekening van [geïntimeerde] behoort te komen. Bovendien heeft [geïntimeerde] over twee dagen te weinig uren aan pauze in mindering gebracht, aldus nog steeds [appellante] .

3.10.7.

Nu het hof hiervoor heeft geoordeeld dat tussen partijen is overeengekomen dat moet worden afgerekend op basis van het aantal uren dat iedere vrachtwagencombinatie is ingezet, kan in het midden blijven of [appellante] opdracht heeft gegeven voor de inzet van twee dan wel drie vrachtwagencombinaties. Voor zover de vrachtwagencombinaties daadwerkelijk voor het aantal gedeclareerde uren zijn ingezet bij de uitvoering van de opdracht, maakt het voor de uiteindelijk verschuldigde prijs niet uit of de opdracht is uitgevoerd met twee dan wel drie combinaties. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat er bij de inzet van slechts twee combinaties in dat geval per combinatie meer uren zouden zijn gedeclareerd. Voor de inzet van een man extra, zoals door [appellante] gesteld, geldt hetzelfde.

3.10.8.

Alvorens een oordeel te geven omtrent de vraag welke vergoeding [appellante] aan [geïntimeerde] verschuldigd is, wenst het hof de geschilpunten, zoals hiervoor weergegeven onder rov. 3.10.6 met partijen tijdens de comparitie te bespreken. Gezien hetgeen het hof hiervoor onder 3.9.6 heeft geoordeeld ten aanzien van de aan [geïntimeerde] uitgekeerde verzekeringspenningen, is [appellante] de aan haar gedeclareerde premie in ieder geval verschuldigd.

3.11.

Het hof zal thans een comparitie van partijen gelasten teneinde van partijen inlichtingen te verkrijgen ten aanzien van de hiervoor genoemde geschilpunten en voor het beproeven van een minnelijke regeling. Voor het geval een minnelijke regeling niet wordt bereikt, kunnen partijen tijdens de comparitie tevens meedelen van welke stellingen zij op welke wijze bewijs wensen te leveren. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor het hof , dat daartoe in het kader van een meervoudige comparitie zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door het hof te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.11 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 17 januari 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, R.R.M. de Moor en J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 december 2016.

griffier rolraadsheer