Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5567

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
200.200.479/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenares ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 december 2016

Zaaknummer : 200.200.479/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/316421 / FT RK 16/766

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. A.D.M. Klein Selle te Oisterwijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2016, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, dan wel een beslissing te nemen die het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Klein Selle, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 september 2016;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 14 november 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 16.832,58. Daaronder bevindt zich een schuld aan de Belastingdienst van € 11.440,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat de grootste schuldeiser niet met het aangeboden percentage heeft ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Uit hetgeen verzoekster naar voren hééft gebracht, volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat zij ter zake het ontstaan van de schulden bij de Belastingdienst niette goeder trouw is geweest in de vijfjaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Verzoekster heeft gedurende een langere periode onterecht kinderopvangtoeslag ontvangen. Zij heeft erkend deze bedragen op haar eigen rekening te hebben ontvangen en deze gelden te hebben uitgegeven aan andere zaken. Voor zover verzoekster met haar relaas dat een vriendin voor haar deze toelagen heeft aangevraagd, beoogt aan te voeren dat het ontstaan van deze schulden haar niet is te verwijten, gaat dit betoog niet op. De rechtbank weegt bij dit oordeel mee dat deze twee schulden in totaal € 11.440,- bedragen en het daarmee gaat om het overgrootste deel van de schuldenlast.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] heeft met het oog op de terugvordering kinderopvangtoeslag over 2014 en 2015 ter zitting op 5 september 2016 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaard dat een vriendin voor haar de kinderopvang toeslag heeft aangevraagd en dat zij de naam van deze vriendin niet meer weet. Zij heeft tijdens de zitting echter niet het achterste van haar tong laten zien. Het is op zich juist dat een vriendin de toeslag heeft aangevraagd. Wat [appellante] tijdens de zitting niet heeft verklaard is dat de zogenaamde vriendin misbruik heeft gemaakt van haar goedheid en een groot deel van de toeslag (€ 6.000,00) heeft ontvangen van haar. [appellante] licht een en ander als volgt toe. De vriendin van [appellante] heeft zich aan haar voorgesteld als [naam vriendin] en is een tijdlang bij haar over de vloer gekomen. Zij vertrouwde [naam vriendin] al snel haar administratieve zaken toe. Op initiatief van [naam vriendin] is de kinderopvangtoeslag aangevraagd. Toen [appellante] het bedrag had ontvangen heeft zij onder dwang € 6.000,00 van de toeslag aan [naam vriendin] afgestaan. [naam vriendin] is vervolgens met de noorderzon vertrokken en was voor [appellante] niet meer bereikbaar. Het telefoonnummer waarop [naam vriendin] voor haar altijd bereikbaar was bleek afgesloten. In die periode is [appellante] met de dood bedreigd door een onbekende derde die haar te kennen heeft gegeven geen aangifte van het vorenstaande te doen. Tot op de dag van vandaag is [appellante] bang hetgeen maakt dat zij geen aangifte wil doen. Dit is ook de reden dat ze tijdens de zitting van 5 september 2016 niet het volledige verhaal heeft gedaan. Zij heeft vanwege angstgevoelens het bovenstaande niet eerder willen delen. [appellante] is slachtoffer van duistere oplichtingspraktijken van een ander. Zij is van mening dat een en ander haar niet kan worden aangerekend.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat zij wist dat er op 19 september 2016 uitspraak zou worden gedaan met betrekking tot haar toelatingsverzoek. Toen zij op 22 september 2016 nog niets had vernomen heeft zij met de griffie van de rechtbank Breda gebeld. Toen is haar te verstaan gegeven dat het vonnis aan haar zou worden toegezonden. Eerst op zaterdag 24 september 2016 heeft zij vonnis ook daadwerkelijk per post ontvangen. Hierop heeft zij contact gezocht met haar financiële hulpverlener. Op 28 september 2016 heeft zij met deze hulpverlener de inhoud van het vonnis besproken. Daarbij is haar door de financiële hulpverlener ook te verstaan gegeven dat de beroepstermijn van acht dagen inmiddels was verlopen. Voorts geeft [appellante] aan dat zij van het bedrag dat zij onterecht aan kinderopvangtoeslag heeft ontvangen onder dwang een bedrag van € 6.000,00 heeft afgestaan aan [naam vriendin] en een bedrag van € 5.400,00 zelf heeft besteed aan verschillende zaken omdat zij naar eigen inschatting te weinig inkomen had. Tot slot geeft [appellante] aan dat de schuld aan Baanbrekers inmiddels geheel zou zijn kwijtgescholden.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Allereerst dient het hof te bepalen of [appellante] ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. De uitspraak in eerste aanleg dateert immers van 19 september 2016. De appeltermijn eindigde acht dagen nadien, derhalve op 27 september 2016. Het beroepschrift is ter griffie op 3 oktober 2016 binnengekomen en dus (in beginsel) te laat. Bij de beoordeling van de eventuele verschoonbaarheid van de overschrijding van de appeltermijn stelt het hof, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, het volgende voorop. Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt. Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. Uit het door [appellante] overgelegde proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat zij zich bij die gelegenheid niet door een advocaat heeft laten bijstaan en dat bij deze zitting bovendien uitsluitend melding is gemaakt van de uitspraakdatum en niet van de daaraan gekoppelde beroepstermijn. Daarbij komt dat het vonnis waarvan beroep is afgestempeld op 23 september 2016, derhalve 4 dagen na de uitspraakdatum, en naar gebleken is ook eerst op die datum aan [appellante] is verzonden. Bovendien is door middel van een in dit vonnis opgenomen voetnoot [appellante] voor het eerst op de hoogte gesteld van de termijn voor hoger beroep. Op grond van het vorengaande acht hof in dit specifieke geval derhalve gronden aanwezig om de overschrijding van de beroepstermijn als zijnde verschoonbaar aan te merken en aldus [appellante] ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep te achten.

3.6.3.

Met betrekking tot de vraag of [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schuldenlast (volledig) te goeder trouw moet worden geacht overweegt het hof voorts als volgt. Vast staat dat er sprake is van een aanzienlijke belastingschuld welke ruim tweederde van de totale schuldenlast bedraagt en indien de schuld aan Baanbrekers, zoals door [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gesteld, daadwerkelijk geheel zou zijn kwijtgescholden zelfs ruim 85%. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.6.4.

Met betrekking tot het ontstaan van deze schuld heeft [appellante] gesteld dat zij, op advies van een voormalige vriendin, kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd dan wel door voornoemde vriendin aan heeft laten vragen. Na ontvangst van de kinderopvangtoeslag heeft zij hiervan naar eigen zeggen een bedrag van € 6.000,00 onder dwang aan haar voormalige vriendin af moeten staan. Daargelaten het feit dat [appellante] deze lezing der feiten op geen enkele wijze middels enig bewijs weet te ondersteunen waardoor het hof een en ander ook onvoldoende aannemelijk gemaakt acht, heeft [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens verklaard dat zij van de ontvangen kinderopvangtoeslag zelf een bedrag van

€ 5.400,00 aan uiteenlopende zaken heeft besteed. Uitgaande van de juistheid van de door [appellante] in hoger beroep aangedragen feiten en omstandigheden (welke inhoudelijk overigens sterk afwijken van de feiten en omstandigheden zoals die door [appellante] in eerste aanleg zijn aangedragen) is het hof van oordeel dat [appellante] uiterst ondoordacht en daardoor ook verwijtbaar gehandeld heeft door op advies van en vervolgens ook door een derde voor haar een kinderopvangtoeslag te laten aanvragen, temeer nu gebleken is dat zij in het geheel geen recht op een dergelijke toeslag had en zij deze voormalige vriendin ook maar oppervlakkig kende. De gevolgen van deze keuze van [appellante] dienen naar het oordeel van het hof dan ook voor haar eigen rekening en risico te komen. Daarbij komt dat [appellante] , naast het gedeelte dat zij naar eigen zeggen onder dwang aan haar voormalige vriendin af heeft moeten staan, in elk geval ook een substantieel gedeelte van de door haar onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag zelf heeft besteed aan zaken waar deze toeslag niet voor bestemd was. Het hof is op grond van het vorengaande dan ook van oordeel dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw is geweest. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden daarbij voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.