Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.200.475/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw: Indien appellante moet worden gevolgd in haar stelling dat zij het aanvragen van de toeslagen volledig uit handen heeft gegeven aan haar ex-partner, dan verhoudt deze handelwijze zich geenszins tot de eigen verantwoordelijkheid die zij heeft ten aanzien van het aanvragen van toeslagen bij de belastingdienst.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 december 2016

Zaaknummer : 200.200.475/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/318126 / FT RK 16/976

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats]

2. [beschermingsbewindvoerder] , verbonden aan FHEK bewindvoering te [kantoorplaats] , in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [appellant] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk de beschermingsbewindvoerder,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 26 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2016, hebben [appellant] en de beschermingsbewindvoerder verzocht voormeld vonnis te vernietigen en [appellant] alsnog toe laten tot de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellant] en de beschermingsbewindvoerder, bijgestaan door mr. Slaats.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij indieningsformulier/brief van 31 oktober 2016;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] en de beschermingsbewindvoerder d.d. 22 november 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het gedane verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 147.682,01. Daaronder bevindt zich een schuld bij de belastingdienst van € 16.383,--.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord zijn gegaan.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.4.

[appellant] en de beschermingsbewindvoerder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

De ontvankelijkheid.

3.5.

Zoals uit de inhoud van de processtukken blijkt heeft de beschermingsbewindvoerder samen met [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank d.d. 26 september 2016, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.

3.5.1.

In het op 25 mei 2012 door de Hoge Raad gewezen arrest (LJN: BV4010) is evenwel overwogen dat het indienen van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken niet behoort tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Voorts is door de Hoge Raad overwogen dat ditzelfde geldt voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.

3.5.2.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof, genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgend, tot de slotsom dat de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van rechtbank d.d. 26 september 2016, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen.

De inhoudelijke beoordeling

3.6.

[appellant] en de beschermingsbewindvoerder hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Over de jaren 2008, 2009 en 2010 was er sprake van aangifteplicht. Vast staat dat [appellant] deze aangiften niet tijdig heeft gedaan, waarna er ambtshalve aanslagen en verzuimboetes zijn opgelegd. De aangiften over deze jaren 2008, 2009 en 2010 zijn in maart 2014 echter alsnog gedaan, dit met ondersteuning van de hulpverlenende instantie NEOS te [vestigingsplaats] . Naar aanleiding van deze aangiften zijn de aanslagen over voormelde jaren ook gecorrigeerd en verrekend.

Tussen deze aangifteplichtige jaren en de aanvraag tot toelating tot de WSNP liggen meer dan vijf jaar; appellanten menen dat het niet (tijdig) doen van aangifte over deze (oudere) jaren niet mag leiden tot de conclusie dat [appellant] ter zake niet te goeder trouw is geweest.

Over de jaren 2011 en 2012 was er geen aangifteplicht, in 2014 is over deze jaren aangifte gedaan. Ten aanzien van deze jaren kan niet worden geoordeeld dat [appellant] heeft verzuimd om aangifte te doen en om die reden kan hem ter zake niet worden verweten niet te goeder trouw te hebben gehandeld.

[appellant] wordt verder ten onrechte verweten dat hij een (duur) huis heeft gekocht in plaats van een andere woning te hebben gehuurd. [appellant] had in de bewuste periode een baan en hij had geen aanleiding te vermoeden dat hij de hypotheek niet zou kunnen opbrengen, net zo min als de bank die hem op basis van zijn situatie en inkomen destijds ook een hypotheek heeft verstrekt.

[appellant] kwam daarbij in aanmerking voor hypotheekrenteaftrek zodat de (netto) woonlasten beduidend lager waren dan het bedrag (€. 1.000,=) dat ter zitting bij de rechtbank is besproken. De netto-woonlasten waren dus niet onverantwoord (duur) en het was ook niet te voorzien dat [appellant] zijn baan zou verliezen, zodat dit geen afzonderlijke of ondersteunende afwijzingsgrond mag zijn.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.7.2.

Het hof is op grond van de inhoud van de processtukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens [appellant] naar voren is gebracht van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Het hof overweegt in dat kader onder meer dat [appellant] geen althans onvoldoende stukken in het geding heeft gebracht ter zake de hypotheekschuld van € 108.773,92.

Voorts is niet geheel duidelijk geworden wanneer [appellant] is gaan werken bij DAF, wanneer hij wegens een hernia in de ziektewet terecht is gekomen, hoelang de ziektewetperiode heeft geduurd en op welke datum hij is ontslagen en vervolgens een WW-uitkering is gaan ontvangen.

3.8.

Het hof acht, gelet op zowel de gedingstukken als het verhandelde ter zitting in beroep, evenwel termen aanwezig om in de onderhavige zaak over te gaan tot (ambtshalve) toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Daarbij verdient vermelding dat aan de hardheidsclausule toepassing kan worden gegeven wanneer mede met de persoon van de schuldenaar samenhangende factoren, die tot het eerder ontsporen van de schuldenaar op financieel gebied hebben geleid, goed onder controle zijn gebracht en daardoor het uitzicht bestaat dat hij het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen (vergelijk recent de conclusie van A-G Wuisman vóór HR 5 oktober 2012, LJN: BX5785, onderdeel 2.4). Artikel 288 lid 3 ziet, hoewel dit in de praktijk veelal het geval zal blijken te zijn, daarmee dus niet uitsluitend op personen met psychosociale en verslavingsproblemen (vergelijk. Kamerstukken II 29 942, nr. 23, blz. 2/3).

Dat het hof in deze zaak termen aanwezig acht om tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw houdt verband met het hiernavolgende.

[appellant] heeft met zijn persoonlijke en financiële problematiek zelfstandig hulp gezocht bij NEOS, een organisatie voor onder andere maatschappelijke opvang. Met behulp van NEOS heeft [appellant] vervolgens de rechtbank verzocht een beschermingsbewind in te stellen, welk verzoek is toegewezen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de beschermingsbewindvoerder desgevraagd verklaard dat het bewind naar behoren verloopt en dat er geen nieuwe schulden meer zijn bijgekomen en dat die voor de toekomst ook niet te verwachten zijn.

Voorts blijkt uit de in hoger beroep overgelegde stukken dat [appellant] goed meewerkt en betrokkenheid toont bij zijn financiële situatie.

Tot slot verwijst het hof naar een email van een van de begeleidster van SDW, een organisatie die mensen met een verstandelijke beperking begeleidt, ondersteunt en behandelt. Ook uit de email blijkt – zakelijk weergegeven - dat [appellant] een positieve ontwikkeling doormaakt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [appellant] een zodanige positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en over een dusdanig deugdelijk en voldoende netwerk aan hulpverleners beschikt dat hij alsnog dient te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.9.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1965,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.