Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5542

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.182.399_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6873, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad; geen grond voor verwijzing naar schadestaatprocedure

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.399/01

arrest van 13 december 2016 (bij vervroeging)

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaten: mrs. R.C.C.M. Nadaud en S. Ikiz te Vaals,

tegen

Gemeente Vaals,

zetelend te Vaals,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. R.D. Boesveld te Haarlem,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 juli 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/192930/ HA ZA 14-359)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij [appellant] pleitnotities heeft overgelegd;

  • -

    de bij brief van 10 november 2016 door [appellant] toegezonden producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. a) [appellant] exploiteert sinds 1 januari 1972 een eenmanszaak in [plaats] .

de verzekering

b) [appellant] heeft bij [Versicherungs AG] Versicherungs AG (hierna: [Versicherungs AG] ) een gecombineerde arbeidsongeschiktheids- en levensverzekering afgesloten met ingang van 1 april 1992. Op grond van de verzekeringsvoorwaarden was het niet mogelijk om de twee verzekeringen los van elkaar te beëindigen.

c) [appellant] heeft naast de gecombineerde arbeidsongeschiktheids- en levensverzekering bij [Versicherungs AG] tevens een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij [verzekeringsgroep] gehad.

d) In een brief gedateerd 16 september 2003 (prod. 13 van [appellant] ten behoeve van comparitie in eerste aanleg) heeft [bank] Bank eG (hierna: de bank), aan welke bank de aanspraak op een eventuele uitkering aan [appellant] uit hoofde van de levensverzekering was gecedeerd, aan [Versicherungs AG] bericht dat de (gecombineerde) verzekering per 31 december 2003 wordt opgezegd. Reden hiervoor was dat [appellant] de hiervoor verschuldigde premies over de maanden mei tot en met augustus 2003 niet had betaald. [Versicherungs AG] heeft niet betaalde premies verrekend.

aanvraag bedrijfskrediet

e) Op 9 december 2002 heeft [appellant] een aanvraag voor een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen ingediend. Op 29 april 2003 heeft hij een tweede gelijkluidende aanvraag ingediend. Aanvankelijk heeft de gemeente die aanvragen afgewezen, laatstelijk bij besluit op bezwaar van 16 september 2003.

Nadat [appellant] tegen dat besluit in beroep was gegaan, heeft de rechtbank bij vonnis van 16 december 2003 bepaald dat de gemeente aan [appellant] een bedrijfskrediet van € 150.000,00 ter beschikking diende te stellen. Dit krediet is vervolgens op 22 januari 2004 aan [appellant] (via een verrekening bij de notaris) ter beschikking gesteld. Bij besluit van 29 oktober 2004 is het bedrijfskrediet verhoogd tot € 165.216,00. Bij ambtshalve besluit van 3 mei 2005 is van dit bedrijfskrediet € 14.520,34 om niet aan [appellant] toegekend. Van het om niet aan [appellant] toegekende bedrijfskrediet zag € 5.745,00 op kosten voor arbeidsongeschiktheids-verzekeringen in 2003.

aanvraag bijzondere bijstand

f) Omdat zijn aanvragen voor het hiervoor bedoelde bedrijfskrediet door de gemeente aanvankelijk werden afgewezen, heeft [appellant] op 8 augustus 2003 tevens een aanvraag ingediend voor het verlenen van bijzondere bijstand voor (onder andere) de kosten voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij [Versicherungs AG] en [verzekeringsgroep] voor de periode van 5 december 2002 tot en met 31 december 2004. Bij besluit van 23 september 2003 heeft de gemeente deze aanvraag afgewezen.

g) Het tegen dat besluit door [appellant] ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Vervolgens is [appellant] in het daartegen door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat beroep zag op de bij [Versicherungs AG] en [verzekeringsgroep] afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat vast was komen te staan dat de betreffende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen per 1 januari 2004 zijn komen te vervallen en dat de kosten van de in 2003 door [appellant] betaalde premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met de uitkering om niet (zie hiervoor 3.1. onder e) al aan hem waren vergoed.

h) De Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) heeft tot slot bij uitspraak van 20 januari 2009 (prod. 2 inleidende dagvaarding) beslist dat de weigering van bijzondere bijstand voor zover betrekking hebbende op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van [verzekeringsgroep] en [Versicherungs AG] (het besluit van 23 september 2003) moet worden gekwalificeerd als onrechtmatig. En voorts dat bij besluit op bezwaar van 23 augustus 2006 het besluit van 23 september 2003 ten onrechte is gehandhaafd.

kortgedingprocedure

i. i) [appellant] heeft in kort geding (voor zover hier van belang) gevorderd de gemeente te veroordelen tot betaling van € 25.000,00 als voorschot op een door de gemeente aan hem te betalen schadevergoeding op grond van de onrechtmatige besluiten van
23 september 2003 en 23 augustus 2006. De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht heeft die vordering bij vonnis van 3 april 2009 (prod. 6 inleidende dagvaarding) afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] de hoogte van het door hem gevorderde voorschot niet aannemelijk heeft gemaakt, dat het aannemelijk is dat de schade beduidend lager zal zijn dan door [appellant] berekend en dat om die reden niet wordt ingezien dat [appellant] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft. Naar aanleiding van het door [appellant] tegen dit vonnis aangetekende hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 30 maart 2010 (prod. 6 inleidende dagvaarding) het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] de gemeente te veroordelen tot betaling van de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten (inclusief de nakosten).

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Als gevolg van het onrechtmatige besluit van 23 september 2003 waarbij zijn aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van premie van (onder andere) de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij [Versicherungs AG] is afgewezen, heeft hij de gecombineerde verzekering moeten beëindigen waardoor hij schade heeft geleden. [appellant] kan de exacte schade niet vaststellen. Dat moet volgens hem gebeuren door een actuaris. Reden waarom hij veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat vordert.

3.2.3.

De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat het causaal verband tussen de door [appellant] gestelde schade en het onrechtmatig besluit van de gemeente niet is komen vast te staan.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering.

ontvankelijkheid

3.5.

De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] op grond van de in artikel 332 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde appelgrens niet-ontvankelijk is zijn hoger beroep, omdat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat zijn vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,00.

3.6.

Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij door het onrechtmatige besluit van de gemeente schade heeft geleden van “vele tienduizenden euro’s” (mvg onder 74) en dat de exacte hoogte van de door hem geleden schade moeilijk te bepalen is en enkel kan worden vastgesteld aan de hand van door een actuaris op te stellen berekeningen. [appellant] heeft hierbij onder meer aangevoerd dat hij bij continuering van de gecombineerde verzekering op 1 april 2014 een uitkering van minstens € 79.555,00 zou hebben ontvangen (pleitnota advocaat pagina 3). Zonder verder inhoudelijke beoordeling van de vordering van [appellant] kan daarom niet op voorhand door het hof worden vastgesteld dat de vordering van [appellant] geen hoger geldelijk belang vertegenwoordigt dan € 1.750,00. Dat betekent dat [appellant] ontvankelijk is in dit hoger beroep.

omvang van het hoger beroep

3.7.

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat [appellant] zijn vordering uitdrukkelijk beperkt tot de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de beëindiging van de gecombineerde verzekering bij [Versicherungs AG] op 31 december 2003 (r.o. 4.3. en 4.6. van het bestreden vonnis). [appellant] heeft evenmin een grief gericht tegen de overweging dat schade wegens vertraging in de voldoening van de bijzondere bijstand over de periode 7 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 niet onder zijn vordering valt (r.o. 4.6. van het bestreden vonnis).

Deze overwegingen vormen daarom ook voor het hof een uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil.

de verdere beoordeling

3.8.

Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het causale verband tussen eventuele schade van [appellant] als gevolg van de beëindiging van de verzekering en het onrechtmatige besluit ontbreekt. Met grief II betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat de [Versicherungs AG] [appellant] tot 1 januari 2004 de gelegenheid heeft gegeven om de achterstallige premies te betalen, in welk geval de verzekering ook na 1 januari 2004 in stand zou zijn gebleven. Deze grief, waarbij [appellant] in de toelichting ook verwijst naar grief I, heeft derhalve ook betrekking op de vraag of al dan niet sprake is van een causaal verband en heeft daarmee geen zelfstandige betekenis naast grief I. Voor het geval het hof mocht oordelen dat wel sprake is van een causaal verband tussen de door [appellant] geleden schade en het onrechtmatige besluit, verzoekt [appellant] in grief III om al hetgeen in de inleidende dagvaarding is gesteld, in hoger beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

3.9.

Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van de gemeente van 23 september 2003 op grond van de uitspraak van de CRvB van 20 januari 2009 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De vordering van [appellant] strekt tot een veroordeling van de gemeente tot het betalen van een vergoeding voor de schade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van dit onrechtmatige besluit. [appellant] vordert in dit verband een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad aannemelijk is. Het is echter niet alleen voldoende maar ook noodzakelijk. In beginsel kan de eiser volstaan in de inleidende dagvaarding te stellen dat hij schade heeft geleden zonder dat hij op dat punt feitelijke gegevens over die schade behoeft aan te voeren. Betwist daarentegen de gedaagde het bestaan van die schade gemotiveerd, dan zal eiser wel degelijk gegevens ter toelichting van de aanwezigheid van schade naar voren moeten brengen en zonodig bewijs daarvan moeten aanbieden. Hetzelfde geldt met betrekking tot de betwisting van het gestelde causale verband tussen de schade en de verweten gedraging. Als eiser in gebreke blijft feiten en cijfers te stellen – en zonodig te bewijzen – die aannemelijk maken dat hij schade kan hebben geleden ten gevolge van de gestelde fout(en), zal hem de vordering tot schadevergoeding moeten worden ontzegd (zie conclusie AG, 2.3, bij HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9465).

3.10.

Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.7. is overwogen en hetgeen [appellant] (tijdens het pleidooi) heeft gesteld, volgt dat de vordering van [appellant] enkel betrekking heeft op (i) schade als gevolg van de beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en (ii) schade als gevolg van de beëindiging van de levensverzekering.

3.10.1. (

ad i)

Vast staat dat het risico dat [appellant] arbeidsongeschikt zou worden gedurende de periode tussen 1 januari 2004 (de datum waarop de gecombineerde verzekering daadwerkelijk is beëindigd) en 1 maart 2014 (de datum waarop de gecombineerde verzekering na de overeengekomen looptijd zou zijn beëindigd), zich niet heeft verwezenlijkt.

Dat [appellant] desondanks schade heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat de verzekering voor arbeidsongeschiktheid eerder is geëindigd dan door hem was beoogd, is niet (deugdelijk onderbouwd) gesteld noch anderszins gebleken.

3.10.2. (

ad ii)

Tussen partijen is niet in geschil dat het onrechtmatige besluit van de gemeente enkel zag op een vergoeding voor de premies van een arbeidsongeschiktheidsverzekering en niet op vergoeding van premies voor een levensverzekering. Uit de stellingen van [appellant] , in het bijzonder de toelichting ter gelegenheid van het pleidooi, leidt het hof af dat de door [appellant] in dit geding gestelde schade nauw samenhangt met zijn belang bij vermogensopbouw in de levensverzekering: hij verwachtte aan het einde van de looptijd van de levensverzekering (2014) een substantiële uitkering te ontvangen, mogelijk te vermeerderen met een winstdeling. Zijn gestelde schade hangt niet samen met de uit de levensverzekering voortvloeiende dekking (overlijdensrisico). De door de gemeente te verstrekken bijzondere bijstand was niet bestemd voor vermogensopbouw (en overigens ook niet voor het overlijdensrisico, dat zich ook niet heeft verwezenlijkt) en mocht daarvoor niet worden aangewend.

Zoals dit hof ook reeds heeft overwogen in het hiervoor bedoelde arrest van 30 maart 2010 (zie r.o. 3.1. onder i, ro. 4.13), betekent dit, mede gelet op de aard van de schade (zuivere vermogensschade) en de voor de gemeente naar objectief inzicht redelijkerwijs te verwachten gevolgen van de weigering om bijzondere bijstand te verlenen voor kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (namelijk: het einde van de dekking voor arbeidsongeschiktheid), dat de door [appellant] omschreven schade ten gevolge van beëindiging van de levensverzekering bij [Versicherungs AG] (gederfde vermogensopbouw) niet kan worden toegerekend aan de onrechtmatige daad van de gemeente. Dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet afzonderlijk van de levensverzekering viel te beëindigen (waardoor de beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering gevolgen heeft gehad voor de vermogensopbouw) is, anders dan [appellant] betoogt, een omstandigheid die in zijn risicosfeer valt. De gemeente kon redelijkerwijs niet voorzien en hoefde er redelijkerwijs niet op bedacht te zijn dat [appellant] een complex verzekeringsproduct had afgenomen waarin een element van vermogensopbouw was verwerkt dat onlosmakelijk was verbonden met de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De rechtspraak inzake causaal verband bij letselschade, waarop [appellant] zich beroept, is in dit geval niet van toepassing.

3.11.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [appellant] de mogelijkheid dat hij schade heeft geleden of zal lijden als gevolg van het onrechtmatige besluit van de gemeente niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat de grieven falen en zijn vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3.12.

[appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2015;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente op € 711,00 aan verschotten en op € 2.682,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.A.M. Peper, L.S. Frakes en M.J. Pesch en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 december 2016.

griffier rolraadsheer