Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5532

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
200.167.011_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:11054
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenarrest van 12 april 2016. In Nederlandse taal gestelde koopovereenkomst strekkende tot verkoop woning zonder financieringsvoorbehoud aan Hongaars gezin, tevens huurders van de woning, die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Was de wil van het Hongaars gezin gericht op koop van de woning zonder financieringsvoorbehoud? Heeft de verkoper onjuiste informatie verschaft over de inhoud van het door de huurders ondertekende stuk (de koopovereenkomst)? Bewijsopdracht aan het Hongaarse gezin. Bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.167.011/01

arrest van 13 december 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
2. [appellante 2] ,
3. [appellant 3] ,

allen wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] en elk afzonderlijk als respectievelijk [appellant 1] , [appellante 2] en [appellant 3] ,

advocaat: mr. F.E.L. Teerling te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.J.M. Goltstein te Kerkrade ,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 12 april 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter te Maastricht van de rechtbank Limburg onder zaaknummer/rolnummer 2350976 CV EXPL 13-8082 tussen partijen gewezen vonnissen van 17 januari 2014, 20 augustus 2014 en 17 december 2014.

6 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 april 2016;

- het proces-verbaal van de enquête van 21 juli 2016;

- de memorie na enquête van [appellanten] van 13 september 2016;

- de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] van 11 oktober 2016.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1

Bij tussenarrest van 12 april 2016 heeft het hof [appellanten] toegelaten om nader bewijs te leveren van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat:

  • -

    de koopakte van 7 juni 2012 niet hun toenmalige wil uitdrukt en dat [vader van geïntimeerde] dit heeft moeten begrijpen;

  • -

    [vader van geïntimeerde] althans [betrokkene 2] aan hen onjuiste informatie heeft verschaft over de inhoud van het door hen ondertekende stuk (de koopovereenkomst);

  • -

    [vader van geïntimeerde] althans [betrokkene 2] voor hen heeft verzwegen dat zij zich door ondertekenen van het stuk zouden verbinden tot het afnemen van de woning op straffe van verbeurte van een boete;

In verband hiermee hebben [appellanten] de heer [getuige] en mevrouw [betrokkene 2] als getuigen doen horen. Van de contra-enquête is afgezien.

7.2

Het eerste onderdeel van de bewijsopdracht betreft de stelling van [appellanten] dat, in weerwil van de ondertekende koopakte van 7 juni 2012, tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. De twee andere onderdelen van de bewijsopdracht betreffen het subsidiaire beroep van [appellanten] op vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog, dwaling en misbruik van omstandigheden, dat aan de orde komt wanneer zij niet slagen in de bewijslevering van het eerste onderdeel (tussenarrest r.o. 3.9.2).

7.3

Met betrekking tot het eerste onderdeel van de bewijsopdracht zijn [appellanten] er niet in geslaagd het gevraagde (nadere) bewijs te leveren. Getuige [getuige] heeft de juistheid van de twee schriftelijke verklaringen die bij memorie van grieven zijn overgelegd bevestigd. Verder heeft hij verklaard dat hij aanwezig is geweest bij besprekingen over de woning in [plaats 1] maar hij weet niet hoe vaak. Bij het ondertekenen van het koopcontract is hij niet aanwezig geweest. Of over een koopprijs is gesproken, weet hij niet. Hij verklaart dat uiteindelijk is besproken dat de woning voor één jaar zou worden gehuurd; of daar nog andere afspraken aan waren verbonden weet hij niet. Op de vraag of [appellanten] de woning alleen voor een jaar zou kunnen huren als hij daarna de woning zou kopen, antwoordt deze getuige dat [appellanten] de woning niet hoefde te kopen. Het hof acht de door getuige [getuige] afgelegde getuigenverklaring en diens schriftelijke verklaringen alles bij elkaar te globaal en te vaag om bij te dragen aan het door [appellanten] bij het eerste onderdeel te leveren bewijs. De verklaring van [betrokkene 2] houdt niets in dat daaraan zou kunnen bijdragen. [appellanten] achten haar verklaring niet geloofwaardig vanwege haar betrokkenheid bij [vader van geïntimeerde] , maar ook wanneer dat het geval zou zijn, betekent dat niet dat er door hen bewijs in hun voordeel aan valt te ontlenen. Ook wanneer de verklaringen die in hoger beroep zijn afgelegd worden bezien in samenhang met de getuigenverklaringen die in eerste aanleg over dit onderwerp zijn afgelegd, moet de slotsom zijn dat het gevraagde bewijs niet is geleverd. Dit betekent dat de grieven I en II van [appellanten] worden verworpen en dat de overige twee onderdelen van de bewijsopdracht aan de orde moeten komen.

7.4

Ook met betrekking tot deze onderdelen van de bewijsopdracht zijn [appellanten] er niet in geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. De verklaring van getuige [getuige] houdt niets in dat kan bijdragen tot het bewijs van (een van) beide te bewijzen stellingen. De verklaring van getuige [betrokkene 2] houdt onder meer in dat zij beide contracten regel voor regel en woord voor woord voor [appellant 1] heeft vertaald. Zij verklaart hierover verder dat zij nooit het idee heeft gehad dat hij het niet begreep. De getuige verklaart dat zij de familie [appellanten] niet heeft gewaarschuwd dat zij problemen zouden krijgen als zij de financiering niet rond zouden krijgen, omdat zij dat niet haar taak achtte. Haar taak was om te vertalen. Zij voegt hieraan toe dat zij na elke zin aan [appellant 1] heeft gevraagd of hij het begreep en dat hij bij de boeteclausule heeft opgemerkt dat hij het huis kocht. Deze verklaring van getuige [betrokkene 2] sluit niet aan bij de desbetreffende onderdelen van de bewijsopdracht. Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de stelling van [appellanten] dat de verklaring van deze getuige niet geloofwaardig zou zijn, geldt ook hier. Enig ander bewijs is verder niet voorhanden. De consequentie hiervan is dat ook grief IV wordt verworpen.

7.5

Nu alle grieven zijn verworpen, wordt het eindvonnis van 17 december 2014 bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 17 januari 2014 en 20 augustus 2014;

bekrachtigt het eindvonnis van 17 december 2014;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 711,= aan vast recht en op € 1.788,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, H.A.W. Vermeulen en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 december 2016.

griffier rolraadsheer