Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5513

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
20-000354-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:368, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voorbereiding van brandstichting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000354-15

Uitspraak : 13 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 27 januari 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-879403-14 en 01-860490-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting verblijvende te:

[adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 1 en 3 ten laste gelegde en van het in de strafzaak met parketnummer 01-860490-14 ten laste gelegde.

Ter zake van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 2 ten laste gelegde, door de rechtbank bewezen verklaard en gekwalificeerd als voorbereiding van brandstichting, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte:

– zal vrijspreken van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 3 ten laste gelegde en van het in de strafzaak met parketnummer 01-860490-14 ten laste gelegde; en

– zal veroordelen ter zake van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tevens heeft zij gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte in de strafzaken met parketnummers

01-879403-14 en 01-860490-14 van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve wat betreft de gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsmotivering, de kwalificatie van het bewezen verklaarde, de opgelegde straf en de strafmotivering. Het hof zal die onderdelen van het vonnis van de rechtbank vervangen door het hieronder staande.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat niet alleen het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 2 ten laste gelegde, maar ook het in die zaak onder 1 ten laste gelegde bewezen dient te worden verklaard. Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – betoogd:

– dat op het plastic lipje van de dop van een jerrycan nabij de plaats delict een DNA-spoor is aangetroffen, waaruit een profiel is afgeleid dat past binnen het DNA-profiel van de verdachte,

– dat een schoenspoor is gevonden dat is veroorzaakt door een schoen soortgelijk aan de schoenen die de verdachte droeg bij zijn aanhouding, en

– dat sprake is van een soortgelijke werkwijze als bij het door de rechtbank onder 2 bewezen verklaarde feit.

Het hof kan zich vinden in de motivering van de vrijspraak van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 1 ten laste gelegde, zoals die door de rechtbank is gegeven in het beroepen vonnis, en neemt deze motivering over.

In aanvulling daarop overweegt het hof ten aanzien van de door de advocaat-generaal aangehaalde modus operandi nog als volgt. Naar het oordeel van het hof vertonen de handelswijzen van de in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten weliswaar overeenkomsten, maar gaat het niet om handelingen die een zo grote overeenkomst hebben dat het bewijs van het eerste feit mag worden afgeleid uit de overeenkomst met het andere feit. De wijze van (voorbereiding) van brandstichting is niet dusdanig specifiek dat daarmee buiten redelijke twijfel is dat het gaat om dezelfde dader(s).

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Ter zake van het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

De verdachte heeft geen motief. Er zijn volgens de raadsvrouwe sterke aanwijzingen dat anderen betrokken zijn bij dit delict. Wat betreft de vingerafdruk die is aangetroffen op een jerrycan nabij de plaats delict is betoogd dat het om een spoor op een verplaatsbaar object gaat, op een type jerrycan dat veelvuldig verkocht wordt, terwijl de verdachte diverse malen werkzaam is geweest bij autobedrijven. De verdachte heeft een verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij kort na de melding van de verdachte situatie door de politie nabij de plaats delict is aangetroffen, welke verklaring door de rechtbank ten onrechte is aangemerkt als ongeloofwaardig. De raadsvrouwe merkt op dat de verdachte, toen hij door de politie werd aangesproken, niet buiten adem was of bezweet was door het rennen, niet rook naar benzine en ook geen bivakmuts bij zich had. Er waren bovendien sinds de melding 7 minuten verstreken zodat de verdachte, indien hij de dader zou zijn, al lang had kunnen vluchten. De verdachte voldoet voorts niet aan het signalement dat de getuige [naam] van de dader heeft gegeven. De andere aangetroffen sporen wijzen geenszins concludent in de richting van de verdachte, terwijl het nadere sporenonderzoek waarom de verdediging in hoger beroep heeft verzocht niet meer mogelijk bleek te zijn, aldus de raadsvrouwe.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de wettige bewijsmiddelen in het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 28 maart 2014 om 1.57 uur werd door de politie een melding ontvangen om te gaan naar de [adres] te Oss. De meldster, de getuige [naam] , woonachtig boven een zonnestudio, hoorde geluiden en er zou gesjouwd worden met stoeptegels. De politie kwam om 2.05 uur ter plaatse, waaronder de verbalisante [naam] (dossierpagina 199). Zij zag ter hoogte van de zonnestudio een man tegen een paaltje leunen. Zij heeft de man, naar later bleek de verdachte, aangesproken. Hij zei eerst “Ik ben op mijn vriendin aan het wachten hier”. Vervolgens zei hij “Ik sta hier net 1 minuut, ik moet een taxi hebben naar huis” en “Mijn vriendin is thuis in Oss, maar ik moet naar huis”. De verdachte woonde op dat moment in Eindhoven.

In een op 4 april 2014 opgemaakt proces-verbaal (dossierpagina 206) beschrijft de verbalisante [naam] dat de verdachte op 28 maart 2014 een zwarte bodywarmer droeg en een donkerblauwe blouse met op de mouwen witte strepen of ruiten.

Verbalisant [naam] (dossierpagina 201) is op 28 maart 2014 eveneens omstreeks 2.05 uur ter plaatse gekomen. Hij zag dat een andere politie eenheid de verdachte aansprak en dat de verdachte de enige persoon in de directe omgeving was.

Verbalisant [naam] nam telefonisch contact op met de meldster, de getuige [naam] . Vervolgens sprak hij aan de telefoon met de partner van de meldster, de getuige [naam] . Deze gaf aan dat de mannen voor dat de politie kwam het hofje ingerend waren, dat leidt naar de achterzijde van het complex en dat de verdachte persoon die hij had gezien donkere kleding droeg, zeer waarschijnlijk een bodywarmer, en dat hij een patroon had gezien dat alleen op de mouwen zichtbaar was.

Toen verbalisant [naam] op aanwijzing van de getuige [naam] ging kijken in het hofje achter de zonnestudio – de richting waarin de verdachte perso(o)n(en) zou(den) zijn weggerend – zag hij een theedoek op de grond liggen en rook hij benzine. Verderop zag hij twee jerrycans staan. Daartussen lagen twee halve stoeptegels. Aan de krassporen op de grond zag hij dat de tegels daar zeer recentelijk waren neergegooid. De jerrycans en theedoek zijn veilig gesteld voor sporenonderzoek. Bij onderzoek aan de jerrycans is vastgesteld dat de inhoud rook naar brandstof.

Bij het adres [adres] te Oss is een gebroken bierfles aangetroffen, die rook naar benzine (dossierpagina 216 en 217). De getuige [naam] (dossierpagina 214) heeft tegenover de politie verklaard dat een ruitje van de zonnestudio kapot was en dat dat de dag ervoor nog niet zo was. Ook zag zij een barst in een stoeptegel die er eerder niet was.

Op één van de in beslag genomen jerrycans is een vingerdruk aangetroffen en veilig gesteld (dossierpagina 235). Bij dactyloscopisch sporenonderzoek (dossierpagina 239) is vastgesteld dat deze vingerafdruk overeenkomt met de rechter middelvinger op het vingerafdrukkenblad van de verdachte, zoals de afdeling Dactyloscopie van de politie dat onder zich heeft.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat een persoon bezig is geweest met de voorbereiding van (opzettelijke) brandstichting in de zonnestudio aan de [adres] te Oss. Op één van de voorwerpen waarvan de dader gebruik heeft gemaakt, namelijk een jerrycan gevuld met brandstof, is de vingerafdruk van de verdachte aangetroffen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij werkzaam is bij autobedrijven en in dat verband nog wel eens een jerrycan benzine moet halen bij de benzinepomp. Gesteld al dat deze verklaring juist zou zijn, vormt het naar het oordeel van het hof geen verklaring voor het gegeven dat uitgerekend op deze jerrycan, die in de nachtelijke uren in Oss in een hofje achter c.q. in de nabijheid van de zonnestudio is aangetroffen, de vingerafdruk van de verdachte staat. Daarbij komt dat de verdachte kort na de melding door de politie in de directe nabijheid van de zonnestudio is aangetroffen. Op dat moment droeg hij kleding die past binnen de omschrijving van de kleding, zoals die door de getuige [naam] tijdens een telefoongesprek die nacht is gegeven aan verbalisant [naam] .

De door de verdachte gegeven verklaring, te weten dat hij ter plaatse stond te wachten op een taxi, acht het hof niet geloofwaardig. Immers heeft de verdachte tegen de verbalisante [naam] eerst gezegd dat hij stond te wachten op zijn vriendin. Vervolgens zei hij dat hij stond te wachten op een taxi en dat zijn vriendin al thuis was in Oss. Dit is evident tegenstrijdig aan elkaar. De verdachte heeft ook op geen enkele wijze verifieerbaar gemaakt of het klopt dat hij, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, door een meisje thuis is opgehaald en met dit meisje vanuit Helmond naar Oss is gegaan, daar in een café in Oss is geweest en dat in dat café een taxi is gebeld voor zijn vervoer naar Eindhoven.

De verdachte heeft de naam van het meisje niet willen noemen en heeft ook niet kunnen aangeven wat de naam is van het café waar zij samen zouden zijn geweest of wat de naam van het taxibedrijf is dat zou zijn gebeld. Bovendien is door de politie vastgesteld dat de verdachte geen portemonnee of betaalmiddel bij zich had, alleen een aansteker en sleutels.

Nu de vingerafdruk van de verdachte op één van de door de dader gebruikte voorwerpen is aangetroffen en hij zich vlak na de melding van het incident in de directe nabijheid van de plaats delict bevond, zonder aannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid aldaar, acht het hof wettig én overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 28 maart 2014 bezig is geweest met de voorbereiding van een opzettelijke brandstichting in de zonnestudio aan de [adres] te Oss.

De omstandigheid dat de getuige [naam] op 28 maart 2014 overdag tegenover de politie heeft verklaard dat de dader ongeveer 1.75 meter lang was en een wat donker getinte huidskleur had – aan welke omschrijving de verdachte niet voldoet – levert naar het oordeel van het hof onvoldoende contra-indicatie op voor de betrokkenheid van verdachte. Omdat het donker was en de dader volgens [naam] op dossierpagina 211 een capuchon of muts droeg en zijn gezicht bedekt had tot onder de neus, zal het lastig zijn geweest om een betrouwbare waarneming te doen van de huidskleur. Bovendien heeft de getuige [naam] zijn waarnemingen gedaan vanaf een plek die is gelegen boven de zonnestudio, terwijl het vanaf een hoger gelegen plek extra moeilijk is om de lengte van een persoon juist in te schatten. Gelet op al deze omstandigheden sluit de op dossierpagina 211 door de getuige [naam] gegeven omschrijving – naar het oordeel van het hof – de verdachte geenszins uit.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Kwalificatie

Het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

voorbereiding van opzettelijk brand stichten.

Op te leggen straf of maatregel

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof de verdachte in geen geval zal veroordelen tot een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het gaat in deze strafzaak om de voorbereiding van een brandstichting in een zonnestudio, gepleegd in de nachtelijke uren terwijl in de woning boven die zonnestudio mensen lagen te slapen. Brandstichting is een gevaarzettend en risicovol feit, zeker wanneer deze wordt gepleegd in een omgeving waar mensen verblijven. Gelukkig zijn de bewoners van de woning boven de zonnestudio tijdig wakker geworden van vreemde geluiden op straat en is een daadwerkelijke brandstichting voorkomen.

Een feit als hier bewezen verklaard roept gevoelens van angst en onveiligheid op bij de omwonenden en heeft maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarbij komt dat een brandstichting – wanneer deze daadwerkelijk tot uitvoering komt – in het algemeen veel schade teweeg brengt, met alle gevolgen van dien voor de slachtoffers.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2016, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van brandstichting;

  • -

    de inhoud van de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 8 januari 2015, opgemaakt door M.J. van Haaren, psychiater en P. van Vliet, psycholoog, wier onderzoek zeer beperkt is gebleven omdat de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd; de deskundigen zien geen aanwijzingen voor een (ernstige) persoonlijkheidsstoornis. Zij zijn niet tot een conclusie kunnen komen ten aanzien van de diagnostiek noch aan de beantwoording van de vragen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid, het recidivegevaar en de noodzaak tot een behandeling in een strafrechtelijk kader;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

20 maanden, met aftrek met het voorarrest, passend en geboden is. Gelet op de tijd die de verdachte in deze strafzaak reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, acht het hof geen termen aanwezig om de gevangenneming van de verdachte te bevelen, zoals ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie, de bewijsmiddelen, de bewijsmotivering en de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het in de strafzaak met parketnummer 01-879403-14 onder 2 bewezen verklaarde als hiervoor vermeld.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met in achtneming van het vorenstaande.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. J.H. Wesselink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 13 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.