Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
20-003409-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van poging tot afpersing, wel veroordeling voor medeplichtigheid aan poging tot afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003409-14

Uitspraak: 7 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

23 oktober 2014 in de strafzaak met het parketnummer 03-659121-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van al hetgeen hem bij inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank bij akte van 6 november 2014 onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte van 1 februari 2016 heeft de advocaat-generaal het hoger beroep van de officier van justitie tegen de vrijspraak voor de feiten onder 1 en 3 ingetrokken.

In hoger beroep is mitsdien uitsluitend aan het oordeel van het hof onderworpen hetgeen onder 2 aan de verdachte ten laste is gelegd alsmede de vorderingen van de benadeelde partijen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op hetgeen aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft op 17 februari 2016 een tussenarrest gewezen waarbij het onderzoek heropend is en tevens het op 3 februari 2016 door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep verworpen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 februari 2016 gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen, zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van hetgeen na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 2 primair ten laste is gelegd (kort gezegd: het medeplegen van poging tot afpersing);

  • -

    bewezen zal verklaren hetgeen na die wijziging van de tenlastelegging onder 2 subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd (kort gezegd: medeplichtigheid aan poging tot afpersing);

  • -

    de verdachte hiervoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal afwijzen;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen en ter zake tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De verdediging heeft:

  • -

    vrijspraak bepleit van hetgeen na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep onder 2 primair en onder 2 subsidiair ten laste is gelegd;

  • -

    voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring mocht komen een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging onder 2 - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd, na wijziging van die tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep:

2.
dat hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2014 tot en met 3 april 2014 in de gemeente Venray en/of in de gemeente Deurne, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van in totaal 20.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), met voornoemd oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- [slachtoffer 1] (zoon van die [slachtoffer 2] ) onder druk heeft gezet door tegen hem te zeggen dat er betaald moest worden als vergoeding voor het afslepen van een gestolen en geprepareerde personenauto en/of

- in de brievenbus van een woning van die [slachtoffer 2] een kogel/patroon heeft gedeponeerd/achtergelaten en/of

- die [slachtoffer 2] heeft klemgereden in zijn personenauto en/of

- die [slachtoffer 2] (op een dreigende wijze) heeft benaderd en aangesproken en/of tegen die [slachtoffer 2] (dreigend) heeft gezegd dat hij geld moest betalen (in totaal 20.000 euro) als vergoeding voor het afslepen van een gestolen en geprepareerde personenauto en die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij de waarschuwing in de vorm van een kogel/patroon in de brievenbus had ontvangen en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat men zijn woonplaats en ook de gezinssamenstelling van die [slachtoffer 2] kende en dat het anders slecht met hem, [slachtoffer 2] en zijn gezin, zou aflopen en/of

- voorzien van portofoons en in verschillende auto’s naar (de omgeving van) de plaats waar dat geld zou worden achtergelaten is gereden,

terwijl dit feit werd gepleegd op de openbare weg in de gemeente Venray en/of in de gemeente Deurne, in elk geval op openbare wegen in Nederland, en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 29 maart 2014 tot en met 3 april 2014 in de gemeente Venray en/of in de gemeente Deurne, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, [medeverdachte] , voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van (in totaal) 20.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, [medeverdachte] , en/of zijn mededader(s), met voormeld oogmerk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen:

- die [slachtoffer 2] op een dreigende wijze heeft aangesproken en/of

- tegen die [slachtoffer 2] dreigend heeft gezegd dat hij geld moest betalen (in totaal 20.000 euro) en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij de waarschuwing in de vorm van een kogel/patroon in de brievenbus had ontvangen en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat het anders slecht met hem, [slachtoffer 2] , en zijn gezin zou aflopen, en/of

- naar de omgeving van de plaats is gereden waar het geld zou worden achtergelaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 3 april 2014 in de gemeente Venray en/of in de gemeente Deurne, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest, door

• de iPhone van die [medeverdachte] te bewaren en/of

• een portofoon voorhanden te hebben (welke was afgesteld/ingesteld op frequentie/kanaal 434.000) en/of

• zich (tussen omstreeks 16.41 uur en 16.49 uur) in de nabijheid van die [medeverdachte] te bevinden en/of

• (tussen omstreeks 16.41 uur en 16.49 uur) zicht te hebben op die [medeverdachte] en/of op het pand [locatie] te Deurne en/of

• de (kennelijke) rol te vervullen van bondgenoot/handlanger van die [medeverdachte] , die observeert, om die [medeverdachte] bij onraad te kunnen waarschuwen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 3 november 2014 (parketnummer 03/659122-14) heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte] samen met een ander of anderen in de periode van 29 maart 2014 tot en met 3 april 2014 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] door bedreiging met geweld te bewegen tot de afgifte van in totaal 20.000,- euro.

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het voorhanden zijnde bewijs tekort schiet om de verdachte als medepleger van die poging tot afpersing te kunnen aanmerken.

Dit betekent dat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat [medeverdachte] in de periode van 29 maart 2014 tot en met 3 april 2014 in de gemeente Venray en in de gemeente Deurne, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, [medeverdachte] , voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van (in totaal) 20.000 euro, toebehorende aan die

[slachtoffer 2] , met voormeld oogmerk :

- die [slachtoffer 2] op een dreigende wijze heeft aangesproken en

- tegen die [slachtoffer 2] dreigend heeft gezegd dat hij geld moest betalen (in totaal 20.000 euro) en

- die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij de waarschuwing in de vorm van een kogel/patroon in de brievenbus had ontvangen en

- die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat het anders slecht met hem, [slachtoffer 2] , en zijn gezin zou aflopen, en

- naar de omgeving van de plaats is gereden waar het geld zou worden achtergelaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 3 april 2014 in de gemeente Venray en in de gemeente Deurne opzettelijk behulpzaam is geweest, door

• de iPhone van die [medeverdachte] te bewaren en

• een portofoon voorhanden te hebben (welke was afgesteld/ingesteld op frequentie/kanaal 434.000) en

• zich (tussen omstreeks 16.41 uur en 16.49 uur) in de nabijheid van die [medeverdachte] te bevinden en

• zicht te hebben op het pand [locatie] te Deurne en

• de rol te vervullen van bondgenoot/handlanger van die [medeverdachte] , die observeert, om die [medeverdachte] bij onraad te kunnen waarschuwen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat het gegeven dat de verdachte op 3 april 2014 in een door hem en [medeverdachte] gehuurde auto in de buurt was van het pand aan de [locatie] te Deurne (de plaats waar het geld was neergelegd) en dat hij vanuit die auto ‘interesse’ toonde voor de achterzijde van dat pand, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat de verdachte wist dat er een afpersing gaande was en dat verdachtes aanwezigheid aldaar ook niet per se in dat verband moet worden gezien. Maar zelfs als het hof mocht menen dat de verdachte wel wetenschap had van het gebeuren (het hof begrijpt: het door [medeverdachte] ophalen van geld), is er geen verband te leggen tussen het opzet van de verdachte en de door [medeverdachte] gepleegde afpersingshandelingen van de dagen daarvoor en het ophalen van het geld op 3 april 2014.

Voorts is nog betoogd dat de mogelijkheid zich voordoet dat de verdachte betrokken is geweest bij de poging tot afpersing, bijvoorbeeld door op de uitkijk te staan en zich bereid te tonen iemand te waarschuwen, maar dat van strafbare betrokkenheid geen sprake is, nu vast staat dat de verdachte is weggegaan voordat [medeverdachte] ter plaatse kwam om het geld op te halen.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Uit het onderzoek volgt dat [medeverdachte] in de periode van 29 maart tot en met 1 april 2014 [slachtoffer 2] en diens zoon [slachtoffer 1] heeft bedreigd en heeft aangegeven dat 20.000,- euro moest worden betaald. Vervolgens is tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte] afgesproken dat dit geld op 3 april 2014 om 17.00 uur overgedragen zou worden op het adres van de tandartspraktijk in Deurne, [locatie] . [slachtoffer 2] heeft de politie hiervan in kennis gesteld. Het betreffende pand en de omgeving van het pand werden in observatie genomen.

Op 3 april 2014, omstreeks 16.31 uur zagen leden van het observatieteam van de politie dat [medeverdachte] als bestuurder van een zwarte Volkswagen Golf [kenteken] over de [locatie] te Deurne reed.

Omstreeks 16.41 uur zag observant L144 dat de verdachte over de Stadhoudersweg te Deurne liep. Hij kwam vanuit de richting van de Stationsstraat en stapte in de Derpsestraat in Deurne in een witte Opel Corsa. Observant L114 zag dat de verdachte voortdurend naar de achterzijde van het pand aan de [locatie] zat te kijken en dat hij om 16.49 uur wegreed.

Omstreeks 16.45 uur heeft een politieambtenaar een pakketje met geld gedeponeerd in een vuilniscontainer aan de achterzijde van het pand [locatie] te Deurne. Op de deur van het pand werd door de politieambtenaar een briefje opgehangen met de tekst: ‘het pakket ligt in de vuilnisbak achter de woning’.

Door de observanten L104 en L144 werd waargenomen dat [medeverdachte] om 17.01 uur die dag in de door hem bestuurde Volkswagen Golf het erf van het pand aan de [locatie] te Deurne opreed. Hij stapte uit, liep naar de deur van het pand, las het briefje dat op de deur was bevestigd, haalde het van de deur en stopte het in zijn broekzak. Door een van de observanten werd waargenomen dat [medeverdachte] toen een op een portofoon gelijkend voorwerp in zijn hand had waarin hij aan het praten was. L115 en L144 zagen dat [medeverdachte] naar de achterzijde van het pand liep in de richting van de vuilniscontainer. Om omstreeks 17.05 rende hij weg. [medeverdachte] is korte tijd later door de politie aangehouden in de tuin van een kantoorpand aan de Lage Kerk te Deurne. Op de plaats waar [medeverdachte] zich had verstopt werd een portofoon aangetroffen, die bij onderzoek bleek te zijn ingesteld op de frequentie 434.000.

Kort na de aanhouding van [medeverdachte] werd ook de verdachte door de politie aangehouden. Hij bevond zich op dat moment in de witte Opel Corsa nog steeds in de onmiddellijke omgeving van het pand aan de [locatie] te Deurne. Op de passagiersstoel van de Opel Corsa werd een portofoon aangetroffen, die na onderzoek bleek te zijn ingesteld op dezelfde frequentie als de portofoon van [medeverdachte] .

Voorts is gebleken dat de Opel Corsa waarin de verdachte zich bevond die dag was gehuurd door [medeverdachte] . Verdachte is die dag samen met [medeverdachte] de auto gaan huren.

Na de aanhouding van de verdachte werd diens woning in Venray door de politie doorzocht. Daarbij werden in een in de kelder ingemetselde afgesloten kluis een gsm, merk HTC, en een gsm, merk Apple iPhone, aangetroffen. Beide telefoontoestellen waren gewikkeld in aluminiumfolie.

Op grond van de inhoud van de gsm, merk HTC, en de gebruikersaccounts is aannemelijk dat dit toestel in gebruik was bij de verdachte. Bij onderzoek van het toestel is voorts gebleken dat hiermee op 3 april 2014 om 09.08.54 uur en om 09.09.14 uur twee Whatsapp-berichten zijn verstuurd naar de gsm van [medeverdachte] met als inhoud: ‘Kom.wij gaan klaar maken’ respectievelijk ‘En gaan want anders mensen zirn ons en horen ons’.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat op 3 april 2014 te 15.05.16 uur een telefoongesprek plaatsvond tussen [medeverdachte] en diens zus. Tijdens dat gesprek zegt [medeverdachte] tegen zijn zus: ‘…mijn telefoon staat dadelijk uit.’ [medeverdachte] heeft bevestigd dat hij zijn telefoon heeft uitgezet en bij de verdachte in een kluisje heeft achtergelaten voordat hij en de verdachte naar Deurne gingen.

Uit de bewijsmiddelen valt het volgende af te leiden.

De verdachte is samen met [medeverdachte] naar Deurne gereden; [medeverdachte] reed in de Volkswagen, de verdachte reed in de Opel Corsa die die dag door [medeverdachte] was gehuurd. Rond het afgesproken tijdstip bevinden zowel [medeverdachte] als de verdachte zich in de directe omgeving van het pand waar de overdracht van het geld zou plaatsvinden. Gezien wordt dat de verdachte voortdurend naar de achterzijde van het betreffende pand kijkt. Dit is rond het tijdstip waarop op die plaats het pakketje met geld wordt gedeponeerd in een vuilniscontainer.

Voorts is gebleken dat [medeverdachte] , op het moment dat hij het briefje met de aanwijzing heeft gelezen, in zijn portofoon spreekt. Uit de omstandigheid dat ook in de auto van de verdachte een portofoon is aangetroffen die op dezelfde frequentie was afgesteld als de portofoon van [medeverdachte] en binnen handbereik van de verdachte lag, leidt het hof af dat [medeverdachte] op het moment dat hij het briefje had gelezen en volgens de instructie op het briefje naar de achterzijde van het pand zou gaan, contact heeft met de verdachte. Vervolgens rent [medeverdachte] weg.

Verdachte bevindt steeds in de nabijheid van het pand.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte de locatie waar de overdracht van het geld zou plaatsvinden in de gaten hield en daarover in contact stond met [medeverdachte] , om [medeverdachte] te waarschuwen bij onraad. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat [medeverdachte] wegrent op het moment dat het aanhoudingsteam - uit het zicht van [medeverdachte] - uit hun voertuig stapt. De verklaring van [medeverdachte] dat hij ‘vanuit een ooghoek via de spiegeling in het glas, gewapende mensen op zich af zag komen’ acht het hof ongeloofwaardig.

Het hof neemt bij zijn oordeel dat de verdachte op de uitkijk stond om [medeverdachte] te waarschuwen voorts in aanmerking dat uit de omstandigheid dat de gsm’s van de verdachte en [medeverdachte] zich in de kluis van de verdachte bevonden, gewikkeld in aluminiumfolie, en [medeverdachte] en de verdachte zich bedienden van portofoons, volgt dat zij daarmee hun aanwezigheid op of in de directe omgeving van de locatie waar de overdacht van het geld zou plaatsvinden trachtten te verhullen.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de poging tot afpersing door [medeverdachte] . Dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld valt af te leiden uit het samenstel van gedragingen. Het hof merkt daarbij op dat verdachte geen redelijke verklaring heeft willen geven voor het gebruik van de portofoons, het in de gaten houden van het pand en het trachten te verhullen van zijn aanwezigheid ter plaatse.

Op grond van het vorenstaande hecht het hof dan ook geen geloof aan de op 30 juli 2014 door [medeverdachte] tegenover de politie afgelegde verklaring dat de verdachte niet wist wat [medeverdachte] ging doen. Ook de verklaring van [medeverdachte] dat hij zijn gsm (Apple iPhone) in aluminiumfolie gewikkeld in de woning van de verdachte had achtergelaten en de Opel Corsa had gehuurd en dat hij en de verdachte in het bezit waren van portofoons met het oog op een ‘klus’ die hij en de verdachte zouden gaan uitvoeren nadat hij, [medeverdachte] , het geld in Deurne had opgehaald, acht het hof niet geloofwaardig. Deze verklaring is op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt bijgevolg het bewijsverweer in al haar onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan poging tot afpersing.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof, met toepassing van het adolescentenstrafrecht, de verdachte zal veroordelen tot een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie met verplichte begeleiding door de Jeugdreclassering.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is [medeverdachte] bij het afpersen van het slachtoffer [slachtoffer 2] opzettelijk behulpzaam geweest. Hoewel de rol van de verdachte in vergelijking met die van [medeverdachte] beperkt was, kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Weliswaar moet worden vastgesteld dat de verdachte pas enkele weken vóór het begaan van het bewezen verklaarde de leeftijd van achttien jaren had bereikt, maar anders dan door de raadsman bepleit ziet het hof in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal daarom aan de verdachte geen jeugddetentie maar gevangenisstraf opleggen.

Gezien de (beperkte) rol van de verdachte bij het bewezen verklaarde acht het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 49 Sr en in aanmerking nemend dat de verdachte ter zake van soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Schadevergoeding

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00 ter zake van immateriële schade. De kosten van rechtsbijstand bedragen volgens de benadeelde partij

€ 3.797,79.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag ter zake van immateriële schade niet buitensporig hoog is, zodat de vordering geheel kan worden toegewezen.

De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade niet nader is onderbouwd, zodat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Voorts is betoogd dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand in het licht van de inhoud en de onderbouwing van de ingediende vordering ter zake van immateriële schade onredelijk hoog zijn.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Uit de door de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in eerste aanleg overgelegde slachtofferverklaring, naar de inhoud waarvan de advocaat in hoger beroep heeft verwezen, volgt dat de poging tot afpersing en de daarbij gehanteerde methoden ; gevoelens van angst en onzekerheid teweeg hebben gebracht.

De gevorderde vergoeding ter zake van immateriële schade komt het hof niet onredelijk voor, zodat de vordering in zoverre in beginsel toegewezen kan worden. Naar het oordeel van het hof moet echter aangenomen worden dat de gevoelens van angst en onzekerheid bij de benadeelde partij [slachtoffer 2] voornamelijk ontstaan zijn door de gedragingen van [medeverdachte] en dat die gevoelens in mindere mate het gevolg zullen zijn geweest van het aandeel van de verdachte bij de poging tot afpersing. Het hof ziet hierin aanleiding om het toe te wijzen bedrag in de zaak van de verdachte te matigen tot het hierna te vermelden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand komt deze naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing in aanmerking. De advocaat van de benadeelde partij heeft immers ter terechtzitting van 3 februari 2016 te kennen gegeven dat de gevorderde kosten feitelijk door de rechtsbijstandsverzekering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] vergoed worden. In zoverre zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] afgewezen worden.

Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Voor zover de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt toegewezen, ziet het hof tevens aanleiding om aan de verdachte de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als hierna te melden. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering ziet op vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet toegewezen kan worden, aangezien deze benadeelde partij niet voorkomt in het onder 2 bewezen verklaarde.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet kan worden toegewezen, nu niet voldoende is gebleken dat de door [slachtoffer 1] gestelde schade door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. De benadeelde partij [slachtoffer 1] kan daarom in zijn vordering tot schadevergoeding niet ontvangen worden. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 48, 49, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt voormeld vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet

in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf

in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige

niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde

als vergoeding voor immateriële schade ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 2] , aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk;

verwijst de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. O.M.J.J. van de Loo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 7 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.