Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5465

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
200 191 049_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 8 december 2016

Zaaknummer: 200.191.049/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/294584 / FA RK 15-2972

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J. Geuze,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B. du Fossé.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 mei 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij haar inleidend verzoek is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 21 augustus 2012 te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met € 3.166,17 per maand met ingang van 1 mei 2015, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juni 2016, heeft de man verzocht de vrouw in haar grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen als ongegrond en onbewezen, en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Geuze;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. du Fossé.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 18 oktober 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 19 oktober 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 28 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 26 oktober 2007 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 november 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 3.400,- per maand.

3.2.

Bij beschikking van 21 augustus 2012, waarvan wijziging wordt verzocht, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2012 nader bepaald op € 1.964,- per maand.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 2.057,90 per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voornoemde beschikking van 21 augustus 2012 gewijzigd voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw aldus, dat deze bijdrage met ingang van de datum van de bestreden beschikking wordt bepaald op € 2.192,13 per maand.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de vrouw betreffen – zakelijk weergegeven – :

- de (aanvullende) behoefte van de vrouw (grieven 1 tot en met 5);

- de ingangsdatum (grief 6).

(Aanvullende) behoefte vrouw

3.6.

De vrouw voert door middel van haar grieven, kort samengevat, het volgende aan:

  • -

    de hofnorm komt niet overeen met haar werkelijke behoefte;

  • -

    partijen hebben de afspraak gemaakt dat bij de vaststelling van haar behoefte geen rekening wordt gehouden met de kosten van de kinderen;

  • -

    bepalend voor haar behoefte is het jaar 2007, in welk jaar de kinderen niet meer ten laste van partijen kwamen;

  • -

    er moet rekening worden gehouden met de inkomenskorting wegens arbeidsongeschiktheid van de vrouw;

  • -

    niet moet worden uitgegaan van een geacht vermogen van € 55.000,-, maar van haar feitelijk vermogen van € 32.132,-.

Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat haar huidige inkomen haar behoefte niet dekt.

3.7.

De man heeft de grieven van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.8.

Het hof is van oordeel dat de grieven van de vrouw falen en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het hof af dat partijen in 2007 bij de vaststelling van de partneralimentatie rekening hebben gehouden met verschillende factoren, waaronder de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. In de brief van 18 juni 2007 van de scheidingsbemiddelaar, mr. P.B.J. Roestenburg-Dekker, wordt bevestigd dat niet alleen de hofnorm, maar ook de uitgaven van de vrouw in aanmerking kunnen worden genomen. Voorts is kennelijk een jus-vergelijking gemaakt, waarbij de draagkracht van partijen en hun bestedingsruimte in aanmerking zijn genomen.

Het hof is van oordeel dat aangenomen dient te worden dat de in 2007 vastgestelde partneralimentatie de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dekte.

Al hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd, gebaseerd op behoeftecijfers van de vrouw van meer recente datum, kan niet leiden tot een andere conclusie ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

De partneralimentatie is bij voornoemde echtscheidingsbeschikking van 26 oktober 2007 vastgesteld op een bedrag van € 3.400,- bruto per maand. Blijkens de overgelegde stukken zijn partijen in het op 1 oktober 2007 ondertekende echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de partneralimentatie met een bedrag van € 400,- zou worden verlaagd, zodra de vrouw haar schuld aan de man zou hebben voldaan, hetgeen in 2010 is gebeurd, en voorts dat het alimentatiebedrag te allen tijde aangepast kan worden in geval van gewijzigde omstandigheden.

Bij voornoemde beschikking van 21 augustus 2012 heeft de rechtbank de alimentatie voor de vrouw nader vastgesteld op € 1.964,- bruto per maand, rekening houdende met haar eigen inkomsten. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van

€ 1.200,72 bruto per maand.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw sinds de echtscheiding in 2007 feitelijk de beschikking had over een inkomen van circa € 3.000,- bruto per maand, hetgeen neerkomt op een inkomen van circa € 1.905,- netto per maand.

In aanmerking genomen het huidige maandsalaris van de vrouw van – blijkens de overgelegde salarisspecificatie van oktober 2016 – circa € 1.300,- bruto per maand en de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie van € 2.192,13 bruto per maand, stelt het hof vast dat de vrouw thans een met de voorgaande jaren vergelijkbaar inkomen heeft, zodat haar huwelijksgerelateerde behoefte met haar huidige inkomsten eveneens geheel wordt gedekt.

Het hof overweegt voorts dat indien en voor zover de vrouw wil stellen dat haar huidige behoefte hoger is komen te liggen dan haar huwelijksgerelateerde behoefte, dit niet dan onder bijzondere omstandigheden - die door de vrouw niet zijn gesteld en waarvan ook overigens het hof niet is gebleken - tot een hogere bijdrage van de man in haar levensonderhoud kan leiden zodat het dan op de weg van de vrouw ligt haar behoefte aan haar inkomsten aan te passen.

De op haar (aanvullende) behoefte betrekking hebbende grieven van de vrouw slagen aldus niet.

Ingangsdatum wijziging

3.9.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan.

De vrouw stelt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de wijziging te laten ingaan op 3 februari 2016, waar de vrouw heeft verzocht om wijziging per 1 mei 2015 en de man per 1 augustus 2015. De vrouw kan zich voorts niet vinden in de overweging van de rechtbank dat de man ter zitting onbetwist heeft verklaard dat hij financieel niet bij machte is om een nabetaling van de alimentatie te doen.

De man stelt dat de rechtbank terecht als wijzigingsdatum de datum van de beschikking heeft aangehouden.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.1.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft evenwel in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden.

3.10.2.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat een redelijke verhouding tussen partijen in dit geval met zich brengt dat de alimentatie niet eerder dient te worden gewijzigd dan per datum beschikking van de rechtbank (3 februari 2016).

De grief van de vrouw met betrekking tot de ingangsdatum slaagt aldus evenmin.

3.11.

Nu de grieven van de vrouw falen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Proceskosten

3.12.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 februari 2016;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.