Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5430

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
16/00233
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op alleenstaande-ouderkorting, omdat dochter niet staat ingeschreven op zijn adres in het GBA. Het feit dat de dochter wel bij belanghebbende heeft gewoond, kan niet tot een ander oordeel leiden gelet op de duidelijke wettelijke voorwaarde van inschrijving in het GBA. Er is voorts geen sprake van schending van het discriminatieverbod als bedoeld in art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM (zie: Hoge Raad 11 juli 2008, nr. 42 106, ECLI:NL:HR:2008:BD6826, BNB 2008/243).

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/564
V-N 2017/17.22.14
FutD 2017-0631
NTFR 2017/873
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00233

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 maart 2016, nummer BRE 15/3270 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.508 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 18 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevr. [A] en de heer [B] .

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 2 december 2016, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in 2012 in aanmerking komt voor toepassing van de alleenstaande-ouderkorting.

2. Belanghebbende stelt, kort gezegd, dat de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is boven de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA). Verder doet belanghebbende een beroep op het discriminatieverbod. Het Hof begrijpt belanghebbendes stelling dat sprake is van discriminatie aldus, dat gelet op artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Europese Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in samenhang bezien met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, de onrechtmatigheid moet worden opgeheven bestaande uit het feit dat de moeder van belanghebbendes dochter wel recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting (omdat de dochter tot 16 december 2012 op haar adres in de GBA stond ingeschreven) en belanghebbende – op wiens adres de dochter naar belanghebbende stelt feitelijk het hele jaar verbleef – geen recht heeft op de genoemde korting.

3. Niet in geschil is dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het recht op de alleenstaande-ouderkorting zoals bepaald in artikel 8.15, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), nu de dochter van belanghebbende in 2012 volgens de GBA niet gedurende ten minste zes maanden op het adres van belanghebbende stond ingeschreven.

4. In de parlementaire behandeling die voorafging aan het invoeren van artikel 8.15 van de Wet IB 2001 is stil gestaan bij de vragen of 1) voor het toekennen van de korting aangesloten zou moeten worden bij het feitelijke woonadres van een kind of dat voor een formeel criterium gekozen zou worden en 2) of in geval van co-ouderschap één ouder of twee ouders recht zouden hebben op de alleenstaande-ouderkorting:

“In het wetsvoorstel is vastgehouden aan de bedoeling van de (aanvullende) alleen-staande-ouderaftrek en is geregeld dat de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting wordt verleend aan die ouder waarbij het kind volgens de basisadministratie persoonsgegevens woont.

Daarmee is aangesloten bij een helder criterium en wordt hersteld dat slechts één van de ouders in aanmerking komt voor de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting. De vergelijking met de kinderbijslag dringt zich op, want ook de Sociale Verzekeringsbank verdeelt per kind éénmaal de bijslag of kent die aan een van beide ouders toe die daartoe afspraken hebben gemaakt.

In het geval dat de kinderbijslag aan één ouder wordt toegekend, zal voor de inkomstenbelasting, evenals in het huidige regime, de andere ouder in aanmerking kunnen komen voor de persoonsgebonden aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen, (…).”

NV, Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202c, blz. 53.

En:

“Wij merken (…) op dat ook de Algemene kinderbijslagwet als uitgangspunt heeft dat de kinderbijslag aan één ouder wordt toegekend; afwijking daarvan is slechts mogelijk onder bepaalde voorwaarden. Bij het wetsvoorstel IB 2001 hebben wij gekozen voor herstel van de oorspronkelijke bedoeling van de fiscale wetgever (toekenning van de aftrek, nu korting, aan één ouder) en is aangesloten bij een helder criterium. De ouders hebben overigens – vanuit de fiscaliteit gezien – de vrijheid het kind op het adres van de ene dan wel de andere ouder te laten opnemen in de basisadministratie persoonsgegevens. Voor ons gaat het niet om de vraag welke ouder de tegemoetkoming krijgt, maar om het gegeven dat het niet zo mag zijn dat voor één kind bij co-ouderschap een dubbele tegemoetkoming zou worden gegeven. Volgen van het voorstel van de heer [C] zou noodzakelijk maken co-ouderschap scherp te definiëren, wat tot andere problemen zou kunnen leiden (…).”

Bijlage bij Handelingen I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 27-1300.

5. Hof Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 1 april 2005, nr. 224/04,, ECLI:NL:GHLEE:2005:AT3283, in een vergelijkbare zaak als volgt:

“4.6. Uit het onder punt 4.4 en 4.5 overwogene leidt het gerechtshof af dat de wetgever de omvang van de alleenstaande-ouderkorting op een zodanig bedrag heeft gesteld, dat deze niet twee keer voor één kind behoort te gelden en dat de wetgever ter voorkoming dat voor één kind bij co-ouderschap een dubbele tegemoetkoming wordt gegeven heeft willen aansluiten bij een – voor de uitvoeringspraktijk – helder criterium, te weten inschrijving van het kind op hetzelfde adres als de belastingplichtige. Op grond hiervan en rekening houdend met de onder punt 3.1 besproken ruime beoordelingsvrijheid die de fiscale wetgever toekomt, is het gerechtshof van oordeel dat de wetgever heeft kunnen oordelen dat voor een ongelijke behandeling als hier aan de orde is gesteld, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

4.7.

Het voorgaande leidt tot het oordeel van het gerechtshof dat te dezen geen sprake is van discriminerende wetgeving. Er bestaat dus geen grond om aan de belanghebbende alleenstaande-ouderkorting te verlenen.”

In zijn arrest van 11 juli 2008, nr. 42 106, ECLI:NL:HR:2008:BD6826, BNB 2008/243, heeft de Hoge Raad voormeld oordeel van het Hof bevestigd en overwogen:

“De klachten falen. Het Hof heeft op goede gronden met juistheid geoordeeld dat de wetgever, door voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting als voorwaarde te stellen dat het kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, binnen de hem toekomende (ruime) beoordelingsbevoegdheid is gebleven, en dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel, zoals dat zijn uitdrukking heeft gevonden in de door het Hof vermelde verdragen, daarom ongegrond is.”

6. Gelet op de duidelijke wettekst, de bedoeling van de wetgever zoals aangehaald in onderdeel 5 en het hiervoor genoemde arrest, stelt het Hof vast dat ten aanzien van belanghebbendes dochter de GBA-inschrijving leidend is en niet de feitelijke woonsituatie zoals belanghebbende bepleit. Voorts oordeelt het Hof dat uit de wettekst en de toelichting van de wetgever daarop ook blijkt dat de alleenstaande-ouderkorting slechts aan één ouder kan toekomen en dat in casu ten aanzien van belanghebbende niet aan de wettelijke vereisten van artikel 8.15 van de Wet IB 2001 is voldaan. Het beroep op het discriminatieverbod kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof evenmin baten, gelet op het constitutionele toetsingsverbod in artikel 120 van de Grondwet en het oordeel van de Hoge Raad ten aanzien van het discriminatieverbod als bedoeld in het IVBPR en het EVRM in het hiervóór vermelde arrest. Gezien het voorgaande dient het hoger beroep ongegrond verklaard te worden.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.G.M. Cools en A.O. Lubbers, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 6 december 2016.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.