Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5428

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
15/00815
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3082, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: Kaderrichtlijn water). Art. 228a Gemeentewet. Is rioolheffing in strijd met de richtlijn en/of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/0437 met annotatie van Liesbeth Gramsbergen
V-N Vandaag 2017/377
Belastingblad 2017/144 met annotatie van J.A. MONSMA
FutD 2017-0461
Viditax (FutD), 08-09-2017
Viditax (FutD), 08-12-2017
NTFR 2017/676 met annotatie van Mr. A. Dinée
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00815

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 14 april 2015, nummer SHE 14/1839, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Someren,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de na te noemen 97 aanslagen rioolheffing.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn onder aanslagnummer [aanslagnummer] voor het belastingjaar 2013 97 aanslagen rioolheffing opgelegd van ieder € 127, welke aanslagen in één aanslagbiljet zijn verenigd. Deze aanslagen met in totaal een bedrag van € 12.319 hebben betrekking op de onroerende zaken gelegen aan:

- [a-straat] : 10, 12, 16, 18 en 20;

- [b-straat] 2 tot en met 34 (even nummers);

- [c-straat] 2, 4, 6, 13, 15, 16, 17, 18 en 20;

- [d-straat] 4 tot en met 12 (even nummers);

- [e-straat] 205 tot en met 323 (oneven nummers)

te Someren.

Na tegen de 97 aanslagen gemaakte in één geschrift vervatte 97 bezwaren heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte 97 uitspraken de bezwaren ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 september 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, de heer [A] , bijgestaan door de gemachtigde de heer [B] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [C] , bijgestaan door de gemachtigde de heer [D] .

1.6.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Heffingsambtenaar heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is een woningcorporatie die tot doel heeft het beheren en exploiteren van woningen.

2.2.

De 97 woningen waarop de 97 aanslagen betrekking hebben, zijn sociale huurwoningen met elk verschillende gebruikers. De woningen zijn rijtjeswoningen, met uitzondering van de woningen aan de [e-straat] . Deze laatste woningen zijn appartementen met elk verschillende gebruikers gelegen in twee vleugels van één complex op één kadastraal perceel. Belanghebbende is eigenaar van al deze woningen.

2.3.

De 97 woningen zijn aangesloten op het (gemeentelijke) riool.

2.4.

Artikel 228a van de gemeentewet (tekst 2013) luidt als volgt:

‘1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven.

3. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.’.

2.5.

In de openbare vergadering van 19 december 2012 heeft de raad van de gemeente Someren de ‘Verordening rioolheffing 2013’ (hierna: de Verordening) vastgesteld.

2.6.

De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan dan wel een samenstel ervan conform de afbakening op grond van de Wet waardering onroerende zaken;

b gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

2 Met betrekking tot de belasting wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

Artikel 6 Belastingtarieven

1. De belasting bedraagt per perceel per jaar

a dat in hoofdzaak tot woning dient € 127,00

b dat niet in hoofdzaak tot woning dient € 190,40

2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, bedraagt de belasting voor een perceel met een bruto vloeroppervlak van minder dan 40m²per jaar € 31,70.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.’.

2.7.

De Verordening is bekend gemaakt op woensdag 9 januari 2013 in het blad ‘ ’t Contact’.

2.8.

In het raadsvoorstel van 21 november 2012 tot vaststelling van de Verordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen:

Rioolheffing

Tariefstelling

Met de rioolheffing worden de kosten die de gemeente maakt voor de uitvoering van de zorgplichten voor afvalwater en voor hemel- en grondwater verhaald. Deze heffing mag hooguit kostendekkend zijn. De rioolheffing wordt geheven van de eigenaar van een perceel dat op 1 januari direct of indirect is aangesloten de gemeentelijke riolering. De tarieven zijn gedifferentieerd naar woning, niet-woning en een "kwart"-tarief voor objecten met een vloeroppervlak dat kleiner is dan 40 m2.

Begin 2008 is de Wet op de gemeentelijke watertaken vastgesteld waarin de verbreding van de watertaken verplicht is gesteld. Met de invoering van de rioolheffing kunnen de gemeentelijke zorgtaken voor vuilwater, regenwater en grondwater bekostigd worden. In het nieuw opgestelde v-GRP heeft de gemeente de kosten voor zowel afvalwater als voor regenwater en grondwater inzichtelijk gemaakt.

In het v-GRP is een kostendekkingsberekening weergegeven waarbij een tarief voor woningen van € 126,00, voor niet-woningen van € 189,00 en een kwart-tarief van € 31,50

wordt gehanteerd. Deze berekening is echter nog gemaakt op basis van het Btw-tarief van 19%. Met ingang van 1 oktober 2012 bedraagt het Btw-tarief 21%. De Btw die voor compensatie via het BCF in aanmerking komt, werkt niet door in de voorzieningen riolering. Indien de wijziging van het Btw-tarief niet zou worden meegenomen in de tariefsberekening, zou de rioolheffing niet meer kostendekkend zijn. De voorgestelde tarieven rioolheffing 2013 zijn daarom nu bepaald op basis van het Btw-tarief van 21%.’.

2.9.

In het raadsvoorstel van 20 november 2008 tot wijziging van onder meer de Verordening rioolaansluitrecht 2008 is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen:

‘II Invoeren nieuwe rioolheffing

Als gevolg van de invoering van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken dient de gemeente de verordening rioolrechten te vervangen door een nieuwe rioolheffing. Dit wetsvoorstel is door de Tweede Kamer in februari 2007 aangenomen. Gemeenten dienen uiterlijk met ingang van 2010 deze nieuwe heffing in te voeren.

Bestemmingsheffing

De nieuwe rioolheffing op grond van artikel 228a van de Gemeentewet heeft het karakter van een bestemmingsheffing. Dit is het belangrijkste verschil tussen de "oude" rioolrechten en de nieuwe rioolheffing. Er is geen sprake meer van een retributie maar van een bestemmingsheffing. De link tussen het individuele profijt en de heffing is hierdoor minder stringent geworden. Alle kosten die de gemeente maakt voor de uitvoering van de zorgplichten kan zij met de nieuwe rioolheffing verhalen. De heffing mag hooguit kostendekkend zijn.

Zorgplichten

In artikel 228a van de Gemeentewet worden de verschillende zorgplichten van de gemeente op het terrein van water opgesomd. Het betreft de zorgplicht voor afvalwater en de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Ten aanzien van de afvalwaterzorgplicht dienen de door gemeente getroffen maatregelen doelmatig te zijn. Ten aanzien van de zorgplicht voor hemel- en grondwater is in eerste instantie de particulier verantwoordelijk

op eigen terrein. Pas indien het redelijkerwijs niet van de particulier kan worden verwacht dat hij zelf maatregelen neemt kan het water ter nadere verwerking aan de gemeente worden aangeboden.

Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is in 2007 geactualiseerd. Hierin is ingegaan op de verbrede zorgplichten op grond van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken.

Heffingssystematiek

Het kabinet beoogt geen wijziging in het heffingssysteem dat gemeenten al gebruiken voor het rioolrecht. Gemeenten blijven vrij in de keuze van de belastingplichtige (eigenaar of gebruiker) en de maatstaf (berekening) van de heffing.

Zoals in de programmabegroting 2009 is aangegeven, dient het huidige heffingssysteem onderzocht te worden. Dit om meer aan te sluiten bij het principe "De vervuiler betaalt". De notitie over de heffingssystematiek bij de rioolheffing is opgenomen als bijlage 12.

Uit deze notitie blijkt dat een keuze voor een gebruikersheffing niet logisch is. Het heffen op basis van de gebruiker leidt namelijk tot hogere perceptiekosten dan bij heffing van de eigenaar. Voor de burgers betekent heffing van de gebruiker dat circa 1400 huishoudens (huurwoningen) geconfronteerd worden met een jaarlijkse lastenverzwaring. Daarnaast wordt bij heffing van de gebruiker op basis van waterverbruik geen rekening gehouden met het kostenverhaal ten aanzien van hemel- en grondwater.

Om toch enigszins tegemoet te komen aan het principe van "de vervuiler betaalt" stellen wij voor de tariefstructuur voor de eigenarenheffing aan te passen en het tarief voor niet-woningen hoger vast te stellen dan het tarief van woningen. Tariefdifferentiatie is volgens de Wet materiële belastingbepalingen toegestaan. Gemeenten dienen bij het bepalen van de heffingsmaatstaf het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen.

Voor de bepaling of een object een woning of een niet-woning is, wordt aangesloten bij de criteria die daarvoor gehanteerd worden bij de onroerende zaakbelastingen.

(…)

Tarief

De te realiseren opbrengst is gebaseerd op basis van het in december 2007 door de raad vastgestelde Gemeentelijk rioleringsplan 2008-2012 (GRP).

De opbrengst rioolheffing wordt op basis van de huidige eigenarenheffing naar rato van het aantal woningen en niet-woningen voor 87% opgebracht door de woningen en voor 13% door de niet-woningen.

Wij stellen voor het tarief voor de niet-woningen op 1,5 maal het tarief voor de woningen vast te stellen. Met deze differentiatie wordt rekening gehouden met het feit dat bedrijven en instellingen gemiddeld grotere lozers van afvalwater zijn dan woningen. Echter de lastenverschuiving van woningen (81%) naar niet-woningen (19%) blijft beperkt.’.

2.10.

In de onder 2.9 vermelde bijlage 12 is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:

Aanleiding

Als gevolg van de invoering van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken dient de gemeente de verordening rioolrechten te vervangen door een nieuwe rioolheffing. Bij de vaststelling van het in 2007 geactualiseerde gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en de Programmabegroting 2009 is aangegeven dat daarbij het heffingssysteem onderzocht dient te worden, om meer aan te sluiten bij het principe "De vervuiler betaalt". Het kabinet beoogt geen wijziging in het heffingssysteem dat gemeenten al gebruiken voor het rioolrecht. Gemeenten blijven vrij in de keuze van de belastingplichtige (eigenaar of gebruiker) en de maatstaf (berekening) van de heffing.

Uitgangspunten

Van Brabant Water zijn gemiddelde dagverbruiken ontvangen over de jaren 2005, 2006 en 2007. Het gemiddelde dagverbruik over de genoemde jaren van woningen bedraagt 358 liter, van bedrijven 1396 liter, van instellingen 1136 liter en van boerderijen 1940 liter. Bij boerderijen is een groot deel van het aangevoerde water bestemd als drinkwater voor vee.

Probleemstelling

Tot op heden zijn de rioolrechten geheven van de eigenaar van een aangesloten perceel/pand. Om meer aan te sluiten bij het principe "De vervuiler betaalt" dient onderzocht te worden, of het wenselijk is om het heffingsysteem te wijzigen in een gebruikersheffing, waarbij geheven wordt op basis van werkelijk verbruik.

De rioolheffing kan van de eigenaar, van de gebruiker of van allebei worden geheven. In de Coelo atlas van de lokale lasten 2008 staat hierover het volgende vermeld: Het eigenarentarief tarief is doorgaans een vast bedrag. In sommige gemeenten is het eigenarentarief gekoppeld aan de WOZ-waarde. Ook bij de gebruikersheffing gaat het vaak om een vast bedrag. Verder kan het tarief zijn gekoppeld aan het waterverbruik, de huishoudensomvang of de WOZ-waarde.

Bij wijziging van het heffingssysteem kan het gaan om een wijziging van eigenarenheffing naar gebruikersheffing, of om een wijziging in de tariefstructuur.

Hierna wordt eerst ingegaan op de situatie dat de rioolheffing van de gebruiker wordt geheven op basis van waterverbruik. De kosten en de voor- en nadelen daarvan worden in beeld gebracht. Vervolgens wordt de huidige situatie beschreven.

(…)

Voordelen:

- Heffing van de gebruiker op basis van waterverbruik sluit aan bij de gedachte “de vervuiler betaalt”. Degene die meer water verbruikt krijgt een hogere aanslag rioolheffing. Dit betreft voornamelijk instellingen/bedrijven waar meer mensen aanwezig zijn, zoals bejaardenhuizen, scholen, horeca en bedrijven waar meer mensen werken.

Nadelen:

- Circa 1400 huishoudens (huurders) worden in de heffing betrokken en geconfronteerd met een jaarlijke lastenverzwaring.

- Er moet rekening worden gehouden met kwijtschelding en leegstand.

- De heffingsgrondslag is gebaseerd op de hoeveelheid afgenomen water van Brabant Water. Daardoor wordt de kwaliteit van de heffing van de rioolheffing afhankelijk van de volledigheid en juistheid van de administratie van een derde.

- Het waterverbruik/ de hoeveelheid afgevoerd water van agrarische bedrijven moet geïnventariseerd worden, in verband met verbruik als drinkwater voor vee.

- Heffing op basis van waterverbruik houdt geen rekening met hoeveelheden afgevoerd hemelwater en grondwaterproblematiek en de daarmee gepaarde kosten.

- Volgens de Coelo atlas van de lokale lasten 2008 is het watergebruik minder gevoelig voor prijsprikkels dan het afvalaanbod bij DIFTAR (afvalstoffenheffing). De prijs voor water bestaat namelijk niet alleen uit de rioolheffing, maar ook uit de prijs van het drinkwater zelf, grondwaterbelasting en leidingwaterbelasting.

Huidige eigenarenheffing

De huidige apparaatskosten van belastingen voor de rioolrechten bedragen in 2009 € 22.038,00. De werkzaamheden voor de heffing van de rioolrechten/heffing van de eigenaar bestaan voornamelijk uit het verwerken van de kadastrale eigenaarmutaties, de objectafbakening en het controleren op rioolaansluitingen. Daarnaast worden jaarlijks ongeveer 5 bezwaarschriften ingediend tegen de aanslag rioolrecht/heffing. De genoemde werkzaamheden worden eveneens uitgevoerd in het kader van de werkzaamheden voor de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de onroerende zaakbelastingen (OZB). Wanneer de rioolrechten/heffing niet meer van de eigenaar zou wordt geheven, betekent dit niet dat deze werkzaamheden niet meer uitgevoerd hoeven te worden. De geraamde apparaatskosten die nu via een procentuele sleutel voor rekening van de rioolrechten/heffing komen, komen bij rioolheffing van de gebruiker voor rekening van de eerder genoemde WOZ en OZB.

Conclusie

- Het heffen van de gebruiker op basis van verbruik leidt tot een verhoging van de perceptiekosten van belastingen. - Circa 1400 huishoudens worden geconfronteerd met een jaarlijkse lastenverzwaring.

- Van agrarische bedrijven wordt medewerking gevraagd bij de inventarisatie naar de hoeveelheden afgevoerd afvalwater.

- De verbrede rioolheffing ziet op kostenverhaal voor zorgplichten ten aanzien van hemel- en grondwater. Heffing op basis van waterverbruik houdt daar geen rekening mee.

Voorstel tariefstructuur

Op grond van voorgaande is een keuze voor een gebruikersheffing niet logisch.

Om toch enigszins tegemoet te komen aan het principe van "de vervuiler betaalt" kan de tariefstructuur voor de eigenarenheffing aangepast worden en kan het tarief voor niet-woningen hoger worden vastgesteld dan het tarief van woningen.

Tariefdifferentiatie is volgens de Wet materiële belastingbepalingen toegestaan. Gemeenten dienen bij het bepalen van de heffingsmaatstaf het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Het gelijkheidsbeginsel gaat ervan uit dat degenen die in een gelijke positie verkeren ook op gelijke wijze behandeld worden. De evenredigheidstheorie, vertaald naar de gemeentelijke belastingheffing, gaat ervan uit dat een ieder bijdraagt in de kosten van de gemeentelijke dienstverlening naar rato van de mate waarin daarvan profijt wordt getrokken.’.

2.11.

In art. 191, lid 2 Verdrag Werking Europese Unie (hierna: VWEU) is, voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald:

‘2. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.(…)’.

2.12.

De Richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: Kaderrichtlijn water) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘Overwegende hetgeen volgt:

(…)

(26) De lidstaten moeten ten minste naar een goede watertoestand streven en daarbij de nodige maatregelen binnen geïntegreerde maatregelenprogramma's vaststellen en uitvoeren, rekening houdend met de bestaande communautaire vereisten. (…)

(30) Ten behoeve van een volledige en consequente uitvoering van deze richtlijn, moeten termijnen eventueel verlengd worden op basis van passende, duidelijke en transparante criteria en door de lidstaten in het stroomgebiedbeheerplan worden gemotiveerd.

(…)

(36) Er moet een onderzoek worden verricht naar de kenmerken van een stroomgebied en naar de effecten van menselijke activiteiten, en er moet een economische analyse van het watergebruik worden gemaakt. De lidstaten in de gehele Gemeenschap moeten op systematische en vergelijkbare wijze toezien op de ontwikkeling van de watertoestand. Deze informatie is nodig om de lidstaten een deugdelijke basis te geven voor de opstelling van maatregelenprogramma's waarmee het doel van deze richtlijn kan worden bereikt.

(…)

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee:

a. a) aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd;

b) duurzaam gebruik van water wordt bevorderd, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;

c) verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische milieu worden beoogd, onder andere door specifieke maatregelen voor de progressieve vermindering van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en door het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen;

d) wordt gezorgd voor de progressieve vermindering van de verontreiniging van grondwater en verdere verontreiniging hiervan wordt voorkomen;

e) wordt bijgedragen tot afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte,

en dat zodoende bijdraagt tot

- de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water;

- een significante vermindering van de verontreiniging van het grondwater;

- de bescherming van territoriale en mariene wateren;

- het bereiken van de doelstellingen van de relevante internationale overeenkomsten, (…)

Artikel 2

Definities

Voor de doeleinden van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1. oppervlaktewater": binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren;

2. " grondwater": al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat;

(…)

13. " stroomgebied": een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;

(…)

15. " stroomgebiedsdistrict": het gebied van land en zee, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren, dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedsbeheer is omschreven;

(…)

34. " milieudoelstellingen": de in artikel 4 vervatte doelstellingen;

(…)

38. " waterdiensten": alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in:

a. a) onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater;

b) installaties voor de verzameling en behandeling van afvalwater, die daarna in oppervlaktewater lozen;

39. " watergebruik": waterdiensten, alsmede elke andere overeenkomstig artikel 5 en bijlage II geïdentificeerde activiteit met significante gevolgen voor de toestand van water.

Deze definitie geldt voor de doeleinden van artikel 1 en voor de economische analyse overeenkomstig artikel 5 en bijlage III, onder b);

(…)

Artikel 3

Coördinatie van administratieve regelingen binnen de stroomgebiedsdistricten

1. De lidstaten bepalen de afzonderlijke stroomgebieden op hun nationale grondgebied en wijzen die voor de doeleinden van deze richtlijn aan afzonderlijke stroomgebiedsdistricten toe. Kleine stroomgebieden mogen worden samengevoegd met grotere of met aangrenzende kleine stroomgebieden om, waar zulks dienstig is, één stroomgebiedsdistrict te vormen. Grondwater dat niet volledig een bepaald stroomgebied volgt, wordt bepaald en toegewezen aan het dichtstbijgelegen of het meest geschikte stroomgebiedsdistrict. Kustwateren worden bepaald en aan het dichtstbijgelegen of het (de) meest geschikte stroomgebiedsdistrict(en) toegewezen.

2. De lidstaten zorgen voor de passende administratieve regelingen, met inbegrip van de aanwijzing van de passende bevoegde autoriteit, voor de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn binnen ieder stroomgebiedsdistrict op hun grondgebied.

(…)

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de voorschriften van deze richtlijn voor het bereiken van de krachtens artikel 4 vastgestelde milieudoelstellingen, en in het bijzonder alle maatregelenprogramma's, worden gecoördineerd voor het gehele stroomgebiedsdistrict.

(…)

Artikel 4

Milieudoelstellingen

1. Bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma:

a. a) voor oppervlaktewateren

(…)

b) voor grondwater

(…)

Artikel 5

Kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, beoordeling van de milieueffecten van menselijke activiteiten en economische analyse van het watergebruik

1. Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict

- een analyse van de kenmerken ervan,

- een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en op het grondwater, en

- een economische analyse van het watergebruik

worden uitgevoerd overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen II en III en dat zij uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn voltooid zijn.

(…)

Artikel 9

Kostenterugwinning voor waterdiensten

1. De lidstaten houden rekening met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen, met inachtneming van de economische analyse volgens bijlage III en overeenkomstig met name het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De lidstaten zorgen er tegen het jaar 2010 voor:

- dat het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten, en daardoor een bijdrage te leveren aan de milieudoelstellingen van deze richtlijn;

- dat de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens bijlage III en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De lidstaten kunnen daarbij de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de terugwinning alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden in acht nemen.

2. De lidstaten rapporteren in de stroomgebiedsbeheersplannen over de voorgenomen stappen voor de uitvoering van lid 1 die ertoe bijdragen dat de milieudoelstellingen van deze richtlijn bereikt worden, en over het aandeel dat de verschillende vormen van watergebruik leveren aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten.

3. Geen enkele bepaling van dit artikel belet de financiering van bepaalde preventieve of herstelmaatregelen om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken.

4. De lidstaten maken geen inbreuk op deze richtlijn wanneer zij in overeenstemming met gevestigde gebruiken beslissen de bepalingen van lid 1, tweede alinea, en ook de desbetreffende bepalingen van lid 2, voor een bepaalde vorm van watergebruik niet toe te passen, indien dit het doel van deze richtlijn en het bereiken daarvan niet in het gedrang brengt. De lidstaten motiveren in de stroomgebiedsbeheersplannen waarom zij lid 1, tweede alinea, niet onverkort toepassen.

(…)

Artikel 11

Maatregelenprogramma

1. Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. Deze maatregelenprogramma's kunnen verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben. Een lidstaat kan zo nodig maatregelen nemen die op alle stroomgebiedsdistricten en/of de op zijn grondgebied gelegen delen van internationale stroomgebiedsdistricten van toepassing zijn.

2. Elk maatregelenprogramma omvat de in lid 3 genoemde "basismaatregelen" en, waar nodig, "aanvullende maatregelen".

3. " Basismaatregelen" zijn de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan en omvatten:

(…)

b) maatregelen die voor de doeleinden van artikel 9 nodig worden geacht;

c) maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;

(…)

Artikel 13

Stroomgebiedsbeheersplannen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor elk volledig op hun grondgebied liggend stroomgebiedsdistrict een stroomgebiedsbeheersplan wordt opgesteld.

(…)

Artikel 15

Rapportering

1. De lidstaten zenden de Commissie en eventuele andere betrokken lidstaten afschriften van de stroomgebiedsbeheersplannen en alle latere bijgestelde versies binnen drie maanden na publicatie daarvan toe:

a. a) voor volledig op het grondgebied van een lidstaat liggende stroomgebiedsdistricten, alle stroomgebiedsbeheersplannen die het nationale grondgebied bestrijken en overeenkomstig artikel 13 zijn gepubliceerd;

(…)

Artikel 26

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.’.

2.13.

In het stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:

2 Economische analyse van het watergebruik

[p. 37:] Voor een uitgebreidere beschrijving, waaronder ook het watergebruik van de sectoren huishoudens, landbouw, visserij en industrie zie hoofdstuk 6 van het rapport ‘Karakterisering Stroomgebied Maas’.

(…)

[p. 39:] Het Nederlandse waterbeheer is al decennia lang gebaseerd op de principes ‘de vervuiler betaalt’ voor chemische waterkwaliteit en ‘de gebruiker betaalt’ voor waterkwantiteit. De financiering van het waterbeheer en het gevoerde prijsbeleid in Nederland zijn daar dan ook op gebaseerd en kennen waar effectief prijsprikkels ter stimulering van een efficiënt gebruik van water. Hierover is uitvoerig gerapporteerd in het rapport ‘Kostenterugwinning waterdiensten in Nederland’. De kosten van de in Nederland onderscheiden waterdiensten worden grotendeels bij de vervuilers dan wel de gebruikers teruggewonnen en zijn in overeenstemming met het in artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn Water genoemde criterium.

Uit een overzicht van de kostenterugwinning per waterdienst (tabel 2-2) blijkt dat van de vijf onderscheiden waterdiensten er twee zijn die geen volledige kostenterugwinningspercentage van 100% hebben.

De eerste betreft ‘Inzameling en afvoer van hemelwater en afvalwater’ en heeft een kostenterugwinningspercentage van 95%. De kosten voor deze waterdienst (investeringen en beheer en onderhoud van de riolering) worden voor het grootste gedeelte (minimaal 95%) teruggewonnen door middel van het rioolrecht. Het overige deel van het geld wordt verkregen door middel van de Onroerende Zaakbelasting (OZB), die door de gemeenten wordt geïnd van eigenaars en gebruikers van onroerende zaken. De OZB-inkomsten vallen onder de algemene middelen van de gemeenten. De actoren die gebruik maken van de riolering betalen op deze wijze ook aan de riolering.

Het KTW-percentage is de afgelopen jaren toegenomen van 80 naar 95% ten gevolge van de verdere stijging van het aantal gemeenten dat rioolrecht heeft ingesteld.

(…)

[p. 41:] Voor wat betreft de omvang van de drie activiteiten is van de volgende kengetallen (voor geheel Nederland) uitgegaan:

• Waterkeringszorg: 13.450 km waterkering;

• Waterkwantiteitsbeheer: 110.983 ha oppervlakte

regionale watersysteem;

• Waterkwaliteitsbeheer: 16,0 miljoen inwoners

waaraan dienst geleverd wordt.

Alles overziend is de Nederlandse regering van mening dat binnen het bestaande institutionele stelsel de gebruikers van waterdiensten een adequate bijdrage leveren aan de kosten van de productie van de waterdiensten.

Doordat de kosten voor de additionele KRW-maatregelen gekoppeld worden aan bestaande waterdiensten en de kostenterugwinning-structuur, is er ook sprake van een adequate bijdrage van de verschillende sectoren in de terugwinning van de kosten voor het voorgenomen maatregelenpakket.

[p. 136:] 6.3.2 Maatregelen kostenterugwinning Watergebruik

Overeenkomstig artikel 1, lid 3 onderdeel b, en bijlage VII-punt A7.2 van de KRW bevat deze paragraaf in aanvulling op hoofdstuk 2 een overzicht van de maatregelen die op basis van generiek beleid zijn en worden genomen voor de kostenterugwinning van het watergebruik.

Het Nederlandse waterbeheer is al decennia lang gebaseerd op de principes ‘de gebruiker betaalt’ en ‘de vervuiler betaalt’ (zie hoofdstuk 2). De financiering van het waterbeheer (waterkwantiteitsbeheer, waterkwaliteitsmaatregelen, waterkeringen en afvalwatertransport- en zuivering) en van de drinkwatervoorziening zijn daarop gebaseerd. Hierover is gerapporteerd in het op grond van het artikel 5 van de KRW opgestelde rapport ‘Kostenterugwinning van waterdiensten in Nederland’. De kosten van de in Nederland onderscheiden waterdiensten worden grotendeels bij de gebruikers teruggewonnen (zie tabel 2-1 paragraaf 2.3) en zijn in overeenstemming met het in artikel 9 genoemde criterium.

(…)

Inzameling en afvoer hemelwater en afvalwater

De kosten voor investeringen en beheer en onderhoud van de riolering worden gedragen door de gemeenten. Het grootste gedeelte van deze kosten worden teruggewonnen door middel van het rioolrecht. Een aantal gemeenten financiert deze kosten uit de algemene middelen van de gemeenten. De burgers betalen dan niet direct de kosten voor rioleringszorg.

(…)

Terugkostenwinning watergebruik:

Terugkostenwinning van het watergebruik vindt plaats op basis van de principes ‘de vervuiler betaalt’ en ‘de gebruiker betaalt’:

• levering en productie van drinkwater via het drinkwatertarief

• investeringen, beheer en onderhoud van riolering via het rioolrecht

• heffing op lozingen via de verontreinigingsheffing

In de planperiode zal onderzoek worden uitgevoerd naar een reële prijsbepaling van de zoetwatervoorziening.’.

2.14.

In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2013-2017 van de gemeente Someren van 18 juni 2012 is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:

Samenvatting

Inleiding

Per 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken in werking getreden. Door invulling te geven aan deze wet is er sprake van een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het vGRP wordt naast de gebruikelijke inhoud van een GRP tevens inhoud gegeven aan de nieuwe zorgplichten van de gemeente: de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht.

Met dit Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan geeft de gemeente Someren invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Riolering draagt namelijk bij aan de Volksgezondheid, de kwaliteit van de leefomgeving en beschermt de bodem, het grond- en oppervlaktewater. De aanleg en het beheer van riolering zorgt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd en voorkomt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem- of oppervlaktewater. Daarnaast zorgt riolering voor de ontwatering van de bebouwde omgeving door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven ook het overtollige regenwater van daken, pleinen, wegen e.d. en het eventuele overtollige grondwater in te zamelen en af te voeren.

Afvalwaterzorgplicht

De afvalwaterzorgplicht is grotendeels een voortzetting van het beleid zoals dat vroeger gold. Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente Someren in haar gebied een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater na tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De gemeente Someren streeft een structurele en regelmatige wijze van inspecteren, meten en inventariseren na.

De gemeente is begonnen met het opstellen van meerjarenplanningen. Daarnaast wordt er niet alleen steeds meer gebruik gemaakt van de hedendaagse (computer) technieken om de benodigde kennis van het rioolstelsel te vergaren en vast te leggen, maar worden er steeds meer manieren gezocht en gevonden om in de toekomst met minder inspanning tot dezelfde resultaten te komen. Op deze wijze is het mogelijk om op een efficiënte wijze de verworven kennis te waarborgen en toe te passen. De continuïteit van een goed beheer wordt hierdoor beter mogelijk gemaakt.

Vervanging van riolering biedt mogelijkheden om anders om te gaan met het afvalwatersysteem en over te gaan tot ontvlechting van afvalwater en hemelwater (aanleg 2 stelsels). De gemeente wil dit soort projecten actief aangrijpen. Ook bij herontwikkelingsprojecten wil de gemeente nadrukkelijk meedenken en de mogelijkheden tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater actief onderzoeken.

Hemelwaterzorgplicht

De taakopvatting voor de hemelwaterzorgplicht komt overeen met de taakopvatting voor de afvalwaterzorgplicht, echter de gemeentelijke beleidsvrijheid is bij de hemelwaterzorgplicht beduidend groter dan bij de afvalwaterzorgplicht. Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Someren in haar gebied een duurzame en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater na voor zover burgers en bedrijven zich daar redelijkerwijs niet van kunnen ontdoen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Het belangrijkste aandachtspunten in het gemeentelijk hemelwaterbeleid is het actief benutten van kansen om hemelwater van afvalwater te ontvlechten bij onder andere uitbreidingen, inbreidingen, wijkrenovatieprojecten, vervangingsprojecten en wegenprojecten.

Grondwaterzorgplicht

Grondwater en grondwaterstanden mogen geen aanleiding zijn tot overlast. Ook een te lage grondwaterstand kan problemen opleveren. De gemeente Someren geeft gehoor aan de verbrede zorgplicht, door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken. Hiertoe dienen de grondwaterpeilen inzichtelijk te worden gemaakt met behulp van het grondwatermeetnet dat de gemeente al heeft ingericht. Er zijn momenteel geen structurele grondwaterproblemen in Someren bekend. De gemeentelijke inspanningen voor de grondwaterzorgplicht zijn derhalve beperkt.

Investeringen en exploitatielasten planperiode vGRP

Navolgende tabel geeft een samenvatting van alle exploitatielasten en investeringen voor de planperiode van het vGRP.

Lasten in euro’s *1.000 inclusief BTW

Omschrijving

2013

2014

2015

2016

2017

Lasten nieuwe investeringen

1014

902

879

817

805

Exploitatielasten

869

869

875

887

875

Financiële consequenties, kostendekking

De ontwikkeling van de rioolheffing voor de periode tot 2030 is opgenomen in navolgende figuur (tarief woningen). Uit de figuur blijkt dat de rioolheffing in de planperiode van dit vGRP zal moeten stijgen naar circa € 153,- in 2017 (prijspeil 2012) en daarna tot circa € 175,-in 2022. De rioolheffing in de gemeente Someren is daarmee beduidend lager dan het landelijk gemiddelde (€ 177 in 2012).

(…)

[p. 1:] INLEIDING

1.1

Water in Someren

Inleiding

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt dat waterlichamen in 2015 in een goede toestand [Hof: moeten] verkeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), het Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel en het Nationale Waterplan (de opvolger van de nota waterhuishouding), is de nationale doorvertaling geregeld. De uitwerking van de wateropgaven waar de gemeente Someren voor staat zijn in eerste instantie op hoofdlijnen uitgewerkt in het waterplan (2005) en daarna in het kader van het gebiedsproces als uitvloeisel van het Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel en het Nationale Waterplan. Tevens zijn de wateropgaven in het kader van het dossier doelmatigheid in het licht van het bestuursakkoord water 2011 geplaatst.

Het watersysteem en de waterketen dienen, mede vanuit Europese en nationale wet- en regelgeving, steeds meer integraal te worden benaderd. Een voorbeeld hiervan is de verbreding van de gemeentelijke watertaken. Betrof het voorheen ‘slechts’ de zorg voor het afvalwater (puur onderdeel van de waterketen), sinds 1 januari 2008 dient de gemeente tevens zorg te dragen voor afvloeiend hemelwater en grondwater (onderdelen van het watersysteem).

Voorheen dienden rioolstelsels hoofdzakelijk het doel van het verbeteren van de volksgezondheid en het voorkomen van emissies naar de omgeving. Door de integratie met andere watertaken dient tegenwoordig ook aandacht te worden gegeven aan thema’s als wateroverlast als gevolg van klimaatverandering, grondwateroverlast en ontvlechting van schone en verontreinigde waterstromen zodanig dat een gezond en duurzaam watersysteem niet onder druk komt te staan. Afvalwater-, hemelwater- en ontwateringstelsels in de gemeente Someren zijn daarbij middelen in de voortdurende opgave om het bebouwde stedelijke gebied en de natuurlijke omgeving op elkaar af te stemmen.

Het voorliggende verbrede GRP geeft invulling aan en vertolkt het beleid van de gemeente Someren voor de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht en draagt als zodanig, en in samenhang met andere gemeentelijke plannen, bij aan de waterbrede opgaven waar de gemeente voor staat. In dit vGRP zijn tevens activiteiten opgenomen uit het waterplan Someren voor zover deze verband houden met de wettelijke zorgplichten.

(…)

1.2

Gemeentelijke zorgplichten

Zorgplichten

Vanaf 1 januari 2008 is de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken in werking getreden. De regelgeving in de wet gemeentelijke watertaken is inmiddels geïntegreerd in de waterwet die acht voormalige waterwetten vervangt. De oude gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het transport van afvalwater zoals wettelijk vastgelegd in 1993 is met de komst van de nieuwe zorgplichten gewijzigd.

Gemeenten hebben volgens de waterwet en de Wet Milieubeheer drie zorgplichten voor:

 inzameling en transport van afvalwater (afvalwaterzorgplicht);

 inzameling en verwerking van overtollig hemelwater(hemelwaterzorgplicht);

 inzameling en verwerking van overtollig grondwater(grondwaterzorgplicht).

Een specifieke zorgplicht voor het hemelwater bestond voor 1 januari 2008 niet maar in de praktijk gaf de gemeente Someren al min of meer invulling aan taken die samenhingen met de inzameling en verwerking van (overtollig) hemelwater. De zorgplicht voor grondwater betreft wel een geheel nieuw taakveld voor de gemeente. In het verleden was niet duidelijk welke instantie verantwoording droeg voor het oplossen van eventuele problemen met freatische grondwaterstanden in openbaar gemeentelijk gebied.

(…)

Openbare vuilwaterstelsels

Een openbaar vuilwaterriool is een voorziening in beheer bij de gemeente voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; dat wil zeggen het afvalwater geproduceerd door huishoudens en al het water dat hier mee gemengd is zoals bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater. Onder het openbare vuilwaterstelsel vallen gemengde riolen, dwa-riolen, drukriolering en (vrijwel) alle transportleidingen.

(…)

Openbare hemelwaterstelsels

Openbare (gemeentelijk) hemelwaterstelsels zijn voorzieningen voor de inzameling, transport en verwerking van uitsluitend afvloeiend hemelwater. Daaronder vallen onder andere hemelwaterriolen, infiltratievoorzieningen, doorlatende verharding, wadi’s en retentievijvers.

Openbare ontwateringsvoorzieningen

Ontwateringstelsels zijn voorzieningen waarmee (structurele) grondwateroverlast wordt voorkomen. Onder openbare ontwateringsvoorzieningen vallen bijvoorbeeld oppervlaktewateren, en drainagenetwerken. Drainagenetwerken kunnen ook omgekeerd werken en in droge tijden water aanvoeren om grondwaterstanden op peil te houden. Ontwateringsvoorzieningen hebben een sterke samenhang met (primaire) afwateringsvoorzieningen (zoals greppels, sloten, watergangen, kanalen en vijvers).

(…)

2 WETTELIJK EN BELEIDSKADER

2.1

Wettelijk en beleidskader hogere overheden

Vanuit hogere overheden is er naast wetgeving een groot aantal beleidsstukken te noemen die van invloed zijn op het in het vGRP te verwoorden beleid. Figuur 2.1 geeft een beeld van deze stukken.

(…)

[p 43:] Het periodiek vaststellen van de benodigde middelen (financiën) en de wijze van kostendekking is ook een onderdeel in het beheerproces. In het kader van dit vGRP zijn de beheerkosten in beeld gebracht en zijn nieuwe ontwikkelingen in het beheer vastgesteld. Tevens is afstemming van de onderhoudsmaatregelen met derden onderdeel van het proces (bijvoorbeeld afstemming van het programma met andere vakdisciplines).

(…)

Rioleringsvervangingsprojecten inclusief het afkoppelen van hemelwater worden gedekt vanuit de rioolheffing. De kosten van het opbreken en herstellen van verhardingen voor zover noodzakelijk in het betreffende project worden meegenomen in deze projecten uitgaande van herstel van de oude situatie. Het herinrichten van straten bij rioolvervanging anders dan het terugbrengen van de oude situatie kan, als dat meerkosten oplevert, vanwege de aard van de rioolheffing (doelheffing) niet uit de rioolheffing worden gefinancierd.

(…)

[p.58:] In bijlage 6 zijn de verschillende lasten ten behoeve van het kostendekkingsplan voor dit vGRP opgenomen waarbij een doorkijk is gemaakt tot 2042. De volgende lastensoorten zijn in bijlage 6 onderscheiden:

 exploitatielasten in verband met het beheer en onderhoud van het rioolstelsel, hierbij is een indeling gemaakt naar de drie zorgplichten en naar lasten voor overkoepelende activiteiten;

 lasten in verband met nieuwe investeringen voor instandhouding en verbetering van het rioolstelsel en uitvoering van de nieuwe zorgplichten.

(…)

De baten worden gevormd door de rioolheffing zoals uitgewerkt in de heffingsverordening. De rioolheffing 2012 voor de drie tariefgroepen is als volgt:

Woningen: €120,-;

Niet woningen: €180,-;

Gebouwen kwart tarief: € 30,-.

De totale opbrengst voor 2012 is geraamd op € 1.093.322,- ‘.

2.15.

Het gemeentelijke rioolstelsel is een zogenoemd gemengd stelsel, inhoudende dat het rioolstelsel niet alleen dient voor de inzameling en het transport van afvalwater, maar ook voor de inzameling en de verwerking van hemelwater. De capaciteit van het rioolstelsel wordt vooral bepaald door de pieken die ontstaan door de afvoer van hemel- en grondwater.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de navolgende vragen:

I. Dienen de aanslagen te worden vernietigd, omdat de Verordening in strijd is met de Kaderrichtlijn water en/of art. 191, lid 2 VWEU?

II. Zo vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Dienen de aanslagen te worden vernietigd op grond van een schending van het gelijkheidsbeginsel?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep en tot vernietiging van de uitspraken op de bezwaren en van de aanslagen. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vraag I

Heffen bij de gebruiker of de eigenaar van een perceel?

4.1.

Belanghebbende stelt, kort samengevat, dat van haar geen rioolheffing mag worden geheven, omdat zij niet de vervuiler is, maar haar huurders. Belanghebbende stelt dat de Verordening, die aanknoopt bij de eigenaar van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering, in strijd is met de Kaderrichtlijn water, in het bijzonder artikel 9, lid 1 van die Richtlijn. Belanghebbende is, in essentie samengevat, van mening dat uit het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ volgt dat de rioolheffing moet worden gedragen door haar huurders, omdat de huurders de vervuilers zijn en niet zij. Hierbij voert belanghebbende aan dat zij de rioolheffing niet aan de huurders kan en mag doorberekenen ingevolge de regels die de hoogte van de huur bepalen.

4.2.

Het Hof zal bij de beantwoording van vraag I vooronderstellenderwijs met belanghebbende ervan uitgaan dat artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water voldoende nauwkeurig verplichtingen oplegt aan lidstaten en dus rechtstreekse werking heeft, zodat belanghebbende zich in deze procedure rechtstreeks kan beroepen op voornoemd artikel.

4.3.

Uit hetgeen onder 4.2 vooronderstellenderwijs met belanghebbende is aangenomen volgt dat volgens artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water:

- de lidstaten rekening moeten houden met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten;

- de lidstaten bij de terugwinning van de kosten van waterdiensten het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ in acht moeten nemen;

- het waterprijsbeleid van een lidstaat adequate prikkels moet bevatten voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten;

- huishoudens, bedrijven en landbouw een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten rekening houdende met het beginsel ‘de vervuiler betaalt’.

4.3.

Het Hof stelt voorop, dat de rioolheffing niet alleen dient voor de terugwinning van kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel, maar ook ter zake van de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater en van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel. Ter zake van deze laatste twee kostenposten kan niet, zoals belanghebbende kennelijk doet, zonder meer worden aangenomen dat uit de toepassing van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ volgt dat deze aan de gebruiker, en niet aan de eigenaar, van een perceel zijn toe te rekenen. In het bijzonder ten aanzien van hemelwater valt eigenlijk geen vervuiler aan te wijzen, zodat uit de toepassing van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ niet dwingend de conclusie volgt dat de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend.

4.3.

Nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, kan ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet worden geschreven dat uit het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend. (Vgl. Hoge Raad 5 maart 1980, 19441, BNB 1980/103 en Hoge Raad 15 mei 2009, 07/13148, BNB 2009/208.) Hierbij zij opgemerkt dat als de gemeente het hemelwater niet via het riool zou inzamelen en verwerken dit voor de gemeente, en/of de eigenaar van een perceel, kosten zou oproepen voor het beheer van het grondwater, die, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, evenzeer bij de eigenaar van een perceel zouden kunnen worden teruggewonnen.

4.4.

In zoverre ontbeert de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, feitelijke grondslag.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene rest dan de vraag of de omstandigheid dat de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel worden teruggewonnen bij de eigenaar van dat perceel voldoet aan artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water. Het Hof is van oordeel dat gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn water, heeft dit is toegestaan. De verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel is een verfijning waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water naar het oordeel van het Hof niet dwingt (vgl. HvJ 11 september 2014, C-525/12, Commissie-Duitsland, ECLI:EU:C:2014:2202). Daarmee faalt ook de stelling van belanghebbende dat in het stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 geen op de voet van artikel 9, lid 4 van de Kaderrichtlijn water (gemotiveerde) beslissing is opgenomen om artikel 9, lid 1, tweede alinea van de Kaderrichtlijn water niet toe te passen. De stelling van belanghebbende dat het terugwinnen van de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel bij de eigenaar van dat perceel die gebruiker geen adequate prikkel geeft om zuiniger met water om te gaan doet aan het vorenstaande niet af. Immers, zoals de Heffingsambtenaar terecht verdedigt, de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, eerste gedachtestreepje bedoelde passage ziet op de prijs voor (het gebruik van) water (drinkwater of onttrokken grondwater) en niet op de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater (nadat het water is gebruikt).

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene volgt uit artikel 191, lid 2 VWEU evenmin dwingend de onder 4.5 bedoelde verfijning.

Rioolheffing evenredig verdeeld over watergebruikssectoren woning (huishouden) en niet-woning (bedrijven en landbouw)?

4.7.

Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat het in artikel 6 van de Verordening opgenomen tarief voor woningen (€ 127 per perceel) niet in verhouding staat tot het tarief voor niet-woningen (€ 190,40 per perceel). Belanghebbende verbindt daaraan de conclusie dat:

( a) er geen sprake is van een redelijke bijdrage per watergebruikssector (woning (huishouden) versus niet-woning (bedrijven en landbouw) als bedoeld in artikel 9, lid 1, tweede alinea, tweede gedachtestreepje van Kaderrichtlijn water, en

( b) het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden (vgl. onder meer: HvJ 16 juli 2009, C-254/08, Futura Immobiliare, ECLI:EU:C:2009:479 en HvJ 18 december 2014, C-551/13, SETAR, ECLI:EU:C:2014:2467).

Belanghebbende betoogt (p. 11, 3.6.12 hoger beroepsschrift) dat het tarief voor niet-woningen slechts ongeveer 50% hoger is dan voor woningen, terwijl een éénpersoonshuishouden op een perceel van 100 m2 veel minder hemel- en afvalwater loost op de gemeentelijke riolering dan een bedrijf met 100 werknemers op een perceel van 5.000 m2 of een landbouwer op een perceel (bespoten) landbouwgrond van 10 hectare. Belanghebbende stelt gemotiveerd dat in een kantoorpand met 100 werknemers meer dan 15 maal zoveel water wordt verbruikt als in een woning met een éénpersoonshuishouden en in een hotel met 100 gasten ruim 250 maal zoveel meer water. Belanghebbende heeft dit betoog verder met voorbeelden onderbouwd (p. 21, 3.8 hoger beroepsschrift) en aldaar gesteld dat de gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de tarieven zijn vastgesteld.

4.8.

Uit hetgeen is vermeld onder 2.9 volgt dat het tarief, in navolging van de onder 2.10 vermelde bijlage 12, voor niet-woningen op ongeveer 1,5 van dat voor woningen is gesteld met de volgende motivering:

‘De opbrengst rioolheffing wordt op basis van de huidige eigenarenheffing naar rato van het aantal woningen en niet-woningen voor 87% opgebracht door de woningen en voor 13% door de niet-woningen.

Wij stellen voor het tarief voor de niet-woningen op 1,5 maal het tarief voor de woningen vast te stellen. Met deze differentiatie wordt rekening gehouden met het feit dat bedrijven en instellingen gemiddeld grotere lozers van afvalwater zijn dan woningen. Echter de lastenverschuiving van woningen (81%) naar niet-woningen (19%) blijft beperkt.’.

4.9.

Uit hetgeen is vermeld onder 4.8 volgt dat bij de vaststelling van de tarieven rekening is gehouden met het feit dat bedrijven en instellingen gemiddeld grotere lozers van afvalwater zijn dan woningen en met het voorkomen van een te grote lastenverschuiving tussen woningen en niet-woningen. Gelet op dit laatste heeft de gemeente kennelijk rekening gehouden met de economische effecten van de terugwinning van kosten, hetgeen, gelet op artikel 9, lid 1, derde alinea van Kaderrichtlijn water, behoort tot haar beoordelingsmarge.

4.10.

De omstandigheid dat woningen (huishoudens) veel minder water verbruiken dan niet-woningen (bedrijven en landbouw), welke omstandigheid de gemeente in ogenschouw heeft genomen gelet op hetgeen is vermeld onder het kopje ‘uitgangspunten’ in de onder 2.10 vermelde bijlage 12, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. Zoals uit vorenbedoelde bijlage 12 volgt worden bij de rioolheffing niet alleen de kosten van de inzameling en het transport van afvalwater teruggewonnen, maar ook de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater en de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel. Het verbruik van water is mitsdien niet een goede maatstaf om te beoordelen of de terugwinning van kosten evenredig wordt verdeeld, zoals in het bijzonder ook blijkt bij de landbouw waarover de gemeente vermeldt dat daar het meeste verbruikte water dient voor de drinkvoorziening voor vee (onder het kopje ‘uitgangspunten’ in de onder 2.10 vermelde bijlage 12). Hieruit volgt dat de stellingen van belanghebbende omtrent het verbruik van water niet kunnen leiden tot de constatering dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden als bedoeld in het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ 16 juli 2009, C‑254/08, Futura Immobiliare, ECLI:EU:C:2009:479. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de vaststelling van de tarieven voor woningen (huishoudens) en niet-woningen (bedrijven en landbouw) het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden.

4.11.

Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.12.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2016, 15/03647, ECLI:NL:HR:2016:2495 moet vraag II ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.13.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Heffingsambtenaar is. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 november 2016 door P. Fortuin, voorzitter, G.D. van Norden en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend aan partijen verzonden op: 6 december 2016

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.