Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5422

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
200.192.887_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Eiswijziging na memorie van grieven

Hoofdelijkheid of borgtocht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.192.887/01

arrest van 6 december 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. L.J.H. Stein te Herten,

tegen

1 Coöperatieve Rabobank U.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Rabohypotheekbank N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als Rabobank,

advocaat: mr. F.J. Laagland te Eindhoven,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 16 augustus 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 16 augustus 2016;

- de akte uitlaten/tevens akte wijziging van eis met producties van [appellanten] c.s.;

- de antwoordakte van Rabobank.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

Bij memorie van antwoord had Rabobank gesteld dat de woning en perceel [sectienummer] inmiddels executoriaal verkocht en ook geleverd waren, zij dus niet meer aan de vorderingen van [appellanten] kon voldoen en dat [appellanten] ook geen belang meer had bij de onderhavige procedure. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Hij mocht zich tevens uitlaten over de (niet-appellabele) beschikkingen van de voorzieningenrechter van 27 mei 2016, krachtens welke de onderhandse verkoop had plaatsgevonden, en de gevolgen daarvan voor de proceskostenbeslissing in hoger beroep. Rabobank mocht hierop reageren.

6.1.2.

Hieraan heeft het hof expliciet toegevoegd dat de komende aktewisseling voor geen ander doel bestemd is en dat het hof eventuele uitlatingen over andere kwesties buiten beschouwing zal laten.

6.2.1.

[appellanten] heeft zijn eis gewijzigd (aangevuld met een nieuwe primaire vordering). Hij vordert thans, kort samengevat

primair veroordeling van Rabobank tot het ongedaan maken van de transactie tot overdracht van de woning en perceel [sectienummer] en herstel in de toestand vóór de opzegging van de lening, althans vóór de executoriale verkoop en levering, en wel zodanig dat de volle eigendom van woning en perceel terugkeren in het vermogen van [appellanten] , althans zodanig dat de reeds voor [appellanten] ingetreden gevolgen ongedaan worden gemaakt, alles op straffe van een dwangsom.

Daarnaast handhaaft [appellanten] de reeds in het tussenarrest weergegeven vorderingen zodanig, dat deze steeds een rang opschuiven (primair wordt subsidiair, subsidiair wordt meer subsidiair enz.).

6.2.2.

Rabobank heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, waarbij zij zich beroept op de hierboven in rov 6.1.2. weergegeven instructie van het hof, de twee-conclusieregel en strijd met de goede procesorde in het algemeen. Daarnaast stelt Rabobank dat als de eiswijziging toch zou worden toegelaten, de gewijzigde eis op meerdere gronden niet toewijsbaar is.

6.3.1.

De instructie van het hof dat de komende aktewisseling voor geen ander doel bestemd is dan hiervoor in 6.1.1 omschreven, ziet vooral op mogelijke uitlatingen die niet of niet rechtstreeks van doen hebben met de door het hof aan [appellanten] gestelde vraag. Deze instructie kan evenwel niet afdoen aan het fundamentele recht van [appellanten] om zijn eis te wijzigen. Over een dergelijke eiswijziging wordt bij arrest beslist, reden waarom de rolraadsheer niet op de door Rabobank hiertegen bij brief geuite bezwaren heeft gerespondeerd. (Overigens, zoals reeds meegedeeld door de rolraadsheer, mag een akte na tussenarrest volgens het geldende procesreglement langer zijn dan 2 bladzijden.)

6.3.2.

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt. Daarvan is echter geen sprake geweest.

Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het nemen van de memorie van grieven toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. Dit alles geldt ook in kort geding.

6.3.3.

In dit geval heeft de voorzieningenrechter op 27 mei 2016 bij – niet appellabele – beschikkingen aan Rabobank toestemming gegeven tot onderhandse verkoop van de woning en perceel [sectienummer] aan in die beschikkingen genoemde (rechts)personen, voor de in die beschikkingen genoemde koopprijzen (volgens de aan die beschikkingen gehechte goedgekeurde koopovereenkomsten).

Op 1 juni 2016 heeft [appellanten] Rabobank gedagvaard in hoger beroep (met verzoek om een spoedbehandeling), waarbij de grieven reeds in de appeldagvaarding waren opgenomen. Ter toelichting op zijn spoedverzoek heeft [appellanten] onder meer aangevoerd dat “het er naar uitziet dat geïntimeerden, met de inmiddels op 27 mei 2016 afgegeven beschikkingen (..) overgaan tot effectuering van de onderhandse verkoop (..)”. Op 2 juni 2016 heeft [appellanten] aan Rabobank meegedeeld dat hij hoger beroep had ingesteld van het kort gedingvonnis van (eveneens) 27 mei 2016 en Rabobank verzocht/gesommeerd de executie te staken.

Op 3 juni 2016 heeft [appellanten] (met een aan het hof gericht formulier H1) het hoger beroep aangebracht tegen de roldatum 14 juni 2016. Op 8 juni 2016 heeft Rabobank per H2-formulier gereageerd op het verzoek om spoedappel. Zij heeft daarbij aangegeven dat de woning en het perceel op 7 juni 2016 aan de kopers waren geleverd. Ter rolle van 14 juni 2016 is het spoedappel geweigerd omdat de onroerende zaak al was geleverd.

6.3.4.

Het hof is van oordeel dat de eiswijziging van [appellanten] tardief is en geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die eerst nà het uitbrengen appeldagvaarding bekend zijn geworden. Bij dit oordeel speelt mee dat het hier gaat om een kort geding. Het mocht van [appellanten] in deze omstandigheden wellicht zelfs verwacht worden dat hij reeds bij het opstellen van de appeldagvaarding/memorie van grieven rekening hield met de mogelijkheid dat Rabobank de onroerende zaken zou verkopen en leveren en dat hij hierop zou anticiperen door een voorwaardelijke vordering op te nemen waarmee deze mogelijke verkoop/levering zou worden bestreden (temeer nu hij blijkens zijn appeldagvaarding op 1 juni 2016 al met deze mogelijkheid rekening hield). In ieder geval echter had [appellanten] onmiddellijk nadat hem bleek dat Rabobank de onroerende zaken inderdaad had verkocht en geleverd, zijn eis alsnog kunnen wijzigen. Volgens de eigen stellingen van [appellanten] was hij op 8 juni 2016 bekend met de verkoop en levering. Nu de verkoop en levering plaats heeft gehad op 7 juni 2016, was een eiswijziging ter rolle van 14 juni 2016 nog mogelijk.

6.3.5.

Bovendien overweegt het hof dat het gewijzigd gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, nu vaststaat dat de woning en het perceel aan een derde geleverd zijn. Rabobank zou zonder medewerking van die derde niet aan het gevorderde kunnen voldoen. Deze derde is evenwel geen partij in de onderhavige procedure.

6.3.6.

Het hof zal daarom recht doen op de vordering, zoals deze in het petitum van de appeldagvaarding tevens houdende memorie van grieven staat weergegeven.

6.4.

Gegeven dit oordeel van het hof over de eiswijziging van [appellanten] , is zijn belang bij de onderhavige procedure in ieder geval gelegen in een oordeel van het hof over de door de voorzieningenrechter uitgesproken proceskostenveroordeling, zoals hij zelf ook aangeeft. Daarnaast stelt hij belang te hebben in een (voorlopig) oordeel van het hof over de vraag of hij al dan niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de bedrijfsfinanciering van Drycon (lening nr V). Daarnaast gaat [appellanten] uitvoerig in op gebeurtenissen die tot de onderhavige situatie hebben geleid en met name op de (hoofd)vraag of Rabobank gehouden was de executie op te schorten.

6.5.1.

Zoals reeds in het tussenarrest – ten overvloede – weergegeven, staat tegen de beschikkingen van 27 mei 2016 geen hoger beroep open. De verkoop en levering op 7 juni 2016 heeft (kennelijk) mede op grond van deze beschikkingen plaatsgevonden. Nu het hof ex nunc moet oordelen, dient reeds daarom het oordeel van de voorzieningenrechter om de executie niet te staken of op te schorten in stand te blijven, wat er ook zij van de gronden.

Bovendien heeft executie plaatsgevonden - en deze kan niet worden teruggedraaid - zodat de (oorspronkelijke primaire) vordering niet meer kan worden toegewezen.

6.5.2.

Het is evenwel vaste rechtspraak dat de proceskostenveroordeling in eerste instantie voldoende belang is om in hoger beroep te worden ontvangen (HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1272), zodat het hof hoe dan ook dient te onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen) (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661).

6.6.1.

In eerste aanleg heeft [appellanten] , kort gezegd, in kort geding gevorderd dat Rabobank wordt geboden de onderhandse executoriale verkoop van de woning en perceel [sectienummer] te staken c.q. te schorsen met veroordeling van Rabobank in de kosten van de procedure. Aan deze vordering heeft hij in de kern genomen ten grondslag gelegd dat Rabobank in redelijkheid niet tot parate executie kan overgaan.

6.6.2.

[appellanten] heeft daartoe aangevoerd dat de opzegging van de leningen I tot en met IV met onmiddellijke ingang per 28 februari 2014 rauwelijks is gedaan en onrechtmatig jegens [appellanten] . Op de leningen I, II en III bestaat geen achterstand. Ten aanzien van lening IV bestond hooguit een zeer geringe achterstand. Ten aanzien van lening V geldt dat de achterstand eerst op 14 februari 2014 is gecommuniceerd, gevolgd door een algehele opzegging van de kredietovereenkomst op 28 februari 2014. [appellanten] betwist dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor deze financiering die Rabobank verstrekte aan Drycon (die later failleerde). [appellanten] heeft slechts beoogd zekerheid te stellen - in de vorm van een persoonlijke borgstelling - voor een bedrag van € 30.000,00 (en dat wist Rabobank).

Zo er al een achterstand was, dan rechtvaardigde deze de opzegging niet. Rabobank maakt misbruik van haar executiebevoegdheid door voor dit paardenmiddel te kiezen en door een veel te laag bod op de woning van € 201.401,00 te accepteren, waardoor er voor [appellanten] nog steeds een aanzienlijke restschuld zal blijven bestaan.

6.6.3.

Rabobank heeft de stellingen van [appellanten] gemotiveerd weersproken.

6.7.1.

De financieringsovereenkomst van 26 februari 2009 vangt aan met de woorden:

“Financieringsvoorstel aan:

Debiteur/kredietnemer

Statutaire naam Drycon B.V. (..)

Naam [appellant 1] (..)

Naam [appellante 2] (..)

hierna (zowel samen als ieder afzonderlijk) te noemen: debiteur of kredietnemer (..)”.

Aan het eind van het financieringsvoorstel staan de handtekeningen van [appellant 1] en [appellante 2] als vertegenwoordigers van Drycon B.V. en vervolgens nogmaals namens zichzelf.

6.7.2.

Of de financieringsovereenkomst door [appellant 1] en [appellante 2] als hoofdelijk medeschuldenaar is aangegaan dan wel dat [appellant 1] en/of [appellante 2] zich slechts als borg heeft/hebben verbonden voor de schuld van Drycon B.V. is een kwestie van uitleg van de overeenkomst. Het komt hierbij aan op hetgeen partijen dienaangaande hebben verklaard (wat in het kader van een kort geding niet kan worden onderzocht omdat dit getuigenverhoren zou vergen) en op de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De bewoordingen van de financieringsovereenkomst zijn niet beslissend voor de vraag of een partij moet worden aangemerkt als borg of als (hoofdelijk) medeschuldenaar, maar of partijen in dit geding in hun onderlinge verhouding hebben beoogd dat [appellant 1] en [appellante 2] slechts partij waren bij de financieringsovereenkomst uit oogpunt van zekerheid ten behoeve van Rabobank, terwijl zij geen zelfstandige betalingsverplichting op zich namen.

Er is ongeacht de door partijen gebezigde bewoordingen reeds sprake van borgtocht als iemand zich verbindt de schuld van een ander te voldoen en hij zich bij de schuldeiser aandient als iemand die deze schuld in zijn verhouding tot de hoofdschuldenaar zelf niet aangaat. Voor de interpretatie van de overeenkomst kan wel van belang zijn, maar is niet beslissend, of het woord borg of borgtocht is gebruikt (Parl. Geschiedenis, Boek 7, p. 418).

6.7.3.

Uit het financieringsvoorstel blijkt dat de financiering was bedoeld voor de aankoop van een perceel industrieterrein en de bouw van een bedrijfspand voor Drycon B.V. en de bedrijfsuitoefening van Drycon B.V. Dit betekent dat [appellant 1] en [appellante 2] zich aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van een ander.

De vraag is vervolgens of [appellant 1] en [appellante 2] zich tegenover Rabobank hebben aangediend als een persoon/personen die zich aansprakelijk heeft/hebben gesteld voor de schuld van Drycon B.V.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat, hoewel tekst en opmaak van de overeenkomst niet beslissend zijn voor de interpretatie daarvan, deze daarvoor wel van belang kunnen zijn. Uit die tekst en opmaak van de financieringsovereenkomst lijkt te volgen dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant 1] en [appellante 2] naast Drycon B.V. hoofdelijk medeschuldenaar zijn voor de verstrekte financiering en niet dat beoogd is dat [appellant 1] en [appellante 2] hiervoor slechts zekerheid zouden verstrekken. Blijkens de aanhef is de overeenkomst immers aangegaan tussen Rabobank als schuldeiser enerzijds en [appellant 1] en [appellante 2] en Drycon B.V. als kredietnemer/debiteur anderzijds. In de overeenkomst is verder expliciet neergelegd dat de twee geldleningen en het krediet (hoofdelijk) zouden verstrekt aan de debiteur respectievelijk kredietnemer. De overeenkomst is bovendien tweemaal ondertekend door [appellant 1] en [appellante 2] : eenmaal als (wettelijk) vertegenwoordiger onder de voorgedrukte naam van de vennootschap Drycon B.V. en eenmaal onder de voorgedrukte namen [appellant 1] en [appellante 2] .

6.7.4.

Naar het oordeel van het hof heeft Rabobank, gezien de tekst en opmaak van de financieringsovereenkomst, vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant 1] en [appellante 2] als hoofdelijk medeschuldenaren zich aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van Drycon B.V. Dat, zoals [appellanten] stelt, slechts is beoogd dat van [appellant 1] en/of [appellante 2] persoonlijk borg zouden staan tot een bedrag van € 30.000,00, volgt in het geheel niet uit de financieringsovereenkomst. Ook uit de brief van de toenmalige accountant van [appellanten] , [toemalige accountant] , van 27 maart 2015, die [appellanten] bij het verkrijgen van de financiering heeft bijgestaan en bij besprekingen met Rabobank ter zake aanwezig was, blijkt niet dat over een borgstelling is gesproken.

Aan het door [appellanten] in hoger beroep gedaan bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Het kort geding leent zich niet voor nadere (tegen-)bewijslevering.

6.8.1.

Uitgangspunt van de wet is dat schuldenaren voor een gelijk deel verbonden zijn (artikel 6:6 lid 1 BW), tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling iets anders voortvloeit. In dit geval is in de overeenkomst bij de geldleningen van € 490.000,00 en € 630.000,00 en bij het krediet van € 80.000,00 steeds tussen haakjes vermeld dat deze hoofdelijk aan de debiteur/ kredietnemer worden verstrekt. Mogelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] de impact daarvan niet hebben doorzien, en meenden dat zij slechts met Drycon B.V. ieder voor een gelijk deel aangesproken konden worden. Nu een kort geding zich niet leent voor bewijsvoering, kan deze stelling van [appellanten] – ter ondersteuning waarvan [appellanten] geen relevante stellingen heeft ingenomen of feiten en omstandigheden heeft gesteld – voorlopig niet worden gevolgd. Bovendien, zelfs als deze veronderstelling voorshands zou worden aangenomen juist te zijn, doet dit voor deze beoordeling in dit kort geding evenwel niet ter zake, nu gesteld noch gebleken is dat [appellant 1] en/of [appellante 2] een derde deel per persoon hebben voldaan.

6.8.2.

[appellanten] heeft niet betwist dat de financiering nr. V op grond van artikel 16 van de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen (zie rov 3.1. onder i) als gevolg van het faillissement van Drycon B.V. onmiddellijk opeisbaar was op de datum van dat faillissement. Vast staat voorshands dat [appellant 1] en [appellante 2] ter zake hoofdelijk medeschuldenaar zijn. Rabobank heeft deze gelden in ieder geval per brief van 28 februari 2014 opgeëist per 28 augustus 2014. De slotsom hieruit is dat voorshands vaststaat dat [appellanten] vanaf 28 augustus 2014 in verzuim zijn met de nakoming van financiering nr. 5.

In verband met lening V had Rabobank van [appellant 1] en [appellante 2] , naar het voorlopig oordeel van het hof, hoofdelijk opeisbaar te vorderen ruim € 900.000,00 (of, zonder die hoofdelijkheid, van ieder van hen ruim € 300.000,00).

6.8.3.

Ten aanzien van financiering IV heeft het volgende te gelden. [appellanten] betwist weliswaar dat hij de emails uit 2013 (prod. 6 bij brief van mr. Laagland van 8 april 2016) heeft ontvangen, maar uit de door [appellanten] in het geding gebrachte brief van 14 februari 2014 (prod. 17 inleidende dagvaarding) die aan de opzeggingsbrief van 28 februari 2014 is voorafgegaan, blijkt dat er voorafgaand aan de brief van 14 februari 2014 diverse herinneringen en aanmaningen voor de achterstand terzake financiering IV zijn gestuurd en dat [appellanten] hieraan geen gehoor heeft gegeven. Rabobank heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellanten] ter zake financiering IV op 25 januari 2014 in verzuim verkeerde (zie e-mailbericht van 31 december 2014, waarin een redelijke termijn wordt gesteld).

6.8.4.

De achterstanden in financiering IV en V zijn tezamen – voorlopig oordelend – niet te kwalificeren als een gering verzuim. Rabobank heeft [appellanten] gesommeerd tot aanzuivering. Niet is betwist dat Rabobank [appellanten] ook na de opzegging van het krediet nog geruime tijd heeft gegund om het onderpand zelf te verkopen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Nu de door [appellanten] en/of Drycon B.V. verleende hypotheken, zo stelt Rabobank onbetwist, als bankhypotheken zijn te kwalificeren, is daarmee gegeven dat alle hypotheekrechten zijn gevestigd tot zekerheid van al hetgeen de bank van [appellanten] en/of Drycon B.V. te vorderen heeft. En nu voorshands moet worden aangenomen dat [appellanten] en/of Drycon B.V. in gebreke was met de nakoming van financiering IV en V, is daarmee gegeven dat Rabobank (na voldoening aan alle formaliteiten, waaraan zij, zo staat voorshands vast, heeft voldaan) als hypotheekhouder op grond van artikel 3:268 lid 1 BW de bevoegdheid had om de woning en perceel [sectienummer] executoriaal te verkopen.

6.8.5.

De uitoefening van een bevoegdheid, ook de bevoegdheid om tot executoriale verkoop over te gaan, wordt begrensd door het leerstuk van misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Hierbij moet aansluiting worden gezocht bij de vereisten die gelden voor een geslaagd beroep op misbruik van beslag- en executierecht. Aangenomen moet worden dat slechts onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van de bevoegdheid van de hypotheekhouder om tot parate executie over te gaan. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen indien de hypotheekhouder geen redelijk te respecteren belang heeft bij de parate executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de schuldenaar een noodsituatie zou ontstaan. Of Rabobank jegens [appellanten] , gelet op de hoogte van de betalingsachterstand en de restschuld, voldoende coulance in acht heeft genomen, is niet de norm waaraan getoetst dient te worden doch slechts een omstandigheid die moet worden meewogen bij de belangenafweging die binnen het hiervoor geschetste toetsingskader dient plaats te vinden.

6.8.6.

Het belangrijkste nog te bespreken punt van [appellanten] in dit verband is, dat hij stelt dat Rabobank de woning voor een te laag bedrag heeft verkocht. [appellanten] wijst daarbij onder meer op een taxatierapport uit 2016 (marktwaarde € 300.000). Rabobank heeft op haar beurt een aangepast taxatierapport uit 2016 overgelegd, dat uitgaat van een marktwaarde van

€ 280.000,00 en een executiewaarde van € 185.000,00. De stelling van [appellanten] dat het pand een marktwaarde van € 360.000,00/€ 390.000,00 heeft, wordt door geen van deze beide rapporten gesteund. [appellanten] ziet er bovendien aan voorbij dat het hier gaat om een (onderhandse) executie, zodat het niet gaat om de marktwaarde bij vrije verkoop. Rabobank mocht, voorshands geoordeeld, een koopprijs van € 201.401,00 voor de woning accepteren.

Het feit dat [appellanten] vervolgens bij executoriale verkoop van de woning en perceel [sectienummer] met een grote restschuld achter is gebleven, maakt niet dat er sprake was van een zodanige onevenredigheid tussen het belang van Rabobank bij uitoefening van haar recht van executie en het belang van [appellanten] dat daardoor werd geschaad, dat Rabobank in redelijkheid niet tot uitoefening van haar recht van parate executie kon overgaan.

6.8.7.

Van een zodanige noodtoestand aan de zijde van [appellanten] dat Rabobank in redelijkheid niet tot executie kon overgaan, is voorts geen sprake. Ook om deze reden dient het vonnis van de voorzieningenrechter, inclusief de uitgesproken proceskostenveroordeling, in stand te blijven.

6.9

De slotsom is dat alle grieven falen en dat het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellanten] als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 27 mei 2016 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, gewezen vonnis;

veroordeelt [appellant 1] en [appellante 2] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 718,00 aan verschotten en € 1.340,00 aan salaris advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, H.A.G. Fikkers en S. Riemens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 december 2016.

griffier rolraadsheer