Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5397

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
200 137 976_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:4825
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1779
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3777
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geldleningsovereenkomst of investeringsovereenkomst.

Beleggen in vakantiepark

Boete opeisbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.137.976/01

arrest van 6 december 2016

in de zaak van

[Investments] Investments B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen,

tegen

[Recycling en Beheer] Recycling en Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 30 augustus 2016 in het op het bij exploot van dagvaarding van 23 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 14 augustus 2013 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde en geïntimeerde - [geïntimeerde] B.V.- als eiseres. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten

9 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd arrest van 30 augustus 2016;

- het rolbericht van [geïntimeerde] B.V. d.d. 27 september 2016.

[geïntimeerde] B.V. heeft arrest verzocht, waarna is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

10 De beoordeling

10.1

In voornoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] B.V. toegelaten om te bewijzen dat [appellante] in of omstreeks juli 2011 geen pandrecht heeft willen geven aan [geïntimeerde] B.V. op alle door [appellante] gehouden aandelen [appellante] HK, waarbij het een “kaal” pandrecht betrof zoals nader omschreven in het probandum.

[geïntimeerde] B.V. heeft bij voornoemd rolbericht van 27 september 2016 meegedeeld af te zien van bewijslevering, en heeft in die akte tevens om arrest gevraagd. Dit betekent dat [geïntimeerde] B.V. geen bewijs heeft voorgebracht zodat, zoals het hof in het tussenarrest van 30 augustus 2016 heeft geoordeeld, de door [geïntimeerde] B.V. gevorderde boete moet worden afgewezen. Voor zover de grieven van [appellante] dan ook inhouden dat zij geen boete is verschuldigd, slagen zij. Hiermee zijn de grieven 3, 4 tot en met 6 en 9 tot en met 21, die in het tussenarrest van 30 augustus 2016 in rov. 7.6 zijn samengevat onder de letters a tot en met e, beoordeeld.

10.2

In het tussenarrest van 30 augustus zijn ook reeds beoordeeld en verworpen de grieven 1, 2, 7 en 8 (rov. 7.5) en 26 (rov. 7.11). Resteren de grieven 22 tot en met 25 en 27 en 28.

De grieven 22, 23 en 24 van [appellante] hebben betrekking op de boete. Nu hiervoor is geoordeeld dat deze niet is verschuldigd, behoeven deze grieven verder geen inhoudelijke beoordeling meer.

10.3

In grief 27 klaagt [appellante] erover dat de rechtbank haar bewijsaanbod om brieven van Norton Rose in het geding te brengen heeft gepasseerd. De grief faalt. Het is aan de betreffende procespartij om correspondentie waarover zij beschikt en waarvan zij denkt dat deze relevant is bij de beoordeling van de zaak, uit zich zelf in het geding te brengen. De rechter behoeft partijen daartoe niet in de gelegenheid te stellen (vergelijk HR 9 mrt 2012, ljn BU9204/NJ 2012, 174), noch hoeft de rechter te responderen op een aanbod om dergelijke brieven in het geding te brengen. Voor zover [appellante] nog steeds van mening is dat deze correspondentie van belang is, had zij deze bij memorie van grieven in het geding moeten brengen.

10.4

Met grief 28 voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte een einde heeft gemaakt aan de voeging van zaak I en zaak II door in zaak I een eindvonnis te wijzen en in zaak II een tussenvonnis. Zonder voldoende concrete onderbouwing, die ontbreekt, is niet duidelijk dat het thans bestreden vonnis moet worden vernietigd indien deze grief slaagt, zodat de grief geen verdere beoordeling behoeft.

10.5

Uit het vorenstaande blijkt dat [appellante] niet moet worden veroordeeld om aan [geïntimeerde] B.V. € 800.000,- te betalen, maar € 500.000,-. Daarmee heeft zij nog steeds te gelden als overwegend in het ongelijk gesteld, zodat zij in eerste aanleg terecht is veroordeeld in de proceskosten, zodat grief 25 faalt. Hiermee zijn alle grieven van [appellante] beoordeeld.

De conclusie is dat aan hoofdsom moet worden toegewezen € 500.000,- en dat de door [geïntimeerde] B.V. gevorderde boete moet worden afgewezen. Gelet daarop zijn in dit hoger beroep partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Het hof zal de kosten van dit hoger beroep daarom compenseren.

11 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 14 augustus 2013 gewezen vonnis doch enkel voor zover daarin [appellante] is veroordeeld om aan [geïntimeerde] B.V. te betalen € 800.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 juli 2011 tot aan de dag van betaling, en doet wat dat betreft opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] B.V. van € 500.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 juli 2011 tot aan de dag van betaling;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 december 2016.

griffier rolraadsheer