Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5387

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
200.193.460/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4070
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest (na tussenarrest) inhoudende bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu saniet gedurende het verloop van de reeds verlengde schuldsaneringsregeling ex artikel 350 sub d Fw nieuwe bovenmatige schulden heeft doen of laten ontstaan.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 1 december 2016

Zaaknummer : 200.193.460/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/11.150 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Utrecht.

als vervolg op het door dit hof op 8 september 2016 gewezen tussenarrest.

5 Het tussenarrest van 8 september 2016

Bij dit arrest heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen om, uiterlijk op de in het dictum van dit tussenarrest vermelde pro-forma datum, alsnog verificatoire bescheiden te overleggen waaruit het hof de exacte ontstaansdata van de door de bewindvoerder gestelde nieuwe schulden genoegzaam kan herleiden.

6 De verdere loop van de procedure

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de op 28 september 2016 door dit hof ontvangen brief met bijlagen van de bewindvoerder, inhoudende een tweetal door de Belastingdienst opgestelde en aan de bewindvoerder verzonden schuldenoverzichten d.d. 26 februari 2016 respectievelijk 4 april 2016 alsmede een drietal door PRC Gerechtsdeurwaarders & Incasso opgestelde en aan de bewindvoerder verzonden schuldenoverzichten d.d. 23 februari 2015, 21 april 2015 respectievelijk 25 maart 2016.

7 De beoordeling

7.1.

Uit voornoemde bescheiden maakt het hof op dat de bewindvoerder, zoals ook door haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is verklaard, door de Belastingdienst eerst eind februari en begin april 2016 op de hoogte is gesteld van de op dat moment (nog) bestaande fiscale schuldenlast van [appellante] . Tevens maakt het hof uit voornoemde bescheiden op dat de bewindvoerder eerst eind maart 2016 het meest recente schuldenoverzicht heeft ontvangen van PRC Gerechtsdeurwaarders & Incasso aangaande de schuld van [appellante] aan CZ. Het hof is nog altijd van oordeel dat de bewindvoerder geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het bestaan en de omvang van de schulden eerst kort voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [appellante] aan laatstgenoemde kenbaar heeft kunnen maken. omdat van [appellante] in het kader van haar schuldsaneringsregeling naar het oordeel van het hof verwacht had mogen worden dat zij, nu de betreffende schulden immers met name zien op niet betaalde facturen, bekend was met het bestaan van deze schulden en daarbij had dienen te onderkennen dat deze schulden op enig moment bij haar bewindvoerder bekend zouden raken. Bovendien geldt dat op [appellante] in het kader van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht, met welke verplichting zij bekend is of geacht wordt bekend te zijn, de verplichting rustte om de bewindvoerder uit eigen beweging te informeren omtrent het onbetaald laten van de aan onderhavige schulden ten grondslag liggende facturen.

7.2.

Voorts maakt het hof uit voornoemde bescheiden op dat de betreffende schulden voor een substantieel deel reeds bestonden voor 3 maart 2014, de in het verlengingsvonnis van 8 oktober 2012 genoemde datum waarop alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen met uitzondering van het inlopen van de boedelachterstand voor [appellante] zouden vervallen. Zo bestaat de belastingschuld van [appellante] voor het overgrote deel, namelijk ongeveer, 84%, uit niet betaalde aanslagen uit hoofde van de motorrijtuigen- en inkomstenbelasting over het jaar 2013. Voor de schuld aan CZ geldt dat het gedeelte van deze schuld dat door de met de incasso hiervan belaste gerechtsdeurwaarder is geadministreerd onder dossiernummer [dossiernummer] , op 25 maart 2016 bedragende € 273,18 PM, bestaat uit het niet betaalde eigen risico over de maanden september en november 2013.

7.3.

Op grond van het vorengaande acht het hof deze bovenmatige nieuwe schulden (tot een totaal bedrag van € 3.478,18) [appellante] ex artikel 350 aanhef en sub d Fw dan ook ten volle toerekenbaar, tevens nu [appellante] bekend is of geacht wordt bekend te zijn met de omstandigheid dat tijdens een wettelijke schuldsanering geen bovenmatige nieuwe schulden mogen worden gemaakt. Het hof ziet daarbij voorts, mede gelet op de omstandigheid dat de duur van de schuldsaneringsregeling reeds maximaal verlengd is, geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.

7.4.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.