Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
200.187.455/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie en zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.187.455/01

zaaknummer rechtbank : C/03/206542 / FA RK 15-1728

beschikking van de meervoudige kamer van 1 december 2016

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg (Limburg),

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. van Coolwijk te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 16 december 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 14 maart 2016 in hoger beroep gekomen van de genoemde beschikking van 16 december 2015.

2.2.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 22 april 2016, ingekomen op 22 april 2016;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 7 oktober 2016 met bijlagen, ingekomen op 7 oktober 2016;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 oktober 2016 met bijlagen, ingekomen op 13 oktober 2016;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 oktober 2016 met als bijlage het procesdossier eerste aanleg, ingekomen op 18 oktober 2016.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Voor de kwesties betreffende het ouderlijk gezag en de zorgregeling is de Raad voor de Kinderbescherming verschenen (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben tot augustus 2013 een relatie met elkaar gehad.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 (hierna: [minderjarige] ).

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

  • -

    dat de man voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag zal uitoefenen over [minderjarige] ;

  • -

    dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijft:

o eenmaal in de veertien dagen vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag 18.30 uur;

o tijdens de zomervakantie gedurende drie weken in de bouwvakantie;

o tijdens de kerstvakantie in de even jaren vanaf Tweede Kerstdag 12.00 uur tot Nieuwjaarsdag 12.00 uur, en tijdens de oneven jaren omgekeerd;

o tijdens de meivakantie in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;

o in de herfstvakantie.

- dat de man als de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw dient te betalen:

o met ingang van 26 mei 2015 tot 1 januari 2016: € 142,= per maand;

o met ingang van 1 januari 2016: € 116,= per maand.

4.2.

De vrouw heeft het hof verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man tot het verkrijgen van gezamenlijk ouderlijk af te wijzen en het verzoek van de man met betrekking tot de contactregeling tussen hem en [minderjarige] af te wijzen en de contactregeling vast te stellen zoals de vrouw concreet in haar beroepschrift heeft geformuleerd. Subsidiair, zo begrijpt het hof, verzoekt zij een raadsonderzoek te gelasten naar de kwestie van het gezag.

Tevens heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen om ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan haar te betalen een bedrag van € 400,= per maand met ingang van januari 2014, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

4.3.

De man heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.

4.4.1.

Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen het hof meegedeeld dat zij algehele overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen verdeeld houdt en dat de bestreden beschikking op het onderdeel van de kinderalimentatie en de zorgregeling dient te worden vernietigd.

4.4.2.

Partijen hebben onder meer met elkaar afgesproken dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] dient te worden gehandhaafd, dat de kinderalimentatie voor het eerst dient te worden vastgesteld op € 50,= per maand en wel met ingang van 1 november 2016.

Tevens hebben zij overeenstemming bereikt over de zorgregeling in de zomervakantie inhoudende dat [minderjarige] gedurende de laatste twee weken van de bouwvakvakantie (en de laatste drie weekenden waar partijen onder verstaan het weekend voorafgaand aan de vakantie, het weekend tijdens de vakantie en het weekend na de vakantie) bij de man verblijft alsmede gedurende een extra periode van contact waarvan partijen in onderling overleg de duur, data en tijdstippen bepalen.

4.4.3.

Partijen hebben het hof ter zitting een door hen beiden geparafeerd “convenant tevens vaststellingsovereenkomst” overgelegd waarin zij hun afspraken hebben vastgelegd. Voor zover deze afspraken zien op de kwesties van het ouderlijk gezag, de zorgregeling en de kinderalimentatie zal het hof deze vastleggen in het dictum.

Het hof begrijpt dat partijen eveneens overeenstemming hebben bereikt over de kwestie van de verdeling, welke kwestie binnen deze procedure niet ter beoordeling aan het hof voorligt. Wat partijen overigens zijn overeengekomen bindt hen wel, maar leent zich niet voor vastlegging in het dictum van deze beschikking.

4.5.

Beslist dient te worden als volgt.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de gehele zorgregeling vernietigen en opnieuw vaststellen.

5 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 16 december 2015, voor zover het de kinderalimentatie en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2008) € 50,= per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man verblijft op de wijze zoals overeengekomen in het “convenant tevens vaststellingsovereenkomst” dat aan het hof is overhandigd ter zitting van 25 oktober 2016, waarvan een afschrift aan deze beschikking wordt gehecht;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover daarbij aan partijen gezamenlijk gezag is toegekend over de minderjarige [minderjarige] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt, bijgestaan door mr. Van der Horst als griffier, en is op 1 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.