Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/01215
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6259, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de aanslag IB/PVV 2011. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof vernietigt tevens de tweede uitspraak op bezwaar en oordeelt dat het beroep in 1e aanleg niet-ontvankelijk was. Er is geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/587
V-N 2017/17.22.3
FutD 2017-0685
NTFRB 2017/35 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
NTFR 2017/772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01215

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 september 2015, nummer AWB 15/3515 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.464, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van 14 oktober 2014 van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Het door belanghebbende op 2 januari 2015 ingediende bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding in een uitspraak van 14 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek om ambtshalve te verlenen vermindering afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is van deze (tweede) uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve te verlenen vermindering.

1.5.

Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 september 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer [A] en de heer [B] .

1.7.

Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 14 juli 2016, met nummer BK-SHE 15/01215, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Op 2 augustus 2016 is deze aangetekend verstuurde uitnodiging retour ontvangen door het Hof. Het is de griffier gebleken dat de geadresseerde op 14 juli 2016 in de basisregistratie personen op het op de aangetekend verstuurde uitnodiging vermelde adres stond ingeschreven. De griffier heeft, op basis van het bepaalde in artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de uitnodiging op 2 augustus 2016 opnieuw per gewone post verzonden naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn derhalve correct opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.478. In dit belastbaar inkomen is begrepen een resultaat uit overige werkzaamheden van negatief € 5.986.

2.2.

Bij brief van 18 december 2013 heeft de Inspecteur zijn voornemen bekend gemaakt om van de ingediende aangifte IB/PVV 2011 af te wijken.

2.3.

Bij brief van 15 januari 2014, ontvangen door de Inspecteur op 22 januari 2014, heeft belanghebbende te kennen gegeven het niet eens te zijn met het voornemen van de Inspecteur.

2.4.

De aanslag IB/PVV 2011 is, conform voormeld voornemen van de Inspecteur, met dagtekening 14 februari 2014 aan belanghebbende opgelegd.

2.5.

Bij brief van 24 juli 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld de onder 2.3 bedoelde brief als een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2011 aan te merken, en dat hij voornemens is de aanslag IB/PVV 2011 te handhaven. Voorts is belanghebbende in de gelegenheid gesteld vóór 27 augustus 2014 te reageren op dit voornemen en is belanghebbende uitgenodigd om aan te geven of hij gehoord wil worden.

2.6.

De Inspecteur heeft op 14 oktober 2014 uitspraak op bezwaar gedaan. Hierbij is de aanslag IB/PVV 2011 gehandhaafd.

2.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 2 januari 2015, ontvangen door de Inspecteur op 8 januari 2015, (wederom) bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2011.

2.8.

De Inspecteur heeft bij (tweede) uitspraak op bezwaar van 14 april 2015 het bezwaar van 2 januari 2015 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

  2. Is de aanslag IB/PVV 2011 naar het juiste belastbare inkomen uit werk en woning opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.478. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Het Hof stelt voorop dat met het doen van de uitspraak op bezwaar op 14 oktober 2014 de Inspecteur de bezwaarfase heeft beëindigd. De uitspraak op bezwaar ligt daardoor onherroepelijk vast, wat er zij van de bedoelingen die belanghebbende heeft gehad met zijn brief van 15 januari 2014.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie kan niet tweemaal uitspraak op bezwaar worden gedaan (vgl. Hoge Raad 20 januari 2012, nr. 10/02678, ECLI:NL:HR:2012:BT1516). De tweede uitspraak op bezwaar van 14 april 2015 is dan ook ten onrechte gedaan. Het Hof zal, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, deze vernietigen. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond.

De ontvankelijkheid

4.3.

Belanghebbende stelt in hoger beroep zich niet te kunnen verenigen met het oordeel van de Rechtbank, dat het beroep van belanghebbende ongegrond is voor zover het is gericht tegen ‘de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift’. Het Hof verstaat de stelling van belanghebbende aldus dat belanghebbende met de woorden ‘het bezwaarschrift’ doelt op belanghebbendes bezwaarschrift van 2 januari 2015.

4.4.

Gezien het voorgaande is het Hof van oordeel dat de brief van belanghebbende van 2 januari 2015 als beroepschrift kwalificeert, welke is gericht tegen de op 14 oktober 2014 gedateerde uitspraak op bezwaar. Nu dit beroepschrift is ingekomen buiten de termijn genoemd in artikel 6:7 van de Awb is het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk, tenzij er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding; artikel 6:11 van de Awb).

4.5.

Belanghebbende stelt dat er bij hem verwarring en/of onduidelijkheid is ontstaan, met name doordat de Inspecteur:

- bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2011 voorbij is gegaan aan de brief van belanghebbende van 15 januari 2014;

- in zijn brief van 24 juli 2014 mee heeft gedeeld dat hij de brief van belanghebbende van 15 januari 2014 als een prematuur ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2011 heeft aangemerkt en in behandeling heeft genomen;

- op 24 juli 2014 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en op 14 oktober 2014 nogmaals uitspraak op hetzelfde bezwaar heeft gedaan.

4.6.

Genoemde verwarring en/of onduidelijkheid heeft, zo verstaat het Hof de stelling van belanghebbende, ertoe geleid dat belanghebbende pas op 2 januari 2015 beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 14 oktober 2014 en naar de mening van belanghebbende is er daarom sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.7.

De brief van de Inspecteur van 14 oktober 2014 kon, gezien de vorm en inhoud ervan, naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet anders dan als uitspraak op belanghebbendes bezwaar worden aangemerkt en was voorts voorzien van een juiste en volledige rechtsmiddelverwijzing. Het Hof is van oordeel dat, indien en voor zover er bij belanghebbende verwarring en/of onduidelijkheid is ontstaan, deze verwarring en/of onduidelijkheid voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.

4.8.

Het Hof weegt in zijn oordeel mee dat belanghebbende gedurende het gehele proces van aanslagregeling, bezwaar en beroep is bijgestaan door een professioneel opererend gemachtigde en van een dergelijke gemachtigde kan redelijkerwijs worden aangenomen dat hij op de hoogte is van de verplichting om tijdig beroep aan te tekenen tegen de uitspraak op bezwaar. Deze wetenschap dient aan belanghebbende toegerekend te worden (vgl. Hoge Raad 5 december 2014, nummer 13/05778, ECLI:NL:HR:2014:3441).

4.9.

Gelet op de feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.10.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2014 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.11.

Nu belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn beroep in eerste aanleg, komt het Hof aan een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de aanslag IB/PVV 2011 niet toe.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2014.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd uitsluitend op een door het Hof ambtshalve bijgebrachte grond en niet op door belanghebbende in zijn hoger beroep aangevoerde gronden, is het Hof van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door belanghebbende betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 19 juni 2014, nummer AWB-13-00895, ECLI:NL:GHSHE:2014:1820).

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punt) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 496.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de tweede uitspraak op bezwaar van 14 april 2015;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep van 2 januari 2015 niet-ontvankelijk; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 496.

Aldus gedaan op 1 december 2016 door M. Harthoorn, voorzitter, P. Fortuin en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.