Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5362

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
200.200.322/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw zijn en ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenaren de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen (kunnen) nakomen en zich zullen (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarbij is het beroep van schuldenaren op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 24 november 2016

Zaaknummer : 200.200.322/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/221433 / FT RK 16/683 en C/03/221436 / FT RK 16/684

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1]

en

[appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2] ,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 september 2016, hebben [appellant 1] en [appellante 2] , die met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, alsnog rechtdoende, te bepalen dat beide verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2016. Bij die gelegenheid zijn [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Hendriks, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 september 2016;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 21 september 2016 en 10 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant 1] en [appellante 2] hebben de rechtbank ieder voor zich verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant 1] en [appellante 2] blijkt een totale schuldenlast van € 11.318,24. Daaronder bevindt zich een schuld aan de Belastingdienst afdeling LIC van € 6.092,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat [appellant 1] en [appellante 2] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Beide verzoekers hebben psychische problemen en zijn daarvoor al jarenlang onder behandeling. De verzoekster is recentelijk, 5 weken voorafgaand aan de zitting, opgenomen op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis te [vestigingsplaats] . Zij weet niet hoe lang de behandeling gaat duren. De verzoeker is in behandeling bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Alhoewel hij ter zitting heeft verklaard dat hij zijn psychische problemen onder

controle heeft, heeft hij tevens verklaard meer slechte dan goede dagen te hebben en niet in staat te zijn om aan de sollicitatie- en arbeidsplicht te voldoen. De verzoekers hebben een brief van het Zuyderland Medisch Centrum van 8 augustus 2016 overgelegd. Uit de brief blijkt dat de verzoekster is opgenomen en dat samen met de verzoeker gesprekken plaatsvinden waarin ziekte en relatie centraal staan en dat nog niet is aan te geven welk vervolgtraject aan verzoekster zal worden aangeboden. Uit deze brief blijkt echter geenszins dat de problemen beheersbaar zijn en dat de verzoekers in staat zullen zijn om zich aan de regels van de schuldsanering te houden.”

(…)

“De totale schuldenlast bedraagt € 11.318,24. Meer dan de helft van deze schuldenlast ziet op een vordering van de belastingdienst van € 6.092,00, uit 2012 en betreft terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. De verzoekers hebben vanaf januari 2009 tot augustus 2012 een eigen zaak gehad in de vorm van een vennootschap onder firma. De belastingaangifte zou door de vader van de verzoeker gedaan zijn. De verzoekers hebben ter zitting verklaard dat zij wel één en ander nakeken als er aangifte gedaan moest worden, maar dat zij geen verstand hadden van financiële zaken. Voorts ontbreken jaarstukken en zijn alleen over het jaar 2011 financiële stukken overgelegd. De overige stukken zouden als gevolg van waterschade verloren zijn gegaan. Ook voor wat betreft de afwikkeling van deze vennootschap onder firma zijn geen schriftelijke stukken overgelegd. De verzoekers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan van hun schulden te goeder trouw zijn geweest.”

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan ieder voor zich in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant 1] en [appellante 2] zijn van mening dat hun psychosociale problemen inmiddels als beheersbaar kunnen worden aangemerkt. Het is weliswaar juist dat [appellante 2] recentelijk, een aantal weken voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg, opgenomen is geweest op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis te Heerlen, maar zij is inmiddels ontslagen en geeft aan dat het best wel goed met haar gaat. Zij heeft veel angsten overwonnen, gaat naar buiten en begeeft zich onder de mensen. [appellante 2] staat inmiddels positief in het leven en ziet haar toekomst met vertrouwen tegemoet. Thans is zij bezig met een vervolgtraject, waartoe een dagbesteding behoort in het ziekenhuis te [vestigingsplaats] . [appellante 2] heeft in het verleden gewerkt bij Meacon in het kader van een indicatiestelling en zij streeft ernaar dat zij soortgelijke werkzaamheden in de toekomst kan oppakken.

[appellant 1] is in behandeling bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Het is juist dat hij ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij zijn psychische problemen onder controle heeft, doch hij betwist ter zitting te hebben gezegd dat hij meer slechte dan goede dagen heeft. [appellant 1] geeft aan dat hij wel heeft gezegd dat hij wel eens een slechte dag heeft, maar dat zijn er niet meer dan goede. [appellant 1] geeft ook aan dat hij inmiddels meer rust kent in zijn leven en dat hij zich iedere dag alleen maar beter voelt. Hij geeft verder aan dat de gemeente en zijn dokters dit ook weten. [appellant 1] heeft in het verleden verschillende werkkringen gekend en hij geeft aan dat hij er alle vertrouwen in heeft dat hij in staat zal zijn werkzaamheden op te pakken.

Met betrekking tot de schulden die zien op de terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget overweegt de rechtbank dat deze schulden naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan. [appellant 1] en [appellante 2] geven aan zich met deze overweging niet te kunnen verenigen. Zij zijn met deze vordering geconfronteerd omdat zij ten onrechte toeslagen en KGB hebben genoten zonder dat zij zich hiervan bewust waren. [appellant 1] en [appellante 2] hebben destijds met behoud van een uitkering een onderneming gedreven. Zij hebben toen tevens aanspraak gemaakt op toeslagen en KGB, waarbij zij in de veronderstelling verkeerden dat zij hierop aanspraak maakten gelet op de zeer minimale marges die binnen de onderneming werden behaald. Achteraf is gebleken dat uit de onderneming een klein surplus aan winst werd genoten op grond waarvan achteraf de toeslagen en KGB zijn teruggevorderd. Derhalve zijn [appellant 1] en [appellante 2] van mening dat er geen sprake is geweest van een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan.

Voorts heeft te gelden dat - in ieder geval vanaf het moment zij zich tot de Kredietbank hebben gewend - de financiële positie van [appellant 1] en [appellante 2] beheersbaar is en er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Ten aanzien van de ontbrekende onderliggende stukken, voeren [appellant 1] en [appellante 2] aan dat zij in een overmacht situatie verkeren ten aanzien van het ontbreken van de onderliggende financiële stukken van de V.O.F. Deze stukken zijn verloren geraakt door waterschade. [appellant 1] en [appellante 2] geven aan dat zij een verklaring hebben overgelegd waaruit dit blijkt. Op basis hiervan zijn zij van oordeel dat niet zonder meer kan worden aangenomen als zouden zij niet te goeder trouw zijn geweest. Tot slot doen [appellant 1] en [appellante 2] een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant 1] en [appellante 2] geven aan dat zij inmiddels een jaar door de Gemeentelijke Kredietbank worden begeleid, maar dat er geen sprake is van bewind. Voorts merken zij op dat zij beiden, vanwege hun psychosociale problematiek, in het kader van hun uitkering tot 1 oktober 2017 een vrijstelling van de daaraan in beginsel verbonden sollicitatie- en arbeidsverplichting hebben. Thans werken zij ook niet maar zij zijn voornemens om, in samenspraak met de gemeente, op korte termijn een aanvang te maken met het verrichten van vrijwilligerswerk. Tot slot merken [appellant 1] en [appellante 2] op dat zij op hun belastingschuld aan het aflossen zijn met een bedrag van € 300,00 per maand en dat de schuld aan HEEMwonen inmiddels geheel zou zijn ingelopen.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Uit de door [appellant 1] en [appellante 2] overgelegde gezamenlijk verklaring ex artikel 285 Fw blijkt dat er sprake is van een aanzienlijk belastingschuld welke ruim de helft van de totale schuldenlast bedraagt en daardoor als substantieel kan worden aangemerkt. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Dat, zoals door [appellant 1] en [appellante 2] wordt gesteld, niet zijzelf maar een hiertoe door hen ingeschakelde derde belast zou zijn geweest voor het verrichten van de (zakelijke) belastingaangiften en derhalve (mede) verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van de belastingschulden doet hier niets aan af. [appellant 1] en [appellante 2] blijven als belastingplichtigen zelf (eind)verantwoordelijk voor het verrichten van juiste, tijdige en volledige belastingaangiften alsmede voor het juist, tijdig en volledig informeren van de Belastingdienst. Dit vormt reeds voldoende grond om thans de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] af te wijzen op de voet van artikel 288 lid 1 sub b Fw.

3.6.3.

Daarbij komt dan verder nog dat, nu [appellant 1] en [appellante 2] verzuimd hebben om, met uitzondering van het boekjaar 2011, ex artikel 5.4.4. van het Procesreglement verzoekschriften insolventiezaken rechtbanken de jaarstukken met betrekking tot de voorheen, blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel tot 2 augustus 2012 door hen gedreven onderneming te overleggen, waardoor geen, of althans onvoldoende inzicht is gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het hof kan immers niet nagaan welke lasten zijn betaald en waaraan de omzet is besteed. Dat de ontbrekende jaarstukken, zoals door [appellant 1] en [appellante 2] wordt gesteld, niet voorhanden zijn omdat zij ten gevolge van waterschade verloren zouden zijn gegaan en door hun accountant digitaal zouden zijn opgeslagen in een systeem waarvan voornoemde accountant inmiddels geen gebruik meer maakt zodat het genereren van deze jaarstukken een heropstart van het oude systeem zou betekenen waartoe voornoemde accountant volgens [appellant 1] en [appellante 2] niet bereid zou zijn, maakt dit naar het oordeel van het hof geenszins anders. Daargelaten dat, zo de accountant dit zou hebben verklaard, [appellant 1] en [appellante 2] een andere accountant hadden kunnen benaderen waarvan evenwel niet is gebleken, wijst het hof hierbij nadrukkelijk op Boek 3 artikel 15i waarin is bepaald dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent verplicht is van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Hieraan is door [appellant 1] en [appellante 2] niet althans onvoldoende voldaan.

3.6.4.

Daarbij komt ook nog dat ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Het hof is van oordeel dat de psychosociale problematiek van [appellante 2] vooralsnog niet als (enige tijd) beheersbaar kan worden beschouwd nu zij zeer recent, namelijk een aantal weken voorafgaand aan de toelatingszitting van 2 september 2016, nog opgenomen is geweest op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis te Heerlen. Ook [appellant 1] staat vanwege zijn psychosociale problematiek nog immer onder begeleiding van de praktijkondersteuner van zijn huisarts. Bovendien is van [appellant 1] noch van [appellante 2] enige verklaring als bedoeld in artikel 5.4.3. van het toepasselijk procesreglement voorhanden waaruit door dit hof zou kunnen worden opgemaakt dat de psychosociale problemen duurzaam beheersbaar zijn.

3.6.5.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant 1] en [appellante 2] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen nu zij onvoldoende, feitelijk in het geheel niet, inzichtelijk hebben weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden zij thans onder controle hebben gekregen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben immers in hun beroepschrift noch bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven welke omstandigheden het hier naar hun inschatting zou (kunnen) betreffen en wat het eventuele causale verband tussen deze vermeende omstandigheden en het ontstaan van hun schuldenlast zou zijn geweest.

Indien en voor zover als oorzaak van het ontstaan van de schulden bedoeld zijn de psychische omstandigheden van hen beiden, verwijst het hof naar hetgeen onder 3.6.4 door het hof is overwogen, te weten dat naar het oordeel van het hof de psychosociale problemen van [appellant 1] en [appellante 2] nog onvoldoende onder controle worden geacht.

3.6.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant 1] en [appellante 2] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.