Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5324

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
20-001275-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag op vriend. Het alternatieve scenario dat door verdachte is geschetst, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, conform het vonnis van de eerste rechter en de eis van de advocaat-generaal.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 36f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001275-15

Uitspraak : 30 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-879922-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Door en namens verdachte is betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd uit efficiency en in verband met de leesbaarheid.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 09 juli 2014 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 09 juli 2014 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat het feit niet overtuigend is bewezen. De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst inhoudende dat niet zij, maar [getuige 1] het slachtoffer heeft gestoken. [getuige 1] heeft heel lang gewacht voordat hij hulp heeft ingeroepen en hij kan die bijzondere omstandigheid niet goed verklaren. De raadsman acht het niet ondenkbaar dat zijn cliëntë zich, ruim een jaar na het voorval in de tijdsaanduiding heeft vergist. De door [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen acht de raadsman onbetrouwbaar en hij is van mening dat deze verklaringen niet voor het bewijs dienen te worden gebruikt. De raadsman is ten slotte van mening dat het DNA spoor van verdachte dat op het mes is aangetroffen niet tot het bewijs gebezigd mag worden omdat op het mes ook een DNA spoor van [getuige 1] is aangetroffen terwijl verdachte wel vaker bij [getuige 1] kwam en aldaar boterhammen met een mes heeft gesmeerd.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de verdachte zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd die variëren van een bekennende verklaring en een verklaring waarbij zij het slachtoffer [slachtoffer] , verder te noemen [slachtoffer] , uit noodweer heeft gestoken tot een verklaring waarbij niet zijzelf, maar [getuige 1] die [slachtoffer] heeft gestoken en verdachte het mes niet eens heeft vastgehad. Het hof hecht daarom aan die verklaringen van verdachte geen waarde bij de beoordeling van de vraag of het feit bewezen verklaard kan worden.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard (p. 212-221, en 227-232, en 236-256 politiedossier1) dat hij en [slachtoffer] op 9 juli 2014 in de keuken van [getuige 1] wodka dronken nadat [getuige 1] klaar was met werken om 14.30 uur. Verdachte belde tot het moment dat zij aan de deur van de woning van [getuige 1] aanbelde continu op de telefoon van [slachtoffer] .

Toen verdachte bij de woning van [getuige 1] aanbelde en [getuige 1] de deur had geopend kwam verdachte binnen waarna direct een woordenwisseling ontstond tussen haar en [slachtoffer] omdat [slachtoffer] alcohol dronk. Verdachte was erg boos en riep iets van “klootzak, je bent aan het zuipen” en “ik maak je dood” en zij sloeg de fles wodka kapot. Er ontstond een worsteling. Ook schold verdachte tegen [slachtoffer] en sloeg zij hem. [getuige 1] zag niet dat verdachte een mes pakte, maar wel dat zij [slachtoffer] stak en [slachtoffer] op zijn knieën viel. [getuige 1] hoorde [slachtoffer] “archh” zeggen en zag het bloed wegstromen. [getuige 1] zag het mes in de spoelbak liggen en denkt dat het mes afkomstig is van het droogrek bij het raam. Het mes lag daar omdat hij eerder vlees had klaargemaakt. [getuige 1] heeft geprobeerd om hulp in te schakelen maar hij wist aanvankelijk het noodnummer niet en kon 112 niet bereiken. Hij ging naar de buren, maar daar was niemand en belde ook nog met zijn nicht, [getuige 3] . Later belde hij de politie.

[getuige 1] heeft deze verklaringen op 23 februari 2015 in grote lijnen bevestigd tegenover de rechter-commissaris. Ten aanzien van het moment dat [slachtoffer] werd gestoken heeft hij nog verklaard dat hij zag dat verdachte met het mes op [slachtoffer] in sloeg, dat [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen, dat verdachte haar hand naar achteren bewoog, zich draaide en het mes in de gootsteen gooide. [slachtoffer] zakte op een stoel in elkaar.

[getuige 1] heeft ook tegenover de raadsheer-commissaris op 6 januari 2016 zijn verklaring bevestigd. Ook heeft hij verklaard dat hij niet nuchter was, maar wel heeft waargenomen wat er gebeurde. Data en tijdstippen zijn lastig voor [getuige 1] , zo verklaarde hij bovendien, maar hij weet wel dat de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] maar kort duurde.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 9 juli 2014 op zijn eigen kamer was in de woning van [getuige 1] . Hij hoorde op enig moment de deurbel gaan en daarna hoorde hij de stemmen van verdachte en [slachtoffer] . Er werd hard geschreeuwd en [getuige 2] hoorde dat glas kapot ging. Verdachte zei tegen [slachtoffer] : “Dan hebben jullie niks meer te drinken.”

[getuige 2] verliet de woning op enig moment en kort daarna – toen hij ongeveer 400 meter van de woning verwijderd werd – werd hij ingehaald door verdachte, die de auto van [slachtoffer] bestuurde. Verdachte stapte uit en [getuige 2] zag dat zij kleine bloedspatten op haar trui had en dat zij op één van haar schoenen een grotere bloedvlek had. Verdachte zei tegen [getuige 2] dat zij toevallig een mes had gepakt en [slachtoffer] had gestoken. Zij wees daarbij naar haar nek en schouder. Na ongeveer een kwartier liep [getuige 2] terug naar de woning en daar trof hij [getuige 1] aan die tegen hem zei: [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) heeft [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) met een mes gestoken” (p. 281 en 282 politiedossier).

[getuige 2] heeft op 23 februari 2015 tegenover de rechter-commissaris voornoemde verklaring in de kern bevestigd. [getuige 2] is nadien nog opgeroepen voor een verhoor door de raadsheer-commissaris, maar hij kon niet meer getraceerd worden, reden waarom afstand is gedaan van het horen van deze getuige.

De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] vinden op een aantal onderdelen bevestiging in objectieve bewijsmiddelen.

De verklaring van [getuige 2] , voor zover inhoudende dat verdachte direct na het voorval tegen hem heeft gezegd dat zij [slachtoffer] heeft gestoken met een mes en dat verdachte daarbij naar haar nek en schouder wees, wordt bevestigd door het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 7 oktober 2014. Uit dat rapport volgt dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van twee steekverwondingen. Aan de voorzijde van de linkerarm hoog had het slachtoffer een scherprandige huidperforatie van circa 6 cm met beiderzijds puntige uiteinden en plaatselijk een klein huidflapje en enkele inkepingen. Verder bevond zich laag aan de hals links van [slachtoffer] , net boven het linker sleutelbeen, een scherprandige huidperforatie met een lengte van circa 3 cm met een scherp uiteinde bovenwaarts, een mogelijk stomp uiteinde onderwaarts en in het midden een huidflapje (p. 292, TFO). Het hof leidt uit voorgaande af dat verdachte direct na het voorval tegenover [getuige 2] heeft verklaard over informatie waarvan op dat moment slechts de dader of de ooggetuige van de steekpartij op de hoogte kon zijn. Opvallend is hier dat zij meteen zegt dat zij zelf heeft gestoken.

Daarnaast wordt de verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende dat verdachte een fles wodka kapot gooide en dat zij het mes heeft vastgehouden, bevestigd door onderzoek dat ter plaatse en aan dat mes is verricht. In de centrale hal van de woning bevonden zich op de vloer verschillende glasscherven. Op het etiket dat op die glasscherven zat stond dat zich in de fles wodka had bevonden. Verder is een mes op de plaats delict, op het aanrecht, aangetroffen en door de politie voorzien van de code AAGN3025 NL. Op het mes en in de spoelbak bevonden zich bloedsporen (p.10 TFO). Van verdachte werd DNA materiaal veilig gesteld onder nummer SIN RAAY8899NL (p. 18 TFO).

Van één spoor van het bloed op het heft van het mes (AAGN3025NL#06) werd een DNA mengprofiel verkregen van minimaal drie personen, te weten van [slachtoffer] , verdachte en [getuige 1] (rapport NFI, p. 308 e.v. TFO). Het hof zal, anders dan de raadsman betoogt, het van verdachte aangetroffen DNA op het mes bezigen voor het bewijs. Verdachte heeft ter zitting van het hof weliswaar verklaard dat zij een dag voor het steekincident bij [getuige 1] was en met een mes brood heeft gesmeerd maar dat zij dit heeft gedaan met een kleine broodmes en dat zij niet een vleesmes heeft vastgehouden. Het hof stelt hierbij vast dat [slachtoffer] door steekwonden met een vleesmes om het leven is gekomen (zie foto politiedossier p. 312 en p. 306). Dat er ook DNA sporen van [getuige 1] op het mes zijn aangetroffen maakt dit niet anders gelet op de omstandigheid dat het mes van [getuige 1] was en dat hij met het mes eerder die dag vlees had gesneden.

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] consistent en gedetailleerd zijn en elkaar op essentiële onderdelen versterken. Beide getuigen hebben verklaard dat [getuige 1] en [slachtoffer] aanvankelijk rustig samen aan het drinken waren, maar dat de komst van verdachte naar de woning van [getuige 1] zorgde voor een escalatie van de situatie, waarbij verdachte direct bij binnenkomst begon te schreeuwen in verband met het alcoholgebruik van [slachtoffer] en waarbij glas kapot werd gegooid.

Die verklaringen worden bovendien door voornoemde objectieve bewijsmiddelen ondersteund. Nu ook overigens niet blijkt van een aanknopingspunt dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn, ziet het hof – anders dan de verdediging – geen reden om deze verklaringen als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. Het hof heeft deze verklaringen dan ook tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van het tenlastegelegde feit.

Voor wat betreft het tijdstip waarop het voorval plaatsvond heeft [getuige 2] geen uitspraken gedaan. [getuige 1] verklaart dat verdachte rond 16.00 uur of na 16.00 uur bij de woning van [getuige 1] was.

Het hof heeft echter op grond van de historische gegevens van het telefoonnummer van verdachte [telefoonnummer 1] het volgende geconstateerd. Tussen het telefoonnummer van verdachte en het telefoonnummer van [slachtoffer] vond op 9 juli 2014 tussen 13:30:30 uur en 17:54:59 uur 23 keer telefonisch contact plaats. Ook zijn twee sms-berichten verzonden

(p. 405 politiedossier).

De telefoon van verdachte straalde op 9 juli 2014 om 17:57:02 de telefoonmast aan de Wyksestraat 10 te Wijk en Aalburg aan (p. 402 politiedossier). Op dat moment had die telefoon een uitgaand contact met het nummer van [slachtoffer] . Het gesprek duurde 36 seconden (p. 404 politiedossier). Om 18:15:31 uur straalde de telefoon van verdachte aan bij de mast aan de Hertog van Brabantstraat 13 te Heusden (p. 402 politiedossier). Het telefoonnummer van verdachte had op dat moment een inkomend contact met een onbekende beller met nummer [telefoonnummer 2] en dat gesprek duurde 462 seconden (bijna 8 minuten, p. 404 politiedossier). Om 18:50:47 uur straalde de telefoon van verdachte aan bij een mast aan de Onderwijsboulevard 215 te ’s-Hertogenbosch (p. 402 politiedossier). Vervolgens straalde de telefoon van verdachte om 19:02:07 uur aan bij een mast aan de Lipstraat 51 te Drunen en om 19:17:09 uur weer aan de Wyksestraat 10 te Wijk en Aalburg (p. 402 politiedossier).

Om 21:16:35 uur heeft zij een sms gestuurd aan getuige [getuige 4] met de tekst: “ [slachtoffer] leeft niet, zo’n telefoontje heb ik een goed uur geleden na onze ontmoeting gekregen. Bel op”

(p. 406 politiedossier).

In het dossier is geen enkel aanknopingspunt aanwezig waaruit blijkt dat verdachte haar mobiele telefoon op 9 juli 2014 aan een ander heeft uitgeleend of dat zij die telefoon om een andere reden niet bij zich had. Het hof stelt op grond van voornoemde historische gegevens van die telefoon dan ook vast dat verdachte niet om 16.00 uur van Wijk en Aalburg naar

’s-Hertogenbosch is gegaan en daarna weer terug, maar dat zij pas tussen 17:57 en 18:15 uur vanuit Wijk en Aalburg is vertrokken richting Den Bosch en weer terug is gegaan naar Wijk en Aalburg tussen 18:50 uur en 19:17 uur. Het hof ziet zich gesterkt in de conclusie dat het voorval niet om 16:00 uur plaatsvond, maar na 18:15 uur, omdat vanwege de aard van zijn verwondingen niet aannemelijk is dat [slachtoffer] deze iets na 16.00 uur heeft opgelopen en om 17:57:02 uur nog 36 seconden heeft gebeld met verdachte.

De conclusie dat het voorval na 18:15 uur plaats moet hebben gevonden past ook bij de gegevens die in het dossier aanwezig zijn over meldingen die met het telefoonnummer van [getuige 1] zijn gedaan bij de meldkamer en bij de verklaring van [getuige 1] . Uit die laatste verklaring volgt immers dat de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] volgens [getuige 1] maar kort duurde en dat hij vervolgens pogingen heeft gedaan om hulp in te schakelen, hetgeen niet direct lukte.

Volgens het proces-verbaal van de meldkamer van de KLPD (p. 398 politiedossier) kwam bij de meldkamer om 18:37 uur de eerste melding binnen. Op dat moment was op de achtergrond een vrouwenstem te horen in een vreemde taal. Het gesprek verliep warrig waarbij de melder zich niet goed verstaanbaar kon maken, maar duidelijk was dat de melder in Den Bosch was en dat er een vrouw was. Op het moment dat melder werd doorverbonden met de ambulance werd het gesprek beëindigd.

Nader onderzoek naar deze melding door een specialist en een tolk in de Poolse taal leverde op dat op de achtergrond een Poolse vrouw spreekt en dat het erop lijkt dat deze vrouw hevig geëmotioneerd is. Nu niet is gebleken dat een andere vrouw dan verdachte aanwezig was in de woning van [getuige 1] , aan de [straat plaats delict] 13 te Den Bosch, heeft verbalisant gerelateerd dat aannemelijk is dat verdachte ten tijde van de melding, om 18:36 uur, nog aanwezig was in de woning van [getuige 1] (p. 401 politiedossier).

Om 19:42 uur kwam bij de meldkamer een tweede melding binnen (p. 398 politiedossier). De melder sprak van dood en veel bloed en vroeg om een ambulance en politie. Ook noemde de melder het adres [straat plaats delict] 9 en zei hij dat dat adres was gelegen in Den Bosch. Op het moment dat melder werd doorverbonden met de ambulance in Den Bosch werd het gesprek beëindigd.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen (p. 400 politiedossier) wordt het nummer van de melder bij meldingen aan de meldkamer automatisch vastgelegd. Het telefoonnummer van de melder bij voornoemde twee meldingen was [telefoonnummer 3] , het nummer van [getuige 1] .

De conclusie dat het voorval niet net na 16.00 uur, maar na 18:15 uur plaatsvond, vindt tevens bevestiging in de volgende bewijsmiddelen.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij verdachte rond 17.00 à 18.00 uur heeft opgehaald op de camping bij Wijk en Aalburg en naar de woning van [getuige 1] in Den Bosch heeft gebracht (p. 358 dossier). [getuige 5] meldt dat verdachte bijna de gehele rit zat te bellen. Hij weet niet precies hoe laat hij verdachte daar heeft afgezet maar alles is tussen 17.00 en 19.00 uur gebeurd (p. 360 politiedossier).

Getuige [getuige 4] (p. 343-344 politiedossier) heeft verklaard dat hij rond 19.20 uur naar de winkel ging om boodschappen te doen, dat hij nog kort heeft gepraat met de verhuurder die grond aan hem verhuurt en dat hij verdachte tegenkwam toen hij verder wilde gaan naar de winkel. Dat was in ieder geval voor 20.00 uur. Verdachte zat in de auto van [slachtoffer] . Dit was vlakbij de woning van verdachte en [slachtoffer] te Wijk en Aalburg. Verdachte zei dat zij in de woning was geweest waar [slachtoffer] was en dat [slachtoffer] de nacht in die woning zou doorbrengen. [getuige 4] vond dit raar omdat [slachtoffer] normaliter nergens naartoe mocht van verdachte zonder dat verdachte erbij was. Verdachte vroeg [getuige 4] vervolgens of hij een gasfles wilde vullen voor verdachte en een telefoonkaart voor haar wilde kopen bij het tankstation, hetgeen [getuige 4] heeft gedaan (p. 343 en 344 politiedossier). Dit laatste wordt bevestigd door camerabeelden van het Avia tankstation, gelegen aan [adres tankstation] te Wijk en Aalburg, waar [getuige 4] tussen 19:15:16 uur en 19:18:01 uur is te zien met de gasfles. Uit het proces-verbaal van uitkijken van deze beelden blijkt dat de tijdsregistratie van het camerasysteem maximaal 5 minuten afwijkt van de werkelijke tijd (p. 347 en 348 politiedossier).

Het hof acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen over de historische gegevens van de telefoon van verdachte, de gegevens omtrent de meldingen bij de meldkamer en de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] aannemelijk dat [getuige 1] zich heeft vergist in de tijd en dat het ten laste gelegde niet na 16.00 uur heeft plaatsgevonden maar na 18:15 uur. Het hof heeft bij dat oordeel eveneens betrokken dat uit de verklaringen van [getuige 1] blijkt dat hij op de dag van het ten laste gelegde alcohol (wodka) had gedronken en dat hij tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij moeite heeft met data en tijdstippen.

Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken op 9 juli 2014. Ten gevolge van de verwondingen die [slachtoffer] daardoor heeft opgelopen is hij overleden.

Dit voorval vond, anders dan [getuige 1] heeft verklaard, plaats na 18:15 uur, zijnde het tijdstip waarop de telefoon van verdachte in Den Bosch aanstraalde, nadat zij even daarvoor was vertrokken vanuit haar woonplaats Wijk en Aalburg, waarnaar zij na het voorval weer is teruggekeerd. Het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario vindt naar het oordeel van het hof geen ondersteuning in het dossier en in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht en is ook niet anderszins aannemelijk geworden. Met de vaststelling van het hiervoor genoemde tijdstip vervalt ook de stelling van de verdediging dat [getuige 1] heel lang heeft gewacht voordat hij hulp heeft ingeroepen en dat hij die bijzondere omstandigheid niet goed kan verklaren. Het hof verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door de raadsman is verzocht om geen gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar op te leggen zoals de rechtbank heeft gedaan, maar te volstaan met een lagere straf. De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, dat sprake is van tijdsverloop gedurende de procedure en dat verdachte geen boos opzet had op de dood van verdachte.

Bewezen verklaard is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van doodslag op haar vriend, [slachtoffer] , door hem tijdens een ruzie twee keer met een mes te steken. De verdachte heeft aan het slachtoffer het leven ontnomen. Met het delict zelf, maar ook met de houding die verdachte daarna tentoon heeft gespreid heeft zij ook de familie van het slachtoffer en andere nabestaanden onherstelbaar leed en veel pijn en verdriet aangedaan, zoals blijkt uit de verklaringen die zij daarover hebben afgelegd.

Doodslag is één van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, zodat naar het oordeel van het hof slechts het opleggen van een langdurige gevangenisstraf aan de orde kan zijn.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte volgt uit het psychiatrisch en psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 17 november 2014 dat bij verdachte sprake is van borderline, zwakbegaafdheid en symptomen van een depressieve stoornis. Verdachte heeft in het verleden meermalen problematische relaties gehad en ook binnen de relatie met [slachtoffer] was sprake van alcoholmisbruik en agressie.

Verdachte wordt door de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar geacht ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Het hof neemt die conclusie over en heeft bij de bepaling van de duur rekening gehouden met de omstandigheid dat het feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Ook is meegewogen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2016, niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat geen sprake is van een langdurig tijdsverloop dat ten voordele van de verdachte dient te worden meegewogen in het kader van de strafoplegging.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof het passend en geboden om verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 8 jaar. De tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.643,13 en betreft kosten voor gederfd levensonderhoud over de jaren 2014 tot en met 2027. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien beoordeling van deze vordering nader onderzoek vergt naar de gegrondheid en de omvang daarvan, die het bestek van deze strafprocedure – die voor het overige volledig is afgerond – te buiten gaat. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.960,40. Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Bloemen en krans € 113,04

  • -

    Kosten diensten begrafenis € 228,84

  • -

    Repatriëring lichaam slachtoffer € 1.683,50

  • -

    Dragers kist en vervoer kist € 240,49

  • -

    Gedenksteen € 4.326,56

  • -

    Kosten benadeelde partij vervoer naar

Nederland € 367,97

Totaal € 6.960,40

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.633,84.

De rechtbank heeft de kosten van de gedenksteen gematigd tot een bedrag van € 2.000,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 4.633,84.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof merkt daarbij op dat de kosten van de gedenksteen, conform het vonnis van de rechtbank, zijn gematigd tot een bedrag van € 2.000,00. De gevorderde kosten komen het hof bovenmatig voor gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken plegen te worden toegewezen in dit kader en mede gelet op het gegeven dat de gevorderde hogere kosten niet (nader) zijn onderbouwd.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.151,51 en betreft kosten voor gederfd levensonderhoud over de jaren 2014 tot en met 2017. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien beoordeling van deze vordering nader onderzoek vergt naar de gegrondheid en de omvang daarvan, die het bestek van deze strafprocedure – die voor het overige volledig is afgerond – te buiten gaat. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.633,84 (vierduizend zeshonderddrieëndertig euro en vierentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.633,84 (vierduizend zeshonderddrieëndertig euro en vierentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 (zesenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 30 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal betreffende onderzoek Bragie, genummerd 2014066217, gesloten en getekend op 6 januari 2015 door J.A. van der Leeden, senior tactische recherche van de politie eenheid Oost-Brabant. Dit betreft niet de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Technisch Forensisch Onderzoek, genummerd PL2100-2014066217, gesloten en getekend op 7 januari 2015 door R.A.J.W. van Hooff, forensisch coördinator, inspecteur van politie-eenheid Oost-Brabant. Naar bijlagen van dit laatste proces-verbaal wordt verwezen door vermelding van TFO met een paginanummer.