Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
200.149.612_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:3040
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:2554
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:526
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondergrondse leidingen.

Horizontale natrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.149.612/01

arrest van 29 november 2016

in de zaak van

Ennatuurlijk B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Ennatuurlijk,

advocaat: mr. G.J.S. Bouwens te 's-Hertogenbosch,

tegen

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als PMT,

advocaat: mr. D.A.W. van Dijk te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 mei 2014 door Ennatuurlijk als rechtsopvolgster onder algemene titel door afsplitsing van Essent Local Energy Solutions B.V. (hierna: Essent) ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van 20 maart 2013 en het eindvonnis van 5 februari 2014 van de rechtbank Oost-Brabant, gewezen tussen Essent als gedaagde en PMT als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/255 631/HA ZA 12-1004)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de akte van Ennatuurlijk van 27 mei 2014 met één productie;

  • -

    de memorie van grieven met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 20 februari 2015 toegezonden productie (nr. 20) die namens PMT bij het pleidooi in het geding is gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.1.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van het eindvonnis vastgesteld welke feiten tussen partijen vaststaan. Grief 1 is onder meer gericht tegen twee verschrijvingen in dit feitenoverzicht (mvg, nrs. 6 en 9). PMT heeft de gestelde verschrijvingen niet betwist. Het hof zal deze verschrijvingen hierna herstellen.

Grief 1 is overigens ook gericht tegen twee andere verschrijvingen in het vonnis, te weten de vermelding van een verkeerd jaartal bij de vindplaats van een arrest van de Hoge Raad en het noemen van een verkeerd wetsartikel (5:50 BW in plaats van 5:20 BW) in de weergave van het verweer van Essent. Het hof zal het vonnis op dit punt verbeterd lezen.

Grief 1 is dus gegrond, maar dit enkele feit leidt nog niet tot vernietiging van het eindvonnis.

Voor het overige zijn geen grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal daarom ook van die feiten uitgaan, met inachtneming van het bovenstaande. Het hof zal hierna een samenvatting geven van de relevante feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.2.

  1. PMT is eigenaar en verhuurder van 134 woningen in de wijk De Wisselaar in [plaats] .

  2. De grond waarop de woningen zijn gebouwd is bij notariële akte van 5 januari 1966 (hierna: de akte) door de gemeente Breda geleverd aan Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid. De stichting heeft de woningen laten bouwen. PMT is de rechtsopvolgster van de stichting.

  3. In de wijk functioneert een wijkverwarmingssysteem waarbij warmte afkomstig van de Amercentrale door Ennatuurlijk (als rechtsopvolgster van Essent) wordt geleverd aan de huurders van PMT door middel van een leidingnet waarop de woningen van PMT zijn aangesloten. De huurders ontvangen van Ennatuurlijk een factuur voor de kosten. Het energieverbruik wordt verrekend op basis van een warmtekostenverdeelsysteem. Dit houdt in dat er op een hoofdmeting wordt afgerekend en dat per woning de kosten worden omgeslagen via de opgenomen standen van de doprimometers die zijn aangebracht op de radiatoren van de huurders.

  4. De structuur van het leidingnet is als volgt:

  • -

    Vanaf de Amercentrale wordt de warmte via een leiding getransporteerd naar een voor de wijk centraal ketelhuis, het warmtestation. Ennatuurlijk is eigenaar van deze leiding en het warmtestation. Zij onderhoudt die.

  • -

    Vanaf het warmtestation lopen er leidingen naar de straten waar telkens een groep woningen is aangesloten op een blokafsluitkraan die zich onder de openbare weg bevindt. Ennatuurlijk is eigenaar van de leidingen tussen het warmtestation en de blokafsluitkranen. Zij onderhoudt deze leidingen. Deze leidingen worden hierna aangeduid als ‘hoofdleidingen’.

  • -

    Vanaf de blokafsluitkraan gaat er een leiding richting de individuele woningen. De woningen zijn op deze leiding aangesloten. In de kruipruimte onder de woningen bevindt zich per woning een afsluitkraan. De leidingen die lopen tussen de blokafsluitkraan en de afsluitkranen onder de woningen, liggen voor een deel onder de openbare weg, die eigendom is van de gemeente, en voor een deel in de kruipruimten onder de woningen. Deze leidingen liggen deels op of in de grond die eigendom is van PMT. Deze leidingen worden hierna aangeduid als ‘blokleidingen’.

3.2.1.

PMT heeft Essent in rechte betrokken en gevorderd, samengevat:

  1. voor recht te verklaren dat de kosten van onderhoud c.q. vervanging van de blokleidingen gelegen tussen de afsluitkranen van de 134 woningen en de blokafsluitkranen voor rekening van Essent komen;

  2. voor recht te verklaren dat Essent PMT dient te vrijwaren voor alle schade van PMT als gevolg van de vertraging die is ontstaan in het onderhoud en de reparaties ter zake de blokleidingen, vanaf het eerste moment dat PMT dit aan Essent heeft verzocht, althans vanaf de datum van de dagvaarding;

  3. Essent te veroordelen om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis een voorstel te doen ter uitvoering van de onder 1. bedoelde verplichting inhoudende een technische werkbeschrijving van de aard en omvang van de werkzaamheden alsmede een planning, op straffe van een dwangsom;

  4. Essent te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis aan te vangen met het vervangen van c.q. indien en voor zover vervanging niet noodzakelijk is, het plegen van adequate herstelwerkzaamheden aan de blokleidingen ten aanzien van de 134 woningen, op straffe van een dwangsom,

met veroordeling van Essent in de proceskosten en de nakosten.

3.2.2.

PMT heeft aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De blokleidingen zijn ernstig verouderd en moeten worden onderhouden c.q. vervangen. Essent is verplicht om de blokleidingen te onderhouden c.q. te vervangen. Deze verplichting volgt voor Essent uit de door haar rechtsvoorgangster, de gemeente Breda, met de rechtsvoorgangster van PMT gesloten akte en de daarin opgenomen erfdienstbaarheid. Essent is hier ook toe verplicht omdat zij op grond van artikel 5:20 lid 2 BW moet worden aangemerkt als eigenaar van de blokleidingen aangezien deze leidingen (alsmede de hoofdleidingen) zijn aangelegd door haar rechtsvoorgangster, de gemeente Breda, dit alles aldus PMT.

3.2.3.

Essent heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.1.

In het bestreden tussenvonnis van 20 maart 2013 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het bestreden eindvonnis van 5 februari 2014 heeft de rechtbank de vorderingen onder 1 en 2 toegewezen. Kort samengevat overwoog de rechtbank daartoe dat het beroep van Essent op verjaring niet opgaat en dat de akte en de daarin opgenomen erfdienstbaarheid zo moeten worden uitgelegd dat op Essent een onderhoudsverplichting ter zake van de blokleidingen rust. De rechtbank heeft de vorderingen onder 3 en 4 afgewezen, kort gezegd omdat PMT onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat onmiddellijke en ernstige schade dreigt. Tot slot heeft de rechtbank de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3.4.

Na het wijzen van het eindvonnis heeft er een afsplitsing ex artikel 2:334a BW plaatsgevonden waarbij een deel van het vermogen van Essent onder algemene titel is verkregen door Ennatuurlijk.

3.5.

Ennatuurlijk heeft als rechtsopvolgster onder algemene titel van Essent hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank. Bij memorie van grieven heeft Ennatuurlijk vijf grieven aangevoerd. Zij heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis en tot het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van PMT, met veroordeling van PMT in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en in de nakosten.

3.6.

Bij memorie van antwoord heeft PMT incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis en daartegen twee grieven aangevoerd. PMT heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog volledig toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van Ennatuurlijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3.7.

Ennatuurlijk heeft geen grief gericht tegen het tussenvonnis, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep van dit vonnis.

Beroep op verjaring

3.8.1.

Grief 2 in principaal hoger beroep richt zich tegen de verwerping van het beroep op verjaring van de vorderingen van PMT. Hierover overweegt het hof als volgt.

3.8.2.

In eerste aanleg heeft Essent aangevoerd dat de vorderingen van PMT zijn verjaard omdat de in artikel 3:306 BW genoemde verjaringstermijn van 20 jaar ruimschoots is verstreken.

In hoger beroep heeft Ennatuurlijk haar beroep op verjaring primair gebaseerd op de in artikel 3:307 lid 1 BW en artikel 3:310 BW (naar het hof begrijpt: ook lid 1) genoemde verjaringstermijn van vijf jaar. Subsidiair stelt Ennatuurlijk dat voor de vorderingen van PMT de verjaringstermijn van 20 jaar van artikel 3:306 BW geldt.

3.8.3.

Het beroep op artikel 3:307 lid 1 BW wordt verworpen, omdat het onvoldoende feitelijk is onderbouwd. Ennatuurlijk heeft gesteld dat vanaf omstreeks 1990 mede door of namens PMT onderhoud is gepleegd aan de blokleidingen en dat er toen al discussie was over de onderhoudskwestie. Deze stellingen, indien juist, zijn echter volstrekt onvoldoende om het beroep op verjaring te kunnen dragen.

Tijdens het pleidooi heeft Ennatuurlijk nog gesteld dat uit de vorderingen van PMT blijkt dat het haar te doen is om de onderhoudskosten ‘hetgeen als een vordering ex artikel 3:307 lid 1 (vordering tot nakoming verbintenis) moet worden beschouwd.’ Ennatuurlijk maakt echter niet duidelijk welke vordering(en) van PMT zij daarbij op het oog heeft. Bovendien heeft Ennatuurlijk in dit verband niet gesteld, en evenmin feitelijk onderbouwd, dat en wanneer de te onderscheiden vorderingen van PMT voor zover die voortvloeien uit een overeenkomst opeisbaar zijn geworden en dat sindsdien meer dan vijf jaar is verstreken. Dit had echter wel van Ennatuurlijk mogen worden verwacht, zeker in het licht van het door PMT gevoerde verweer dat haar vorderingen niet berusten op een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of doen die opeisbaar is geworden.

3.8.4.

Het beroep op artikel 3:310 lid 1 BW dient eveneens te worden verworpen, reeds omdat Ennatuurlijk geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die een beroep op dit artikel kunnen dragen. Bovendien heeft het volgende te gelden. Voor zover de verjaringstermijn van dit artikel van toepassing is ten aanzien van één of meer vorderingen van PMT, dient ervan te worden uitgegaan dat deze verjaringstermijn nog niet is gaan lopen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen van PMT niet zijn gegrond op een onrechtmatige daad die reeds schade heeft veroorzaakt, maar op dreigende schade als gevolg van het nalaten van Ennatuurlijk om aan haar onderhoudsverplichtingen te voldoen. PMT heeft ook onbetwist gesteld dat haar vorderingen zien op dreigende schade en dat er geen sprake is van een specifieke gebeurtenis waardoor schade is veroorzaakt. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW kan echter pas gaan lopen als er schade is geleden (vgl. Hoge Raad 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9416 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784).

3.8.5.

Ook het subsidiaire beroep van Ennatuurlijk op de verjaringstermijn van 20 jaar van artikel 3:306 BW dient bij gebreke van een toereikende onderbouwing te worden verworpen. In dit artikel is bepaald dat deze verjaringstermijn geldt indien de wet niet anders bepaalt. De wet bepaalt in dit geval echter wel anders, namelijk in de artikelen 3:307 lid 1 BW en 3:310 lid 1 BW, zoals Ennatuurlijk zelf ook stelt.

3.8.6.

Bij dit alles laat het hof nog daar de vraag of vorderingen tot het geven van een verklaring voor recht kunnen verjaren.

Eigendom blokleidingen

3.9.1.

De grieven 3, 4 en 5 in principaal hoger beroep zijn in de kern gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de (overeenkomst neergelegd in de) akte en de daarin opgenomen erfdienstbaarheid zo moeten worden uitgelegd dat daaruit een onderhoudsverplichting van de blokleidingen voortvloeit voor Ennatuurlijk.

3.9.2.

Wat er ook van deze grieven zij, deze kunnen niet tot vernietiging van het eindvonnis leiden. Indien de grieven gegrond zouden zijn, dient in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep beoordeeld te worden of de door de rechtbank toegewezen vorderingen 1 en 2 van PMT toewijsbaar zijn op de andere door PMT aangevoerde grondslagen, te weten dat Ennatuurlijk eigenaar van de blokleidingen is ingevolge artikel 5:20 lid 2 BW (deze grondslag is in eerste aanleg aangevoerd, door de rechtbank buiten behandeling gelaten, en in hoger beroep door PMT gehandhaafd) dan wel artikel 5:20 lid 1 onder e BW (deze grondslag is in hoger beroep aangevoerd) en daarom onderhoudsplichtig. Zoals hierna zal blijken, is het hof van oordeel dat Ennatuurlijk op grond van laatstgenoemde bepaling eigenaar is van de blokleidingen. Nu tussen partijen niet ter discussie staat dat in dat geval op Ennatuurlijk een onderhoudsverplichting ter zake van de blokleidingen rust, is niet relevant of deze verplichting ook uit de akte c.q. erfdienstbaarheid voortvloeit.

3.10.1.

Het hof zal hierna ingaan op de eigendomsvraag.

3.10.2.

In eerste aanleg heeft PMT aan haar vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat Ennatuurlijk verplicht is om de blokleidingen te onderhouden c.q. te vervangen, omdat Ennatuurlijk op grond van artikel 5:20 lid 2 BW eigenaar is van deze leidingen.

In haar memorie van antwoord heeft PMT de grondslag van haar vorderingen kennelijk uitgebreid door deze ook te baseren op artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Het hof leidt uit de stellingen van PMT af dat zij zich op het standpunt stelt dat Ennatuurlijk ook op grond van deze bepaling (meer in het bijzonder de laatste zinsnede: ‘voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak’) moet worden beschouwd als eigenaar van de blokleidingen, omdat deze leidingen bestanddeel zijn van het stadsverwarmingsnet van Ennatuurlijk (zie mva princ., nrs. 44, 46-50 en voorts pleitnota nr. 21).

Ennatuurlijk heeft tijdens het pleidooi betwist dat zij op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW moet worden beschouwd als eigenaar van de blokleidingen. Zij lijkt dit ook op voorhand te hebben betwist in haar memorie van grieven (toelichting op grief 5).

3.10.3.

Bij de beantwoording van de vraag of Ennatuurlijk eigenaar is van de blokleidingen stelt het hof het volgende voorop.

In artikel 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW is als hoofdregel geformuleerd, samengevat, dat de eigenaar van de grond ook eigenaar is van gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd (verticale natrekking). Vervolgens is op deze hoofdregel de uitzondering gemaakt dat die regel niet geldt voor zover die gebouwen of werken bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak (horizontale natrekking).

Verder wordt in lid 2 van artikel 5:20 BW (dat op 1 februari 2007 in werking is getreden en dat ingevolge artikel 155 van de Overgangswet Nieuw BW ook van toepassing is op een net dat voordien is aangelegd) een tweede uitzondering op de hoofdregel van lid 1 gemaakt, inhoudende dat de eigendom van een net toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger (horizontale natrekking).

3.10.4.

Allereerst is de vraag aan de orde of de blokleidingen, die deels in de grond van de gemeente en deels in of onder de woningen van PMT liggen, bestanddeel zijn van het leidingnet waarvan Ennatuurlijk eigenaar is (de hoofdleidingen en de leiding die van de Amercentrale naar het warmtestation loopt) en op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW horizontaal door dit net, dat onroerend is (vgl. Hoge Raad 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD3578), worden nagetrokken. Daarbij is van belang dat in artikel 5:3 BW is bepaald dat, voor zover de wet niet anders bepaalt, de eigenaar van een zaak eigenaar is van al haar bestanddelen.

3.10.5.

Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak. Of naar verkeersopvatting sprake is van bestanddeelvorming, moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld (vgl. Hoge Raad 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474).

3.10.6.1. Partijen zijn het er, mede gezien hun schematische overzichten van de leidinginfrastructuur (inl. dagv, p. 5 en cva, p. 10), over eens dat zich tussen de hoofdleidingen en de blokleidingen steeds blokafsluitkranen bevinden waarmee de blokleidingen kunnen worden afgesloten. De blokafsluitkranen bevinden zich in afsluitputten onder de openbare weg/stoep.

De aanwezigheid van de blokafsluitkranen, waarmee de blokleidingen kunnen worden afgesloten en die als zodanig een kenbare afscheiding vormen tussen de hoofdleidingen en de blokleidingen, is een aanwijzing voor het antwoord op de vraag waar het leidingnet van Ennatuurlijk zijn begrenzing vindt. De aanwezigheid van de blokafsluitkranen dwingt echter nog niet tot de conclusie dat de blokleidingen die zich achter die kranen bevinden een zelfstandig net vormen. Of de blokleidingen naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van het leidingnet van Ennatuurlijk zal als gezegd immers moeten worden vastgesteld op basis van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen zowel technische als maatschappelijke aspecten een rol spelen.

3.10.6.2. In dit geval is sprake van met elkaar verbonden leidingen (de blokleidingen, hoofdleidingen en de leiding die vanaf de Amercentrale naar het warmtestation loopt) die alle dienen voor het transport van warmte naar (uiteindelijk) de woningen van PMT. Bovendien staat als onbetwist vast dat het leidingnet van Ennatuurlijk en de blokleidingen een feitelijke en functionele eenheid vormen. Gelet op dit een en ander legt de aanwezigheid van de blokafsluitkranen naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat de blokleidingen een van het leidingnet van Ennatuurlijk te onderscheiden zelfstandig net vormen. Dit geldt temeer nu de blokleidingen deels in de grond van de gemeente en deels in de grond van PMT zijn gelegen zonder dat sprake is van een redelijk kenbare afscheiding tussen die beide delen van de blokleidingen (zie de vaststelling door de rechtbank in r.o. 4.4.4 van het eindvonnis die inhoudelijk niet althans onvoldoende is bestreden), zodat ook wat dat betreft geen duidelijk deelnet te onderscheiden valt.

3.10.6.3. Het voorgaande in aanmerking nemend, concludeert het hof dat de blokleidingen bestanddeel zijn van het leidingnet waarvan Ennatuurlijk eigenaar is (de hoofdleidingen en de leiding die vanaf de Amercentrale naar het warmtestation loopt). Daarbij gaat het hof ervan uit dat dit net als hoofdnet c.q. als hoofdzaak dient te worden beschouwd, nu het tegendeel niet door Ennatuurlijk is aangevoerd.

3.10.7.1. Ten overvloede overweegt het hof dat ook in een aantal andere feiten en omstandigheden een aanwijzing is te vinden dat de blokleidingen naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van het leidingnet van Ennatuurlijk.

3.10.7.2. Dit geldt allereerst voor het volgende. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is namens Ennatuurlijk gesteld dat haar rechtsvoorgangster PNEM in de jaren ’80 de blokafsluitkranen heeft verplaatst en de terreinleidingen tot aan de gevels van de woningen heeft vervangen, waarbij ook een klein stukje tot na de blokafsluitkranen is meegenomen. Aldus heeft Ennatuurlijk beschikt over (een deel van) de blokleidingen. Hierin is een aanwijzing te vinden dat de blokleidingen naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van het leidingnet van Ennatuurlijk.

3.10.7.3. Verder is hiervoor een aanwijzing te vinden in het (door PMT in het kader van de uitleg van de akte gestelde en door Ennatuurlijk niet betwiste) feit dat PMT geen controle heeft over de blokleidingen nu alleen Ennatuurlijk de blokafsluitkranen kan bedienen.

3.10.8.

De conclusie luidt dat de grieven 3, 4 en 5 in principaal hoger beroep falen en dat de vorderingen 1 en 2 van PMT terecht zijn toegewezen. Gelet hierop behoeft grief 1 in incidenteel hoger beroep verder geen bespreking.

Moeten de blokleidingen op korte termijn worden vervangen of hersteld?

3.11.

Grief 2 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen een deel van de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen 3 en 4. Deze vorderingen strekken ertoe dat Ennatuurlijk i) aan PMT een voorstel moet doen voor de wijze van uitvoering van de onderhoudsverplichting en de planning daarvan en ii) binnen twee maanden moet beginnen met vervanging van de blokleidingen, of indien dit niet mogelijk is, het verrichten van herstelwerkzaamheden.

De bestreden overweging van de rechtbank houdt in dat tegenover het verweer van Ennatuurlijk dat thans (nog) geen sprake is van een technische noodzaak voor de door PMT beoogde onderhoudswerkzaamheden, PMT onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd (bijv. door een technische rapportage) dat reeds nu in zodanige mate onmiddellijke en ernstige schade dreigt, dat de bevoegdheid van Ennatuurlijk om onderhoud te plegen op de wijze die en in het tempo dat zij wenselijk acht, (het hof leest:) moet worden beperkt.

3.12.

In de toelichting op de grief klaagt PMT er niet over dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat Ennatuurlijk, bevoegd is om onderhoud te plegen op de wijze die en in het tempo dat zij wenselijk acht. Ook het hof gaat er daarom van uit dat Ennatuurlijk die bevoegdheid in beginsel heeft. Dit is echter anders indien er een reële dreiging van schade is en onderhoud ter voorkoming daarvan noodzakelijk is.

3.13.

Ter onderbouwing van haar stelling dat er een technische noodzaak is tot urgent onderhoud van de blokleidingen heeft PMT bij haar memorie van grieven in incidenteel hoger beroep alsnog een rapport van [Installatie] Installatie (hierna: [Installatie] ) overgelegd. Onder verwijzing naar dit rapport stelt PMT dat de wanddikte van de blokleidingen in sommige gevallen is afgenomen tot slechts 1 mm.

In het rapport van [Installatie] staat vermeld dat steekproefsgewijs de leidingen (naar PMT stelt gaat het hier om de blokleidingen) van vijf woningen visueel zijn geïnspecteerd en dat de wanddikte daarvan is gemeten. [Installatie] verwijst hiervoor naar een rapport van [RTD] Röntgen Technische Dienst. [Installatie] merkt hierover in haar rapport op dat bij een meting is gebleken dat de wanddikte van één leiding nog 1 mm is. Op basis van de steekproef concludeert [Installatie] dat de leiding bij één op de vijf woningen in slechte staat verkeert.

Het meetrapport van [RTD] Röntgen Technische Dienst is door PMT ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep in het geding gebracht.

Ennatuurlijk heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep en tijdens het pleidooi andermaal de door PMT gestelde technische noodzaak voor onderhoud en vervanging betwist.

3.14.

Het hof is van oordeel dat PMT ook in hoger beroep, mede in het licht van het door Ennatuurlijk gevoerde verweer, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat er een reële dreiging van schade is indien de blokleidingen niet binnen afzienbare termijn worden vervangen of daaraan anderszins onderhoud wordt gepleegd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat slechts bij één van de onderzochte woningen sprake is van een blokleiding met een restwanddikte van 1 mm, terwijl Ennatuurlijk tijdens het pleidooi onbetwist heeft gesteld dat tegenwoordig gebruik wordt gemaakt van een precisiepijp die überhaupt maar

1 mm dik is, zodat een dikte van 1 mm voldoende kan zijn. Dat bij de andere vier onderzochte woningen waar veel dikkere wanden van de blokleidingen zijn geconstateerd sprake is van een technische noodzaak tot vervanging of onderhoud van die leidingen, is door PMT niet althans niet concreet gesteld.

3.15.

Het hof komt niet tot een ander oordeel op basis van de door PMT aangehaalde opmerking die Ennatuurlijk in 2012 in het kader van een indicatieve aanbieding heeft gemaakt. Die opmerking is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te kunnen concluderen dat er een reële dreiging van schade is. Verder gaat het hof voorbij aan de onvoldoende concrete stelling van PMT dat ‘de klachten’ van bewoners bij Ennatuurlijk bekend zijn.

3.16.

Nu PMT haar – door Ennatuurlijk betwiste – stelling dat er een technische noodzaak is om de blokleidingen te vervangen of anderszins te onderhouden onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Grief 2 in incidenteel hoger beroep faalt. In aanmerking genomen dat PMT voorts geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit niets blijkt dat uitstel van onderhoud een onaanvaardbaar risico voor lijf en goed van de bewoners oplevert, concludeert het hof dat de vorderingen 3 en 4 terecht zijn afgewezen.

Conclusie

3.17.

Op grond van het bovenstaande zal het hof het eindvonnis bekrachtigen en Ennatuurlijk niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep van het tussenvonnis. In principaal hoger beroep is Ennatuurlijk de in het ongelijk gestelde partij, terwijl PMT dat in incidenteel hoger beroep is. Ennatuurlijk zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en PMT in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Bij de begroting van de proceskosten zal het pleidooi voor de helft worden toegerekend aan het principaal hoger beroep en voor de andere helft aan het incidenteel hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart Ennatuurlijk niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2013;

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 februari 2014;

veroordeelt Ennatuurlijk in de proceskosten van het principaal hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van PMT worden begroot op € 704,00 aan verschotten en op

€ 1.788,00 aan salaris advocaat;

veroordeelt PMT in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Ennatuurlijk worden begroot op € 894,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor zover het de proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, D.A.E.M. Hulskes en M.B.M. Loos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 november 2016.

griffier rolraadsheer