Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5279

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
20-003898-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2091, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de WWM (voorhanden hebben van imitatiepistool). Beoordelingscriteria voor de omstandigheid of het imitatiepistool 'voor bedreiging of afdreiging' geschikt is. Beroep verdediging op de omstandigheid dat het wapen een speelgoedpistool betreft dat valt onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in art. 3 Regeling wapens en munitie, faalt.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55
Wet wapens en munitie 13
Regeling wapens en munitie 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003898-15

Uitspraak : 25 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 17 december 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-061264-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging en aldus de grondslag van het onderzoek is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 maart 2015 te Bergen op Zoom een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model 92), zijnde (een) voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met (een) vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 maart 2015 te Bergen op Zoom een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (nagebootst) pistool (gelijkend op een vuurwapen van het merk Beretta model 92), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.


De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat het vermeende wapen een speelgoedpistool betreft dat valt onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Het pistool zou namelijk evident een speelgoedpistool zijn, nu het zich kenmerkt door een gesloten loop met oranje dop, licht van gewicht is en een ratelend geluid maakt indien de trekker wordt overgehaald. Voorts is het de raadsman bekend dat een soortgelijk pistool als speelgoed wordt verkocht in een detailhandelszaak in Nederland.


Gelet op het voorgaande vindt volgens de verdediging de uitzonderingscategorie van artikel 3, aanhef en sub a van de Regeling wapens en munitie (cfr. Stcrt. 2014, 18098) toepassing. Naar de mening van de verdediging leidt dit ertoe dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte op 2 maart 2015 in Bergen op Zoom een nagebootst pistool bij zich droeg. Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal betreffende dat pistool1 is het hof van oordeel dat gelet op de vorm, afmeting en donkere kleur sprake is van een sprekende gelijkenis met een vuurwapen van het merk Beretta model 92. Het pistool is daarom voor bedreiging of afdreiging geschikt. Het feit dat het pistool een gesloten loop met kleine oranje dop heeft, licht van gewicht is en een ratelend geluid kan maken, doet daar niet aan af. Het feit dat een soortgelijk pistool als speelgoed in een detailhandelszaak wordt verkocht, maakt dat evenmin anders.


Bij het voorgaande betrekt het hof tevens de omstandigheden waaronder het pistool bij de verdachte is aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen2 blijkt dat de verdachte met het wapen op straat is aangetroffen. Verbalisant [verbalisant] was ter plaatse gegaan nadat hij de melding had gekregen dat de verdachte bij zijn ex-partner voor de deur stond te vervelen. Verbalisant [verbalisant] zag de man op straat staan en vorderde zijn legitimatiebewijs. [verbalisant] zag dat de verdachte plots een zwarte kolf/handgreep van een pistool of revolver vastpakte die in de linkerbinnenzak zat en het wapen gelijk daarop naar boven haalde. Vervolgens heeft deze verbalisant onmiddellijk uit reactie de rechterhand en
-pols van de verdachte vastgepakt waarin hij het wapen vast had. Vervolgens liet de verdachte het wapen vallen.

Mede gelet op de manier waarop de verdachte het wapen tevoorschijn heeft gehaald terwijl gevraagd was om een legitimatie en de schrikreactie van de verbalisant is het voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat het aangetroffen wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

De stelling van de verdediging dat het pistool is uitgezonderd van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie omdat deze onder de Speelgoedrichtlijn valt, faalt reeds omdat het feitelijke grondslag mist. Om als speelgoed in de zin van die Richtlijn te worden aangemerkt, is immers ex art. 16 vereist dat sprake is van een CE-markering. In voornoemd proces-verbaal betreffende het pistool is expliciet gerelateerd dat zulks in het onderhavige geval niet het geval is, nu het pistool geen Europees keuringsteken heeft.


Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf


Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De politierechter heeft de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een geldboete van
€ 550,00 subsidiair 5 dagen hechtenis, waarvan € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat het hof, gelet op de financiële omstandigheden van de verdachte, zal volstaan met oplegging van een gematigde geldboete ten opzichte van hetgeen de politierechter heeft opgelegd. Voorts heeft de raadsman verzocht om termijnbetaling.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het feit dat de verdachte in de openbare ruimte een imitatiewapen voorhanden heeft gehad, dat vanwege zijn uiterlijke kenmerken nauwelijks van echt is te onderscheiden en daarom geschikt is voor bedreiging of afdreiging.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2016, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde niet eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, waaronder begrepen zijn financiële draagkracht.

Het hof sluit voor de bepaling van de straf aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden en bij straffen die door dit hof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Genoemde oriëntatiepunten indiceren in een geval als het onderhavige een geldboete ter hoogte van € 550,00. Het hof ziet, gelet op de persoon van de verdachte, aanleiding om een deel van deze geldboete voorwaardelijk op te leggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete van € 550,00 waarvan € 350,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 25 november 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal betreffende aangetroffen pistool en toebehoren, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] d.d. 23 maart 2015, werkzaam bij het Regionaal Bureau Wapens en Munitie van de politie-eenheid Zeeland-West Brabant, proces-verbaalnummer PL 2000 2015054554, dossierpagina 11 en 12, deel uitmakende van het eindproces-verbaal van politie van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, registratienummer PL20000-2015054544, houdende een aantal op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen.

2 Dossierpagina 10 van voormeld eindproces-verbaal.