Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5211

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
200.170.333_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:939, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan hetgeen partijen met betrekking tot de (partiële) verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/101 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.170.333/01

arrest van 22 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. L.F. Portier te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 september 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/280014/HAZA 14-456 gewezen vonnis van 4 februari 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 27 september 2016 waarbij het hof een comparitie heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 september 2016;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 4 oktober 2016, waarbij zij het hof heeft bericht dat partijen na afloop van de comparitie van partijen er niet alsnog in zijn geslaagd een minnelijke regeling te treffen.

Arrest is bij vervroeging bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 juni 2011 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 8 juli 2011.

6.1.2.

Partijen hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de tot de huwelijksgemeenschap behorende woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning), de twee met de woning verbonden hypotheekschulden en de twee aan de hypotheekschulden gekoppelde polissen, één bij Direktbank met nummer [polisnummer 1] met een afkoopwaarde van € 9.384,96, en één bij Aegon met nummer [polisnummer 2] met een afkoopwaarde van € 36.915,62.

6.1.3.

Voormelde afspraken zijn neergelegd in een notariële akte van verdeling en levering die op 24 juni 2013 is verleden ten overstaan van notaris [notaris] te [plaats 2] .

6.1.4.

In de akte van verdeling en levering is onder meer het navolgende opgenomen:

“(…)

OVERBEDELING

Uit de aan deze akte gehechte stukken, zijnde:

- een brief van Portier Advocaten de dato elf december tweeduizend twaalf, en

- een e-mail de dato twaalf juni tweeduizend dertien,

blijkt dat de deelgenoten zijn overeengekomen dat [de vrouw] wegens overbedeling terzake van de verdeling van de woning aan [de man] dient te voldoen een bedrag groot tweeënzeventig duizend negenhonderd vijftig euro (€ 72.950,00).

Van dit bedrag is zesentwintigduizend zevenhonderd zevenenveertig euro (€ 26.747,00) door [de vrouw] aan [de man] voldaan, zodat resteert te voldoen zesenveertigduizend tweehonderd drie euro (€ 46.203,00).

Dit bedrag is voldaan middels toedeling en levering van de voormelde afkoopwaarde van voormelde polissen aan [de man].

OVER-/ONDERBEDELING

Voorzover achteraf geconstateerd wordt dat sprake is van enige over- dan wel onderbedeling ligt hieraan geen oogmerk tot bevoordeling van een van de deelgenoten ten grondslag doch is dit een voldoening aan een natuurlijke verbintenis ter verzorging tussen de deelgenoten onderling.

(…)

SLOTVERKLARINGEN

De deelgenoten verklaren:

1. zij hebben hiermee het registergoed naar hun volkomen genoegen verdeeld;

2. zij hebben ieder het hen toekomende ontvangen;

3. zij verlenen elkaar met betrekking tot de verdeling van het registergoed en voormelde polissen over en weer kwijting en décharge;

4. zij doen afstand van het recht om op grond van enige bepaling van het Burgerlijk Wetboek ontbinding of vernietiging van deze verdeling te vorderen, waaronder mede begrepen afstand van het recht op vernietiging wegens dwaling omtrent de waarde van het registergoed, aangezien ieder van de deelgenoten de verdeling te zijnen bate of schade aanvaardt.

(…)”

6.2.1.

De man heeft in eerste aanleg gevorderd:

  • -

    de verdeling vast te stellen op de door de man voorgestane wijze;

  • -

    de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 26.601,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft de man – voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat hij blijkens de gemaakte afspraken recht had op € 72.950,- wegens overbedeling van de vrouw. De vrouw heeft bij de notaris € 26.747,- betaald en aan de man het haar toekomende deel van de afkoopwaarde van de polissen overgedragen. De waarde van de polissen bedroeg samen € 46.203,-, het aandeel van de vrouw is dan € 23.101,50, zodat aan de man nog toekomt een bedrag van € 23.101,50.

6.2.3.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.

De rechtbank heeft in het beroepen vonnis:

  • -

    de vordering van de man afgewezen;

  • -

    de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.4.

De man kan zich met het beroepen vonnis niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

6.5.

De man heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis en zijn eis gewijzigd, aldus dat hij vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van de man alsnog toe te wijzen, houdende de vrouw te veroordelen tot het voldoen aan de man van een bedrag van € 23.101,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

6.6.

Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan hetgeen partijen met betrekking tot de (partiële) verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen.

6.7.1.

Grief 1 en 2 keren zich tegen de afwijzing van de vordering van de man dat de vrouw hem wegens overbedeling nog een bedrag van € 23.101,50 moet voldoen.

Ter toelichting voert de man het volgende aan.

Partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de vrouw ter zake van overbedeling aan de man betaalt een bedrag van € 72.950,-. Door de vrouw is niet gezegd dat zij niet meer kan betalen dan de totale afkoopwaarde van de polissen, vermeerderd met € 26.747,-. Zij ging akkoord met een bedrag van € 72.950,- zonder enige toelichting. De vrouw wist, althans had moeten weten, dat de afkoopwaarde van de polissen voor de helft reeds aan de man toebehoort. De afkoopwaarde van de polissen bedraagt € 46.203,-. Elk der partijen komt de helft ervan toe. Dit bedrag, zijnde € 23.101,50, vermeerderd met het bedrag dat de vrouw stelt te kunnen betalen, zijnde € 26.747,- komt neer op een bedrag van € 49.848,50. Indien de vrouw ter zake van overbedeling alleen een bedrag van € 49.848,50 had kunnen betalen, dan was zij niet akkoord gegaan met een bedrag van € 72.950,- wegens overbedeling.

Niet zonder meer kan er van worden uitgegaan dat ex artikel 157 lid 2 Rv een notariële akte dwingend bewijs oplevert. In casu heeft de man vooraf, namelijk op 23 juni 2013, per brief de notaris verzocht om de afkoopwaarde van de polissen niet te verrekenen met het door de vrouw te betalen bedrag ter zake van overbedeling. De notaris heeft op die brief niet schriftelijk gereageerd. De notaris zegt de akte vooraf met partijen besproken te hebben, waarna vervolgens partijen de akte hebben ondertekend. De man was in de veronderstelling dat met zijn verzoek aan de notaris rekening is gehouden. Voor de man is de juridische taal van de notaris onbegrijpelijk. De man heeft de akte ondertekend zonder te begrijpen wat hij heeft ondertekend. Het moet de notaris duidelijk zijn geweest dat de man niet akkoord ging dat zijn deel van de afkoopwaarde door de vrouw werd aangewend voor de betaling van de overwaarde. Gelet op dit alles is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de notariële akte de bewijskracht oplevert als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv.

6.7.2.

De vrouw voert hiertegen verweer. Zij blijft bij haar stelling dat zij heeft ingestemd met toedeling van de woning aan haar middels betaling aan de man van een contant bedrag van € 26.747,- en tegen toedeling van de volledige waarde van de polissen aan de man. Er is destijds gekeken naar de mogelijkheden voor haar om de woning over te nemen en € 26.747,- was haar maximale financieringscapaciteit; partijen waren eruit als de man naast dit bedrag de polissen toegedeeld zou krijgen. De crux zit hem niet in het bedrag van € 72.950,-; daarbij gaat het namelijk om een denkfout, waarbij de totale waarde van de polissen is betrokken.

De man wist, althans had moeten weten, dat de afkoopwaarde van de polissen voor de helft reeds aan hem toebehoorde en voor zover de man van mening zou zijn geweest dat de vrouw door betaling van een bedrag van € 26.747,- contant aan hem en toedeling van de volledige waarde van de polissen niet correct zou voldoen aan de overeenkomst die tussen partijen was gesloten – hetgeen de vrouw betwist – het op de weg van de man had gelegen om daarvan mededeling te doen aan de vrouw en de behandelend notaris en te weigeren de notariële akte te ondertekenen. Dit heeft de man nagelaten. Sterker nog: de man heeft zijn bedenkingen wel geuit en de vrouw heeft als gevolg daarvan de man nog eens met de hypotheekadviseur laten bellen. De man heeft, zo is ter zitting in eerste aanleg gebleken, naar aanleiding daarvan ook nog contact gehad met zijn advocaat en de notaris en toch heeft de man de notariële akte getekend waarin hij de vrouw finale kwijting verleent.

Voor zover de man heeft aangegeven dat de juridische taal van de notaris voor hem onbegrijpelijk is en dat hij de akte heeft ondertekend zonder te begrijpen wat hij heeft ondertekend, dient dit voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Immers, de man heeft zich ook met betrekking tot de inhoud van de concept notariële akte laten adviseren door zijn advocaat. Uit het proces-verbaal van 13 januari 2015 blijkt ook duidelijk de verklaring van mr. Portier, dat hij de conceptakte onder ogen heeft gehad en dat hij heeft gezegd tegen de man dat de inhoud van de akte zo niet kon en dat dat met de notaris moest worden besproken. Door deze feiten en omstandigheden dat de man zich liet bijstaan door zijn eigen advocaat en dat partijen beiden na voorlezing door de notaris de notariële akte hebben getekend, mocht de vrouw er ook daadwerkelijk vanuit gaan dat dit conform de bedoeling van de man was en dat er op die wijze ook correcte uitvoering aan de toedeling van de woning aan de vrouw tegen betaling van een bedrag van € 26.747,- contant en toedeling van de polissen aan de man was gegeven.

6.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Terecht en op goede gronden, die het hof na eigen beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, heeft de rechtbank de vordering van de man dat de vrouw hem wegens overbedeling nog een bedrag van € 23.101,50 moet voldoen, afgewezen. Het hof overweegt voorts het volgende.

Welke betekenis aan de afspraken van partijen moet worden toegekend, is een kwestie van uitleg, waarbij het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen en verklaringen mochten toekennen en om hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Bij de invulling van wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten speelt artikel 6:248 BW een rol. Echtgenoten hebben zich jegens elkaar te gedragen met inachtneming van maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Vast staat dat partijen het bedrag waarvoor de vrouw is overbedeeld in onderling overleg hebben vastgesteld op een bedrag van € 72.950,-. Uit de notariële akte van verdeling en levering blijkt dat dit bedrag is voldaan door toedeling en levering van de afkoopwaarde van de polissen bij de Direktbank en Aegon (hierna: de polissen) van in totaal € 46.203,- aan de man en middels betaling van een bedrag van € 26.747,- in contanten aan de man.

Over de totstandkoming van voormeld bedrag van € 72.950,- heeft de vrouw bij gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat dit bedrag de uitkomst is van de maximale financieringscapaciteit van de vrouw ad € 26.747,- en de afkoopwaarde van de polissen ad € 46.203,-. De man heeft op zijn beurt verklaard dat hij ter zake van de overbedeling van de vrouw oorspronkelijk een bedrag van € 90.000,- van haar wenste te ontvangen, maar dat onderhandelingen met de vrouw uiteindelijk hebben geresulteerd in voormeld bedrag van € 72.950,-. Desgevraagd heeft de man tevens verklaard dat het best zou kunnen dat bij die onderhandelingen de financieringscapaciteit van de vrouw heeft meegespeeld.

Aan de man kan weliswaar worden toegegeven dat hem reeds de helft van de afkoopwaarde van de polissen toekwam, zodat de wijze van voldoening zoals in de akte van verdeling en levering is opgenomen tot gevolg heeft dat hij het bedrag van de overbedeling ten dele zelf heeft voldaan, maar daaruit blijkt nog niet dat dit niet de bedoeling van beide partijen, althans de vrouw is geweest. Gelet verder op de omstandigheid dat de man, ondanks de door hem naar diverse partijen (waaronder de notaris, de vrouw en de hypotheekadviseur) geuite aarzelingen over de juistheid van de akte op dat punt, uiteindelijk toch de akte van verdeling en levering heeft getekend zonder zich daarbij er bovendien van te vergewissen of de notaris zijn commentaar over de wijze van voldoening had verwerkt, is het hof van oordeel dat de vrouw onder die omstandigheden erop mocht vertrouwen dat de man welbewust zijn handtekening heeft gezet en heeft ingestemd met de in de akte van verdeling en levering opgenomen wijze van voldoening van de overbedelingsvordering. Derhalve falen de grieven 1 en 2 van de man.

6.8.1.

Grief 3 richt zich tegen de afwijzing van de vordering van de man tot toekenning van een schadevergoeding ad € 23.101,50 op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Vastgesteld moet worden dat aan alle voorwaarden van ongerechtvaardigde verrijking is voldaan. De vrouw wist, althans had moeten weten, dat de afkoopwaarde van de polissen voor de helft reeds aan de man toebehoorde. Voor zover de vrouw niet meer kon betalen dan € 26.747,-, dan had de vrouw ook niet ingestemd met een afkoopwaarde van € 72.950,-. De vrouw heeft voor de betaling van de overbedeling van € 72.950,- gebruik gemaakt van de helft van de afkoopwaarde van de polissen aan de man, zijnde een bedrag van € 23.101,50. De vrouw heeft zich derhalve met dat bedrag verrijkt en de man is verarmd. Dat er aan de betaling van de overbedelingsvordering een rechtshandeling ten grondslag ligt, doet daaraan niet af. Ook de notariële akte houdt deze ongerechtvaardigde verrijking in. In de akte wordt het volgende vermeld: “de deelgenoten verklaren te zijn overeengekomen dat de afkoopwaarde per 18 maart 2013 van de twee hierna genoemde polissen worden toebedeeld en geleverd aan deelgenoot 2.” Er kan slechts sprake zijn van toebedeling van een goed (in casu afkoopwaarde) voor zover dit niet reeds toebehoort aan degene die wordt toebedeeld. Toedeling van de gehele afkoopwaarde van de polissen aan de man is dan ook niet mogelijk, omdat de helft ervan aan de man toebehoort. Voor zover de man dan de vrouw zijn helft heeft betaald, is er sprake van onverschuldigde betaling.

6.8.2.

De vrouw voert hiertegen verweer. Er kan geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking nu partijen simpelweg zijn overeengekomen dat de vrouw de woning toegedeeld zou krijgen (en daarbij ook de hypothecaire geldlening voor haar rekening moest nemen met ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid), dat de man de volledige waarde van de polissen zou krijgen en dat zij daarnaast aan de man nog een bedrag van € 26.747,- zou betalen. Die kernvoorwaarden van de overeenkomst zijn ook allemaal nagekomen, zodat niet gesteld kan worden dat de vrouw is verrijkt, noch gesteld kan worden dat de man daardoor is verarmd. Als het al zo zou zijn dat, zoals de man zegt, de notariële akte een ongerechtvaardigde verrijking inhoudt, dan nog heeft te gelden dat deze verrijking bewust en niet ongerechtvaardigd was en dat de man de vrouw hiervoor finale kwijting heeft verleend. De vrouw heeft niet anders begrepen dan dat er met het passeren van de notariële akte correcte uitvoering is gegeven aan de overeenstemming tussen partijen en dat met de finale kwijting die de man in de notariële akte aan de vrouw heeft verleend, er dan ook een volledige en correcte nakoming had plaatsgevonden waarop noch de man noch de vrouw terug zou kunnen komen.

6.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop dat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking volgens art. 6:212 BW is vereist dat voldaan is aan de cumulatieve vereisten dat (i) de vrouw is verrijkt, (ii) de man is verarmd, (iii) er een verband bestaat tussen de verrijking en de verarming en (iv) voor de verrijking geen redelijke grond bestaat.

Naar het oordeel van het hof is de vrouw, indien en voor zover al zou worden geoordeeld dat zij is verrijkt, niet ongerechtvaardigd verrijkt. De (mogelijke) verrijking van de vrouw vindt haar rechtvaardiging immers in de aan de betaling van de overbedelingsvordering ten grondslag liggende rechtshandeling waarop de man, gelet op hetgeen het hof hiervóór in rov. 6.7.3 heeft overwogen, jegens de vrouw niet meer terug kan komen. Dit betekent dat ook grief 3 van de man faalt.

Proceskosten

6.9.

Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep met toepassing van artikel 237 jo. 353 Rv tussen partijen compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt voormeld vonnis voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, O.G.H. Milar en M.J. van Laarhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2016.

griffier rolraadsheer