Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5206

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
200.166.044_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3449
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) kennelijk onredelijk ontslag. Ontslag na arbeidsongeschiktheid. Arbeidsongeval. Re-integratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3478
AR 2016/3479
AR-Updates.nl 2016-1355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.044/01

arrest van 22 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.M.T. Snijders te Roermond,

tegen

AkzoNobel Functional Chemicals B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Hulstijn-Botter te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 augustus 2016 in het hoger beroep van het vonnis van 17 december 2014, gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaak-/rolnummer 3029914/CV EXPL 14-5283.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 2 augustus 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 oktober 2016.

Arrest is bij vervroeging bepaald op heden.

6 De beoordeling

6.1.

In genoemd tussenarrest heeft het hof onder rov. 3.1 de door de kantonrechter in rov. 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis waarvan beroep onder het kopje 2. De feiten vastgestelde feiten weergegeven. [appellant] heeft een grief gericht tegen deze feitenvaststelling (grief I) en ook AkzoNobel heeft deze op een punt betwist. Het hof verwijst hiervoor naar rov. 3.2 (lees: 3.1.2) van genoemd tussenarrest. Het hof zal hierna in rov. 6.1.1 tot en met 6.1.12 een gedeeltelijk eigen weergave geven van de feiten waarvan in hoger beroep wordt uitgegaan, mede op basis van de door partijen verkregen inlichtingen ter comparitie. In die weergave is rekening gehouden met de bezwaren van partijen tegen de feitenvaststelling in eerste aanleg. Dat de kantonrechter bepaalde feiten onvolledig of onjuist heeft vastgesteld, zodat grief I gegrond is, voert op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis. Dat zal afhangen van een beoordeling van de andere grieven.

6.1.1.

Partijen zijn met ingang van 1 augustus 1987 een arbeidsovereenkomst aangegaan.

6.1.2.

Gedurende zijn dienstverband had [appellant] last van rug-, en schouderklachten.

6.1.3.

Nadat [appellant] gedurende 19 jaar op de afdeling Aromox had gewerkt is hij met ingang van 1 februari 2010 overgeplaatst naar de afdeling CPU/cluster 3. De reden voor deze overplaatsing was een reorganisatie. Daarbij zijn de medewerkers die niet beschikten over een VAPRO diploma overgeplaatst. [appellant] beschikte niet over een VAPRO diploma.

6.1.4.

Op 15 maart 2010 is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt na een ongeval op de werkplek. Dit ongeval is gebeurd bij het verwisselen van een accu van de vorkheftruck. Bij het verwisselen van de accu dient gebruik te worden gemaakt van een apparaat met zuigmechanisme. [appellant] heeft niet alleen gebruik gemaakt van dit apparaat, maar met een collega meegetrokken aan de accu teneinde de accu te verwijderen. Daarbij heeft [appellant] zich vertrokken, waardoor hij is uitgevallen met klachten in de borststreek. Ten gevolge van dit ongeval heeft [appellant] zijn tussenribzenuw beschadigd.

6.1.5.

[appellant] heeft met ingang van 26 april 2010 zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

6.1.6.

Op 7 juli 2010 is [appellant] getroffen door een hartinfarct.

6.1.7.

Vanaf 17 mei 2011 is [appellant] op therapeutische basis weer aan het werk gegaan. Vanwege zijn beperkingen was [appellant] niet meer in staat om zijn oude werkzaamheden op te pakken. AkzoNobel heeft [appellant] in het kader van re-integratie werkzaamheden als monsterverzender laten verrichten.

6.1.8.

[appellant] heeft deze werkzaamheden vanwege gezondheidsklachten op 19 juli 2011 gestaakt.

6.1.9.

Nadat medio 2013 de belastbaarheid van [appellant] was toegenomen, wenste AkzoNobel niet meer mee te werken aan een terugkeer van [appellant] als monsterverzender.

6.1.10.

AkzoNobel heeft op 17 mei 2013 toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [appellant] wegens langdurige arbeidsongeschiktheid op te zeggen. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

6.1.11.

Op 30 september 2013 heeft het UWV de voornoemde toestemming verleend.

6.1.12.

AkzoNobel heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] vervolgens op 24 oktober 2013 opgezegd tegen 1 februari 2014.

6.2.

In deze procedure vordert [appellant] een verklaring voor recht dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag op grond van het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 juncto artikel 7:681 lid 2 sub b BW (thans: oud) en veroordeling van AkzoNobel tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag ter hoogte van een bedrag van € 73.992,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te betalen bedrag naar redelijkheid.

6.3.

Zoals het hof in het tussenarrest heeft vooropgesteld, geldt bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt op grond van het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 juncto artikel 7:681 lid 2 sub b BW (oud) – het zogenoemde gevolgencriterium – als maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

Voorts dienen bij de beoordeling alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts worden meegewogen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht.

6.4.

De grieven II, III, IV en V richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.4 van het vonnis waarvan beroep onder respectievelijk de kopjes ‘Overplaatsing naar andere afdeling’, ‘Ongeval van 15 maart 2010’, ‘Tekortschieten in re-integratieverplichtingen’ en ‘De gevolgen van de opzegging’. De laatste grief, grief VI, is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om [appellant] in de proceskosten te veroordelen. Blijkens de toelichting op de grief richt deze zich ook tegen afwijzing van de vorderingen van [appellant] en wenst hij het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Met inachtneming van de hiervoor in rov. 6.3 weergegeven maatstaf, komt het hof tot de volgende beoordeling van de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

6.5.

Allereerst stelt het hof vast dat nu partijen met ingang van 1 augustus 1987 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan (rov. 6.1.1) en AkzoNobel de arbeidsovereenkomst met [appellant] op 24 oktober 2013 heeft opgezegd tegen 1 februari 2014 (rov. 6.1.12), ruim 26 jaar in dienst bij AkzoNobel is geweest. Voorts blijkt uit de processtukken dat [appellant] ten tijde van ontslag 60 jaar oud was.

6.6.

Ten aanzien van de opzeggingsgrond is niet in geschil tussen partijen dat AkzoNobel de ontslagvergunning voor [appellant] heeft aangevraagd aan het UWV wegens de langdurige arbeidsongeschiktheid van [appellant] en het UWV daarvoor toestemming heeft verleend (rov. 6.1.10 en 6.1.11). Voordat AkzoNobel de arbeidsovereenkomst opzegde, is [appellant] na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid (op 15 maart 2010; zie rov. 6.1.4) nog ongeveer vier jaar bij AkzoNobel gebleven, zonder dat hij in die periode zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.

6.7.

Onomstreden is voorts dat [appellant] zonder toekenning van een (aanvullende financiële) vergoeding is ontslagen. AkzoNobel heeft echter onbestreden naar voren gebracht dat zij gedurende de eerste 104 weken van de arbeidsongeschiktheid het salaris van [appellant] 100% heeft doorbetaald, dat AkzoNobel eigenrisicodrager voor de WIA-WGA is waardoor AkzoNobel ook na het toekennen van een WIA-WGA de WIA-uitkering aan [appellant] heeft uitbetaald en dat daarnaast AkzoNobel een inkomensgarantie heeft geboden zoals opgenomen in artikel 11 van de CAO van AkzoNobel. Gezien punt 40 van de inleidende dagvaarding en hetgeen AkzoNobel hierover onbetwist heeft aangevoerd, gaat het hof ervan uit dat daarbij gaat om een aanvulling op de WIA-uitlering van [appellant] tot 75% van het jaarinkomen voorafgaande aan de eerste ziektedag.

6.8.

Partijen verschillen wel van mening met betrekking tot het ongeval van 15 maart 2010. Volgens grief III is AkzoNobel tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht en kan haar een verwijt worden gemaakt van het ongeval van 15 maart 2010. AkzoNobel heeft dit gemotiveerd betwist.

6.9.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft het hof de vraag aan de orde gesteld of [appellant] zich erop beroept dat er een causaal verband is tussen het ongeval van 15 maart 2010 en de arbeidsongeschiktheid wegens welke hij uiteindelijk is ontslagen. [appellant] heeft bij monde van zijn advocaat ter comparitie desgevraagd geantwoord dat daartussen geen causaal verband is. Overigens heeft de advocaat van [appellant] ook naar voren gebracht dat [appellant] ervan overtuigd is dat zijn ziekmelding na het ongeval en de wijze waarop daarmee door AkzoNobel is omgegaan heeft geleid tot spanningen die zijn het hartinfarct hebben veroorzaakt, maar dat reeds in de memorie van grieven is toegelicht dat het bijzonder moeilijk is aan te tonen dat het hartinfarct daardoor inderdaad is veroorzaakt. In de memorie van grieven, onder 5, heeft [appellant] aangegeven dat het voor hem onbegonnen werk is te bewijzen dat het hartinfarct van 7 juli 2010 in causaal verband stond met de spanning op het werk. Aangezien de stelplicht en bewijslast met betrekking tot het causaal verband op [appellant] rusten, blijft het hartinfarct hier verder buiten beschouwing.

6.10.

Mede gelet op de verklaringen van partijen ter comparitie, acht het hof de toedracht van het ongeval van 15 maart 2010 voldoende duidelijk. In aanvulling op hetgeen hiervoor bij rov. 6.1.4 daarover is overwogen, merkt het hof op dat vastgesteld kan worden dat op 15 maart 2010 de zuiger het niet meteen deed toen [appellant] en zijn collega de accu wilden bevestigen en dat zij, in de woorden van [appellant] , de accu ‘een handje hebben geholpen’ en, in de woorden van AkzoNobel, de accu ‘(deels) handmatig [hebben] verwisseld’. De reden dat de zuiger het niet meteen deed was dat de accuverwisselaar niet naar behoren functioneerde omdat er stof op de geleiders van het zuigmechanisme kwam waardoor accu’s niet goed werden vastgezogen. Vast staat dat [appellant] zich bij het ongeval heeft vertrokken en letsel heeft opgelopen.

6.11.

Het hof is van oordeel dat AkzoNobel een verwijt van dit ongeval kan worden gemaakt. Het probleem met het zuigmechanisme was AkzoNobel al langere tijd bekend (sinds de introductie van het apparaat). Als productie J bij de conclusie van antwoord heeft zij zelf de ‘notifications’ bijgevoegd van de meldingen aan de Technische Dienst hieromtrent. Nergens uit blijkt dat AkzoNobel specifiek maatregelen heeft getroffen en/of instructies heeft gegeven om de werknemers te beschermen tegen de gevaren van het niet naar behoren functioneren van het apparaat. AkzoNobel heeft gesteld dat er een werkinstructie was met betrekking tot het gebruik van de zuiger bij het wisselen van accu’s van heftrucks, namelijk dat de lege accu (van 600 kg) dient te worden verwijderd met het zuigmechanisme. Die instructie hield echter niet in dat uitsluitend het zuigmechanisme mocht worden gebruikt, zonder dat de werknemers daarbij zelf enige kracht mochten gebruiken. Gesteld noch gebleken is bovendien dat er door AkzoNobel toezicht werd gehouden op veilig gebruik van het apparaat. Dit laatste klemt temeer nu de veelvuldige problemen met het apparaat bij AkzoNobel bekend waren. Dat volgens de algemene veiligheidsregels van AkzoNobel incidenten gemeld moeten worden aan de afdelingsleiding en dat iedere medewerker de bevoegdheid heeft het werk te onderbreken wanneer er gevaar dreigt, doet aan het voorgaande niet af. Hier komt bij dat AkzoNobel het onderhavige ongeval ten onrechte niet heeft gemeld bij de Arbeidsinspectie. In zoverre is grief III gegrond.

6.12.

Grief II houdt in dat AkzoNobel onvoldoende rekening heeft gehouden met de reeds bestaande klachten van [appellant] bij de overplaatsing van de afdeling Aromox naar de afdeling CPU/cluster 3. Uit de stellingen van partijen volgt dat het ongeval van 15 maart 2010 heeft plaatsgevonden nadat [appellant] was overgeplaatst van de afdeling Aromox naar de afdeling CPU/cluster 3, maar ook dat het verwisselen van de accu’s een activiteit was die [appellant] al jaren verrichtte. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de kantonrechter dat de overplaatsing als zodanig niet van invloed is geweest op het aan [appellant] overkomen ongeval, en maakt dit tot het zijne.

6.13.

AkzoNobel heeft gemotiveerd betwist dat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de reeds bestaande klachten van [appellant] bij de overplaatsing. Uit de adviezen van de bedrijfsarts van 17 november 2009 en 2 maart 2010 alsmede het daarna verrichte werplekonderzoek (producties G en H bij de conclusie van antwoord) komt naar voren dat [appellant] gelet op zijn rug-, en schouderklachten het werk op de afdeling CPU/cluster 3 niet (alleen) aankon. AkzoNobel heeft echter aangevoerd dat op basis van het werkplekonderzoek in overleg met de bedrijfsarts is bepaald dat het afvulstation Aromox/Arquad een passende werkplek voor [appellant] zou zijn. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft moeten verrichten die hij door zijn medische problemen niet kon en mocht verrichten. Daaraan doet niet af dat voornoemd werkplekonderzoek pas heeft plaatsgevonden nadat [appellant] arbeidsongeschikt raakte en al was overgeplaatst. Hij stelt ook niet dat hij door het verrichten van dergelijke werkzaamheden arbeidsongeschikt is geraakt. Wat [appellant] omtrent zijn overplaatsing heeft gesteld, kan niet tot de conclusie leiden dat er mede op die grond sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Daarom komt het hof aan bewijslevering op dit punt niet toe. Overigens heeft [appellant] op dit punt ook niet voldoende specifiek bewijs aangeboden. Grief II kan dus niet slagen.

6.14.

Grief IV houdt in dat AkzoNobel is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende re-integratieverplichtingen na het ongeval van 15 maart 2010. AkzoNobel heeft dit weersproken, onder meer erop wijzende dat het UWV in het kader van de WIA-beoordeling heeft geoordeeld dat AkzoNobel wel aan die verplichtingen heeft voldaan. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:658a BW overweegt het hof over dit geschilpunt het volgende.

6.15.

Ten eerste heeft [appellant] bij deze grief opgemerkt dat hij niet begrijpt waarom AkzoNobel hem bij zijn terugkeer niet op zijn ‘oude plek’ (de afdeling Aromox) heeft teruggezet op basis van het advies van de bedrijfsarts. Voor zover [appellant] daarmee betoogt dat AkzoNobel daardoor is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende re-integratieverplichtingen, acht het hof dit niet juist. Uitgangspunt van re-integratie is immers hervatting van de eigen werkzaamheden (artikel 7:658a lid 1, tweede zin, BW). [appellant] werkte niet meer op de afdeling Aromox. Hij was immers reeds overgeplaatst naar de afdeling CPU/cluster 3. Bovendien was de arbeid op de afdeling Aromox niet (meer) passend voor [appellant] , nu hij niet beschikte over het daarvoor inmiddels bij AkzoNobel vereiste VAPRO diploma.

6.16.

Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat op basis van het onderzoek van Arbeidskundig Adviesbureau [Arbeidskundig Adviesbureau] (bijlage 7 bij de ontslagaanvraag van AkzoNobel, overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding) een juiste functie voor hem was gevonden in de functie monsterverzending en hij daarin op 17 mei 2010 ook is gestart, maar dat nadat [appellant] met andere klachten was uitgevallen in november 2011, AkzoNobel zich op het standpunt stelde dat er geen functie van monsterverzending bestond binnen haar organisatie. Het hof merkt op dat onder meer uit bijlage 3 bij de memorie van grieven kan worden afgeleid dat van de kant van AkzoNobel de indruk is gewekt dat doordat hij de werkzaamheden van monsterverzending verrichtte, hij daarmee de (aangepaste) functie van monsterverzending vervulde. Dat maakt evenwel niet dat AkzoNobel niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Het enkele feit dat [appellant] die werkzaamheden verrichtte, betekent niet dat er ook een functie van monsterverzending bestond. AkzoNobel heeft gesteld dat de werkzaamheden van monsterverzending deel uitmaakten van de functie van laborant. Ook [appellant] lijkt daarvan overigens uit te gaan waar hij stelt dat het werkzaamheden betroffen waar laboranten niet aan toekwamen (memorie van grieven, onder 66, voorlaatste zin). Tijdens de comparitie heeft [HR business partner bij AkzoNobel] , HR business partner bij AkzoNobel, nader toegelicht dat er geen functie van monsterverzending was en dat dit een taak van de laboranten was. Het hof concludeert uit het voorgaande dat er geen sprake was van een functie monsterverzending bij AkzoNobel.

6.17.

Mede in aanmerking genomen dat de werkzaamheden van monsterverzending al deel uitmaakten van een functie, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat AkzoNobel een functie van medewerker monsterverzending voor [appellant] diende te creëren. Daarbij heeft het hof ook rekening gehouden met de tegenwerping van AkzoNobel dat dit vanwege de bedrijfseconomische omstandigheden waarin AkzoNobel verkeerde niet mogelijk was (memorie van antwoord, onder 62). Dat er andere arbeid bij AkzoNobel was die passend was voor [appellant] is niet gebleken. Tussen partijen staat niet ter discussie dat, naast de rug-, en schouderklachten en het letsel opgelopen bij het ongeval, [appellant] andere ernstige medische problemen heeft gekregen. [appellant] heeft tijdens de comparitie nog werkzaamheden genoemd die hij in zijn visie had kunnen verrichten (het zitten op de heftruck en grondstoffen vervoeren, met een aanpassing voor de rug). Zijdens AkzoNobel is hierop gereageerd met de mededeling dat dit nieuw voor haar is. Gezien het stadium van de procedure acht het hof te laat om te onderzoeken of de door [appellant] genoemde werkzaamheden passend zouden zijn in de zin van artikel 7:658a BW. Aan de onderhavige opmerkingen van [appellant] gaat het hof dan ook voorbij.

6.18.

[appellant] heeft gesteld dat AkzoNobel aanvankelijk – gedurende het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid – te weinig aan de re-integratie heeft gedaan. Mede gelet op de medische problemen van [appellant] zijn er echter geen concrete aanwijzingen dat in het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid kansen op re-integratie zijn gemist. Gesteld noch gebleken is dat een eventueel gebrek in de re-integratie gedurende het eerste jaar nog een rol heeft gespeeld bij het voortduren van de arbeidsongeschiktheid, die tot het ontslag heeft geleid.

6.19.

Vast staat dat AkzoNobel [appellant] heeft aangeboden om een tweede spoor traject te starten in het kader van re-integratie buiten AkzoNobel en dat [appellant] van dat aanbod geen gebruik heeft gemaakt. Daarvoor heeft [appellant] als reden opgegeven dat hiertoe geen aanleiding was omdat er een – structurele – functie van medewerker monsterverzending was die hij kon uitvoeren. Zoals hiervoor in rov. 6.16 is overwogen, deelt het hof dat standpunt niet. [appellant] heeft tijdens de comparitie bevestigd dat hij inderdaad niets wilde weten van een tweede spoor traject. In elk geval moet de conclusie zijn dat AkzoNobel, zoals zij behoorde te doen, de inschakeling van [appellant] heeft bevorderd in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever (artikel 7:658a lid 1, laatste zin, BW).

6.20.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 6.15 tot en met 6.19 gaat het verwijt van [appellant] dat AkzoNobel is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende re-integratieverplichtingen na het ongeval van 15 maart 2010 niet op. Grief IV is dus tevergeefs voorgesteld.

6.21.

Grief V ziet op de in het kader van de onderhavige beoordeling te maken vergelijking van de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst voor [appellant] met het belang van AkzoNobel bij de opzegging. [appellant] klaagt erover dat de kantonrechter die vergelijking in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

6.22.

Hiervoor (in rov. 6.11) heeft het hof ten aanzien van grief III geoordeeld dat AkzoNobel een verwijt van het ongeval van 15 maart 2010 kan worden gemaakt. Nu [appellant] evenwel niet stelt dat er een causaal verband is tussen dit ongeval en de arbeidsongeschiktheid wegens welke hij uiteindelijk is ontslagen, legt dit verwijt alles overwegende bij de in dezen te maken vergelijking onvoldoende gewicht in de schaal. Dat geldt dan ook voor de door [appellant] gestelde gevolgen van zijn arbeidsongeschiktheid in sociaal, medisch en financieel (medische kosten en reiskosten) opzicht. Voor zover [appellant] bij de toelichting op deze grief heeft verwezen naar hetgeen hij heeft aangevoerd bij de grieven II en IV, kan dat niet meewegen bij de onderhavige vergelijking. Zoals uit het vorenoverwogene blijkt, falen die grieven immers.

6.23.

Het hof houdt er ook rekening mee dat voor [appellant] , mede gelet op zijn leeftijd, zijn kansen op de arbeidsmarkt ten tijde van het ontslag na het lange dienstverband bij AkzoNobel ongunstig zullen zijn geweest; [appellant] had naar eigen zeggen ten tijde van de comparitie nog immer geen nieuw werk. Daar staat tegenover dat AkzoNobel [appellant] heeft aangeboden om een tweede spoor traject te starten en hij van dat aanbod – om hem moverende redenen – geen gebruik heeft gemaakt. Ook betrekt het hof in zijn oordeel de door AkzoNobel verrichte betalingen zoals weergegeven in rov. 6.7. Dat neemt niet weg dat [appellant] inkomensschade (en pensioenschade) heeft als gevolg van het ontslag nu hij aangewezen is op een uitkering. Hierbij moet echter worden bedacht dat ook zwaarwegend is het belang van AkzoNobel bij het beëindigen van het dienstverband met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, die geen mogelijkheden heeft om te re-integreren in een functie in het eigen bedrijf. Het hof passeert de stelling van [appellant] dat er collega’s in gelijkwaardige posities met vergelijkbare dienstverbanden zijn die allemaal met een gouden handdruk de onderneming hebben verlaten. AkzoNobel heeft deze stelling betwist en [appellant] heeft die stelling niet onderbouwd.

6.24.

Op grond van de hiervoor vermelde maatstaf en alle hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. De gevolgen van de opzegging voor [appellant] kunnen vergeleken met het belang van AkzoNobel bij opzegging niet als te ernstig beoordeeld worden. Hier doet zich niet de situatie voor dat er bijzondere omstandigheden zijn, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Grief V treft dan ook geen doel.

6.25.

Bij deze stand van zaken faalt ook grief VI. Gezien de uitkomst van dit hoger beroep, is [appellant] terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld.

6.26.

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden ten bewijze aangeboden die indien bewezen tot een ander oordeel zouden leiden.

6.27.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, als gevorderd vermeerderd met wettelijke rente over deze kosten, alsmede de nakosten.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van AkzoNobel op € 1.937,- aan griffierecht en op € 3.262,- aan salaris gemachtigde en bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van AkzoNobel op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2016.

griffier rolraadsheer