Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5204

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
200.164.632_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1075
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:2586
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:212
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4701
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Vervolg op andere tussenarresten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.164.632/01

arrest van 22 november 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. van Gool te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 maart 2016 in het hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West Brabant zittingsplaats Breda van 15 augustus 2012, 30 januari 2013 en 29 oktober 2014, onder zaaknummer C/02/250561 / HA ZA 12-427 gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. Het hof zet de nummering van het tussenarrest voort.

5 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

5.1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het voornoemde tussenarrest waarbij [appellant] bewijs is opgedragen;

  • -

    de memorie na niet gehouden enquête van [appellant] met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na niet gehouden enquête van [geïntimeerde] .

5.2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken, die genoemd in het tussenarrest en die van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1

Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest. Daarin heeft het hof al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep tegen de tussenvonnissen van (klaarblijkelijk bedoeld is het comparitievonnis na antwoord van) 15 augustus 2012 en 30 januari 2013 (rov. 3.8). In het tussenarrest is verder overwogen dat de grieven alle opkomen tegen het rechtbankoordeel dat het beroep op de rechtvaardigingsgrond gelet op het door [geïntimeerde] (in eerste aanleg) bijgebrachte bewijs gerechtvaardigd was (rov. 3.10), waarna uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist dat het hof dit bewijs daarmee echter niet geleverd oordeelt en niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond (rov. 3.18). Verder heeft het hof in het tussenarrest uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en dat [geïntimeerde] de schade die [appellant] als gevolg daarvan lijdt, moet vergoeden (rov. 3.19). Omdat het hof het causaal verband tussen de klap en de schade aan het gebit vooralsnog niet aanwezig oordeelde (rov. 3.20), is [appellant] bij het tussenarrest toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat, en eventueel welk deel, van de schade aan zijn gebit, zoals beschreven in de brief van tandarts [tandarts 2] van 12 maart 2012 (inleidende dagvaarding, productie 8) het gevolg is van de klap op zijn mond door [geïntimeerde] gegeven op 4 oktober 2006.

6.2

Hoewel [appellant] na het tussenarrest verhinderdata en drie nader genoemde getuigen voor de enquête had opgegeven, heeft [appellant] -nadat de dag voor dat getuigenverhoor was bepaald- aangegeven af te zien van het horen van getuigen en aangegeven

schriftelijk in zijn bewijsopdracht te willen voorzien”.

In zijn memorie na niet gehouden enquête (onder punt 2) zegt [appellant] echter er voor te hebben

gekozen om vooralsnog af te zien van het horen van getuigen”,

dat hij met de daarbij overgelegde en toegelichte producties het opgedragen bewijs meent te hebben geleverd én biedt [appellant] (onder punt 24) tevens aan zo nodig nog (naar het hof begrijpt: nader) bewijs te leveren

speciaal middels het horen van getuigen”.

[appellant] voegde daar nog aan toe

Uiteraard is [appellant] ook bereid om zijn medewerking te verlenen aan een nader onderzoek door een deskundige, indien en voor zover uw Hof zulks geraden acht.”

In haar antwoordmemorie na niet gehouden enquête licht [geïntimeerde] toe dat zij het aan [appellant] opgedragen bewijs met de door hem overgelegde producties niet geleverd acht.

6.3.1

In het voorgaande en de inmiddels voorhanden schriftelijke stukken, ziet het hof nu aanleiding een deskundigenbericht te bevelen over de navolgende (voorlopige) vraagpunten:

1. Kunt u gemotiveerd aangeven of en in hoeverre de schade aan het gebit van [appellant] zoals beschreven in de brief van tandarts [tandarts 2] van 12 maart 2012 (inleidende dagvaarding, productie 8) het gevolg is van de klap op zijn mond door [geïntimeerde] gegeven op 4 oktober 2006?

2. Als en voor zover die door tandarts [tandarts 2] beschreven schade inderdaad het gevolg is van die door [geïntimeerde] gegeven klap, kunt u dan gemotiveerd aangeven of en in hoeverre die schade aan het gebit van [appellant] ook zonder die op 4 oktober 2006 door [geïntimeerde] gegeven klap zou zijn ontstaan?

3. Welke opmerkingen acht u verder nog van belang voor de door het hof te nemen beslissing?

6.3.2

Het hof stelt voor als deskundige te benoemen: dr. R.J.J. van Es, UMC Utrecht, Postbus [postbus] , [postcode] [kantoorplaats] , tel. [netnummer + telefoonnummer] . Het hof gaat ervan uit dat [appellant] de deskundige desgewenst zal machtigen om relevante gegevens op te vragen bij artsen of instanties. Het hof deelt mee dat de voorgestelde deskundige zijn kosten begroot op € 1.130,50 inclusief BTW en dat zijn uurtarief € 159,10 exclusief BTW bedraagt.

6.3.3

Omdat op hem de bewijslast rust, dient [appellant] in beginsel de kosten van het deskundigenbericht te bevoorschotten. Voor zover [appellant] aangeeft dat zijn financiële middelen beperkt zijn, leidt dit niet tot een ander oordeel. Dat [appellant] op een toevoeging procedeert, maakt wel dat het hem op te leggen voorschot voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zal kunnen komen.

6.4

Het hof zal partijen nu eerst in de gelegenheid stellen zich over de voorgaande (in rov. 6.3 aangegeven) voornemens uit te laten. Daarom beslist het hof als volgt.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 20 december 2016 voor akte aan de zijde van [appellant] met de hiervoor in rov. 6.4 vermelde doeleinden, waarna [geïntimeerde] hierop bij antwoordakte zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M.J.H.A. Venner-Lijten en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2016.

griffier rolraadsheer