Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:5187

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
200.195.112/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 november 2016

Zaaknummer : 200.195.112/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/309925 / FA RK 16-110

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.J. van Meggelen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    Stichting Bureau Jeugdzorg West-Brabant Oost, locatie [locatie] (hierna te noemen: de GI);

  • -

    de heer [pleegvader] (hierna te noemen: de pleegvader).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] met benoeming van de GI tot voogdes, alsnog af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegvader.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier van 3 oktober 2016 met één bijlage van mr. Van Meggelen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] heeft in de periode van 2005 tot februari 2012 in gezinsverband met de moeder en haar voormalige stiefvader (tevens huidige pleegvader) de heer [pleegvader] geleefd.

Sinds 6 juni 2012 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI en verblijft zij op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing bij de heer [pleegvader] .

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd met benoeming van de GI tot voogdes over [minderjarige] .

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert ze, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder is zich ervan bewust dat [minderjarige] geen contact wenst met haar. De moeder kan hierin berusten en benadrukt dat het door haar ingestelde hoger beroep niet ziet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. Echter, dit hoeft niet te betekenen dat haar ouderlijk gezag wordt beëindigd. De raad heeft haar conclusie dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar taak als opvoeder te vervullen op onvoldoende wijze met verklaringen en/of bevindingen van deskundigen onderbouwd. Het feit dat de enkele omstandigheid dat terugplaatsing van de moeder thans, naar de mening van de raad, niet meer tot het perspectief van [minderjarige] behoort, maakt niet dat daarom de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. De moeder wenst haar gezag niet te gebruiken om beslissingen te belemmeren; zij wenst betrokken te blijven bij [minderjarige] en zij wil inspraak blijven houden in de te nemen beslissingen over [minderjarige] . De moeder heeft nooit de handelswijze van de GI gefrustreerd en zij heeft nooit in de weg gestaan aan het belang van [minderjarige] . De moeder wenst mee te werken met de GI en zij staat open voor alle hulpverlening. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Er worden zorgen geuit, maar deze zorgen kunnen worden weggenomen door de juiste inzet en hulpverlening.

3.5.

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en gepersisteerd bij het inleidende verzoek. [minderjarige] heeft veel wisselende plekken gekend en heeft vanaf jongs af aan een problematische relatie met haar moeder. De beslissing van de rechtbank dient in stand te blijven.

3.6.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI verklaard dat het vertrouwen van [minderjarige] in de moeder al eerder is beschadigd en dit door alle voorvallen die hebben plaatsgevonden steeds ingewikkelder is geworden. Inmiddels heeft [minderjarige] de moeder helemaal afgewezen en de GI krijgt in zes maanden niet gerealiseerd dat [minderjarige] hierin van mening verandert. [minderjarige] is een slimme meid die voor haar eigen stabiliteit kiest. Het is volgens de GI niet aan de moeder duidelijk te maken dat zij [minderjarige] moet loslaten.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.7.2.

Uit het dossier is gebleken dat [minderjarige] in april 2015 heeft aangegeven geen contact meer met haar moeder te wensen. Uit het kinderverhoor met [minderjarige] is gebleken dat [minderjarige] dit standpunt nog steeds inneemt. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij heeft ervaren dat haar moeder haar gezag misbruikt om dingen te eisen en om te laten zien dat zij de baas was. [minderjarige] heeft daarbij nog aangegeven dat er een last van haar schouders afviel toen de rechtbank het gezag van de moeder over haar beëindigde en dat ze niet wil dat de moeder in het gezag over haar wordt hersteld. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] , haar intellectuele capaciteiten en de wijze waarop ze haar mening heeft verwoord en onderbouwd, dient aan haar mening een zwaarwegende betekenis toe te komen.

3.7.3.

Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat de moeder nooit zelfstandig voor [minderjarige] heeft gezorgd en dat de verantwoordelijk voor haar verzorging en opvoeding in het verleden voornamelijk werd gedragen door familieleden en pleeggezinnen. Sinds het jaar 2005 wordt [minderjarige] opgevoed en verzorgd door haar huidige pleegvader (aanvankelijk in gezinsverband met haar moeder) en sinds begin 2012 draagt de pleegvader de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

Van een situatie dat de moeder zelfstandig voor [minderjarige] zou kunnen zorgen, is geen sprake. Het verblijf van [minderjarige] bij de pleegvader staat niet ter discussie. Gebleken dat [minderjarige] zich op alle leefgebieden goed ontwikkelt en serieus met haar toekomst bezig is. In de onderhavige situatie, met name ook rekening houdend met het gegeven dat [minderjarige] binnen een half jaar achttien jaar wordt, acht het hof het door de rechtbank gehanteerde criterium, dat de moeder niet in staat is binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen, niet redengevend voor het beëindigen van het gezag van de moeder.

Het hof ziet evenwel op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aanleiding om het gezag van de moeder te beëindigen op basis van artikel 1:266b BW: misbruik van het gezag.

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

3.7.4.

Uit het dossier is gebleken dat de afgelopen jaren de ten aanzien van de gezagsuitoefening in ieder geval de volgende incidenten hebben plaatsgevonden:

  • -

    in het najaar van 2014 heeft de moeder bij de tandarts, zonder enig overleg laat staan afstemming, alle contactgegevens van [minderjarige] laten overschrijven naar haar adres;

  • -

    begin 2015 heeft de moeder gedreigd om [minderjarige] te laten ontvoeren naar Marokko door haar netwerk;

  • -

    de moeder heeft op de Facebookpagina van de school van [minderjarige] een bericht geplaatst dat [minderjarige] niet mee mag met een schoolreis naar Parijs;

  • -

    in april 2015 zouden [minderjarige] en de moeder met elkaar in gesprek gaan. [minderjarige] heeft verzocht om deze afspraak enkele weken te verzetten in verband met drukte voor school. De reactie van de moeder hierop was het weigeren van haar toestemming voor een schoolreis van [minderjarige] naar Griekenland. (Door dat de GI de verantwoordelijkheid heeft genomen om haar toch te laten gaan is de geplande schoolreis wel door gegaan);

bij terugkomst van [minderjarige] op het vliegveld na haar reis naar Griekenland heeft de moeder, door zich uit te geven als iemand van jeugdzorg, proberen te bewerkstelligen dat [minderjarige] door de marechaussee zou worden teruggebracht naar haar.

Daarbij komt dat de moeder herhaalde malen heeft gepoogd de pleegvader in diskrediet te brengen, hetgeen het ongestoord verblijf van [minderjarige] bij de pleegvader heeft belast.

Het hof is van oordeel dat de moeder door deze gedragingen fors grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien, waarbij zij haar gezag over [minderjarige] op oneigenlijke wijze heeft ingezet, zonder zich daarbij iets om het belang van [minderjarige] gelegen te laten liggen. Zij heeft de grenzen van [minderjarige] in ernstige mate overschreden en inbreuk gemaakt op haar vertrouwen, integriteit en autonomie. Het hof kan dan ook niet anders dan concluderen dat de moeder kennelijk bij herhaling niet in staat is gebleken om een goede invulling te geven aan haar gezagspositie en misbruik heeft gemaakt van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit is voor het hof dan ook reden om het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen.

3.7.5.

Op grond van het vorenstaande zal het hof, met verbetering van gronden, de bestreden beschikking bekrachtigen, nu voldaan is aan het criterium van artikel 1:266b BW.

Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op de artikelen 3 en 20 IVRK en 8 EVRM, passeert het hof deze stellingen, nu de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van [minderjarige] .

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, onder verbetering van gronden, de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.R.M. van Leuven en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2016.